×

Schedelbot als alternatief voor bekkenkambot bij kaakbotaugmentatie

Promotie T.F. Putters

12 maart 2020 Geen reacties

Volgens Thomas Putters van het UMC Groningen kan schedelbot veilig en voorspelbaar worden geoogst voor het verhogen van de bovenkaak. Specifiek bij patiënten die implantaten geplaatst krijgen ten behoeve van een overkappingsprothese. Tevens concludeerde hij dat het oogsten van schedelbot minder postoperatieve pijn gaf dan het oogsten van bekkenkambot. Bovendien kan de reconstructie van de bovenkaak met schedeldakbot en het plaatsen van de implantaten in 1 chirurgische behandeling plaatsvinden. Op deze manier kunnen de kosten en behandeltijd voor deze behandeling tevens worden verlaagd.

Redenen voor Putters om na te gaan of schedeldakbot een betrouwbaar alternatief is voor een bottransplantatie uit de bekkenkam. In zijn proefschrift beschrijft hij een nieuwe veilige techniek voor het oogsten van schedeldakbot. Daarnaast onderzocht hij de mate van invaliditeit die overbleef na het oogsten van schedeldakbot vergeleken met bekkenkambot. Ten slotte testte de promovendus een techniek waarmee het mogelijk is het aanbrengen van het schedelbot te combineren met het plaatsen van implantaten.

Voor patiënten met een edentate bovenkaak die problemen ondervinden met de houvast van hun gebitsprothese is een overkappingsprothese op implantaten een effectieve behandeling. Vaak is er echter in de bovenkaak onvoldoende bot aanwezig voor het plaatsen van implantaten. Gebruikelijke oplossing is dan om bot uit de bekkenkam te nemen en aan te brengen op de geslonken bovenkaak. Nadelen van deze behandeling zijn de postoperatieve pijn waarmee het gepaard gaat en problemen met lopen na de chirurgische behandeling. Pas na 4 maanden helen kunnen, in een tweede chirurgische behandeling, de implantaten geplaatst worden.

Op 11 maart 2020 promoveerde Thomas F. Putters aan de Rijksuniversiteit Groningen op zijn proefschrift ‘Maxilla augmentation with calvarial bone’. Promotoren waren prof. dr. G.M. Raghoebar en prof. dr. A. Vissink. Copromotor was dr. J. Schortinghuis.