Zoek in het NTvT archief

Er zijn 626 zoekresultaten gevonden.

  • De relatie tussen parodontitis, diabetes mellitus en hart- en vaatziekten is complex en kan voorgesteld worden als een Bermudadriehoek. Zo is een relatie tussen parodontitis en een verminderde conditie van het vaatstelsel en een verhoogde totale ontstekingsgraad in het lichaam aangetoond. Ook hebben patiënten met ernstige parodontitis hogere bloedwaarden van geglycosyleerd hemoglobine. Dat betekent dat ernstige parodontitis een vroege aanwijzing kan zijn van diabetes mellitus. Een parodontale behandeling zorgt in het algemeen voor een verbeterde bloedsuikerregulatie bij diabetespatiënten, een betere conditie van het vaatstelsel en een verlaging van de totale ontstekingsgraad. Factoren als erfelijkheid, levensstijl en de aanwezigheid van andere chronische ziektebeelden dragen echter bij aan de complexiteit van de relatie. Voor de behandeling van ernstige parodontitis wordt daarom interdisciplinaire samenwerking tussen tandartsen, huisartsen en internisten aangeraden.

  • Mondgezondheid kan worden gemeten vanuit het perspectief van de zorgverlener (objectief) en van de patiënt (subjectief). Echter, objectieve en subjectieve mondgezondheid komen niet goed overeen. Daarom werd onderzoek verricht naar de relaties tussen objectieve en subjectieve mondgezondheid, en gerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL) bij kinderen. Deze relaties werden bekeken in verband met de orthodontische problemen. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen Generation R, een prospectief onderzoek naar de gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Naast malocclusies en cariës bleken verschillende niet-klinische factoren, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken, invloed te hebben op subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zorgen net als sociaaleconomische factoren voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid. Deze kennis kan niet alleen helpen een effectieve communicatie tussen orthodontist en patiënt te ondersteunen, maar ook bij ontwikkeling van doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen.

  • Ziektelast en kwaliteit van leven bij patiënten met en zonder extreme angst voor tandheelkundige behandelingen

    J.H. Vermaire, C.M.H.H. van Houtem, J.N. Ross, A.A. Schuller

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • In dit onderzoek werd een vergelijking gemaakt tussen ziektespecifieke (mondgezondheidgerelateerde) kwaliteit van leven ­(MGKvL), gemeten met de OHIP-14 vragenlijst, en generieke (algemene gezondheidgerelateerde) kwaliteit van leven (GKvL), gemeten met de EQ5D-5L vragenlijst van mensen met en zonder extreme behandelangst. Een totaal van 76 patiënten die onbehandelbaar waren vanwege extreme behandelangst, waren verwezen naar een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Deze patiënten werden op basis van leeftijd, geslacht en sociaaleconomische status gematcht met deelnemers aan een epidemiologisch onderzoek naar mondgezondheid (n = 1.125). Wilcoxon signed-rank tests werden gebruikt om beide groepen te vergelijken op GKvL en MGKvL. De totale OHIP-score was hoger (wat een lagere kwaliteit van leven inhoudt) in de patiëntengroep dan in de controlegroep. Angst­patiënten scoorden hoger op alle 7 domeinen van de OHIP-14. Wat betreft de generieke kwaliteit van leven werd gevonden dat patiënten met extreme behandelangst een lagere utiliteit rapporteerden dan de gematchte controlegroep. Met deze gegevens kon voor extreme behandelangst een totale ziektelast voor Nederland worden berekend van 74.000 DALY’s (disability adjusted life years). De resultaten van dit onderzoek geven aan dat het hebben van extreme angst voor tandheelkundige behandelingen in Nederland een significante ziektelast met zich meebrengt.

  • Denk aan je tanden - de relatie tussen kauwen en cognitie

    R.A.F. Weijenberg, S. Delwel, B.V. Ho, C.D. Wierink, F. Lobbezoo

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Ouderen, vooral diegenen met dementie, hebben een grote kans op mondproblemen zoals orofaciale pijn en het verlies van gebitselementen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de cognitieve en motorische beperkingen als gevolg van de dementie leiden tot verminderde zelfzorg en daarmee ook tot een slechtere mondgezondheid. Een alternatieve theorie is dat cognitie en mondgezondheid elkaar beïnvloeden. Uit dieronderzoeken blijkt dat vermindering van de kauwactiviteit, bijvoorbeeld door gemalen voedsel te eten of door tandverlies, leidt tot verminderde geheugenfuncties en neuronale degeneratie. In humane onderzoeken is de relatie tussen kauwen en cognitie ook onderzocht, maar komt de causaliteit nog niet duidelijk naar voren. Waarschijnlijk spelen meerdere factoren een rol in deze relatie, zoals zelfzorg, voeding, stress en pijn.

