Tot in de twintigste eeuw was het bekijken van de uitgestoken tong voor de arts een routinezaak bij vrijwel alle ziekten. Vreemd genoeg deed de middeleeuwse arts dat niet. Men was het er wel over eens dat dit lichaamsdeel bestond uit zacht wit (!) vlees, dat vol zat met aderen en zenuwen. De functie van de tong was ook duidelijk. Deze moest met behulp van het speeksel het voedsel tussen de kiezen brengen en daarnaast was de tong belangrijk voor de smaakgewaarwording en vond men de tong ook van belang voor de klankvorming van de spraak.
Over de tot dusverre beschreven aandoeningen in deze serie konden we telkens vermeldingen vinden in alle 4 de door ons gebruikte manuscripten. Bij aandoeningen van het tandvlees doet zich echter iets merkwaardigs voor. Lanfranc en De Chauliac, de grote coryfeeën van hun tijd, vermeldden vrijwel niets over ziekten van het tandvlees, terwijl de ‘lokale’ schrijvers Yperman en Scellinck van Thienen daaraan zeer veel aandacht besteedden. Niet aannemelijk is dat tandvleesaandoeningen in de Lage Landen meer voorkwamen dan in Italië en Frankrijk. Wel zou men kunnen denken dat de academisch gevormde chirurgen Lanfranc en De Chauliac een dergelijke aandoening te onbelangrijk vonden om er dieper op in te gaan. Toch schreef Lanfranc in een andere context wel iets belangrijks over het tandvlees. Hij zei namelijk: “die tanden zweren so veel bi den quaden tantvleische”: dikwijls ontsteken de tanden (of doen pijn) door het slechte tandvlees. Een mooi voorbeeld van het feit dat deze geleerde chirurgijns al oog hadden voor een causaliteit die niet direct voor de hand ligt.
Als kind van zijn tijd meende Yperman dat tandvleesontstekingen veroorzaakt werden door ophopingen van 1 van de vier 4 humoren (bloed, slijm, gele gal, zwarte gal). Meestal moet er naar worden geraden hoe men het verschil tussen de 4 humoren te w..