Angst voor een tandheelkundige behandeling begint soms al in de kindertijd. Verschillende instrumenten kunnen bij kinderen deze vorm van angst meten. In dit onderzoek zijn de betrouwbaarheid en de convergente validiteit van 7 meetinstrumenten beschreven. Er bleek geen ‘gouden standaard’ te bestaan waarmee de validiteit van een instrument ondubbelzinnig is vast te stellen. Bovendien bleek dat zelfrapportageschalen relatief vaker zijn onderzocht dan gedragsobservatie-instrumenten, terwijl deze laatste meetmethode in de praktijk vaker wordt gebruikt. De meeste instrumenten zijn voldoende betrouwbaar, maar correleren onderling soms onvoldoende. Dit laatste heeft mogelijk te maken met het multidimensionele karakter van het begrip ‘angst’ en, in sommige gevallen, met de soort meetmethode. In vrijwel geen enkel onderzoek werden vooraf normen bepaald waarmee statistische indices ondubbelzinnig kunnen worden geïnterpreteerd. In het onderhavig onderzoek zijn deze normen wel vastgesteld.
Praktijktoepassing:
Zowel de meettijd als het exacte meetdoel van een instrument is een belangrijke afweging voor gebruik in praktijksituaties. De kwaliteit zou echter van een even groot belang moeten zijn. De meeste instrumenten blijken voldoende betrouwbaar.