  • Gebitsslijtage en jongvolwassenen: wat weten ze en hoe wensen ze informatie

    V.J.N. Verploegen, A.A. Schuller

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Erosieve gebitsslijtage is een veel voorkomend verschijnsel onder de jeugd en jongvolwassenen in Nederland. Aandacht voor dit probleem is vanwege de irreversibele gevolgen noodzakelijk. Het vragenlijstonderzoek (als onderdeel van ‘Tandheelkundig Onderzoek en Praktijk Noord Nederland’) dat werd uitgevoerd onder 331 jongvolwassenen (20 tot en met 25 jaar) uit 25 mondzorgpraktijken, had als doel inzicht te verkrijgen in het kennisniveau over erosieve gebitsslijtage en in door de jongvolwassenen meest gewenste manier om tandheelkundige informatie te ontvangen. Uit de resultaten bleek dat er nog veel onbekend is over erosieve gebitsslijtage onder jongvolwassenen, waarbij de kennisscore afhankelijk was van opleidingsniveau en het eerder hebben ontvangen van informatie hierover. Een gesprek met een mondzorgverlener, ondersteund door schriftelijke informatie op maat, werd door de deelnemers als meest gewenste manier van informeren aangegeven.

  • Het effect van verschillende tandheelkundige reinigingsinstrumenten op oppervlakken van orale titanium implantaten werd in dit onderzoek geëvalueerd. Verder werd een klinische richtlijn ontwikkeld met betrekking tot de diagnose, de preventie en de behandeling van peri-implantaire ziektes. Air-polishers bleken de meest geschikte instrumenten te zijn voor het verwijderen van de biofilm van implantaatoppervlakken. Van de chemische middelen leken citroenzuur en waterstofperoxide de meeste potentie te hebben. Periodieke controles en zorgvuldig onderhoud van de implantaatgedragen constructies (door patiënten en mondzorgverleners) zijn van groot belang om peri-implantaire ziektes te voorkomen of ze vroegtijdig te diagnosticeren. Een klinische en röntgenologische ‘nulmeting’ is een onmisbaar onderdeel voor de start van deze controles. Deze nulmeting vindt bij voorkeur ongeveer 8 weken na het plaatsen van de suprastructuur plaats. Klinische en/of röntgenologische veranderingen zijn alarmerend. Preventie en vroegtijdige diagnose van problemen is de sleutel tot het succes van orale implantaten op de lange termijn.

  • Preventieve tandheelkunde 7. Halitose de mond uit helpen

    T.M.H. de Jong, M.L. Laine

    7 juli 2017

    NTvT juli en augustus 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Halitose of slechte adem is een probleem dat bij veel mensen voorkomt en waarvan de oorzaak meestal intraoraal is te vinden. Bacteriën in de mond produceren vluchtige zwavelhoudende verbindingen, zoals waterstofsulfide en methylmercaptaan, die niet alleen een onaangename geur afgeven, maar ook een toxisch effect op parodontale weefsels kunnen hebben. Goede mondhygiëne, een gezond parodontium en gezonde gebitselementen zijn de basis voor de preventie van intraorale halitose en daarom spelen tandartsen en mondhygiënisten een essentiële rol hierin.

  • Kauwen op bruxisme. Associaties, gevolgen en behandeling

    F. Lobbezoo, R. Jacobs, A. De Laat, G. Aarab, P. Wetselaar, D. Manfredini

    7 juli 2017

    NTvT juli en augustus 2017 Onderzoek en wetenschap

  • In dit deel van het tweeluik over bruxisme wordt ingegaan op de associaties van deze kauwspieractiviteit met andere aandoeningen. Vooral de associaties met het obstructief slaapapneusyndroom zijn onderzocht. Bruxisme lijkt een beschermende functie bij deze aandoening te hebben, hoewel de bewijslast daarvoor nog niet sluitend is. Naast dit mogelijke positieve gevolg heeft bruxisme ook een aantal nadelige gevolgen waarvoor in meer of mindere mate bewijslast voorhanden is. Zo wordt de kauwspieractiviteit in verband gebracht met temporomandibulaire pijn en disfunctie, parodontale en endodontische problemen, het falen van restauraties en implantaten, en gebitsslijtage. In een aantal gevallen zijn deze gevolgen ernstig genoeg om een behandeling van bruxisme te rechtvaardigen. In alle andere gevallen bestaat er voor de behandeling van bruxisme geen indicatie, gelet op de mogelijke positieve gevolgen. Indien behandeling is geïndiceerd, dan dient er conservatief te worden gehandeld met modaliteiten als stabilisatieopbeetplaten, voorlichtingsgesprekken, medicatie, psychologie en fysiotherapie.

  • Proefschriften 25 jaar na dato 48. Effect van speeksel op de kolonisatie van mondbacteriën

    A.J.M. Ligtenberg

    7 juli 2017

    NTvT juli en augustus 2017 Onderzoek en wetenschap

  • In het onderzoek, dat aan de basis lag van het proefschrift ‘Het effect van speeksel op de kolonisatie van mondbacteriën’ uit 1992, werd aggregatie of klontering van mondbacteriën door speeksel onderzocht. Dit voorkomt kolonisatie van bacteriën in de mond. Er bestaan grote individuele verschillen in aggregatie-activiteit van speeksel, die mede worden bepaald door de bloedgroep van de donor. Bloedgroepantigenen komen, behalve op rode bloedcellen, ook voor op speekseleiwitten. Dit geldt echter niet voor iedereen: alleen bij zogenoemde secretors komen deze bloedgroepantigenen op speekseleiwitten voor. Non-secretors aggregeerden bacteriën slechter dan secretors. In later onderzoek werden non-secretors geassocieerd met een verhoogd cariësrisico. In vervolgonderzoek werd gevonden dat het complementsysteem, een afweersysteem in bloed, werd geactiveerd door speeksel van secretors, maar niet van non-secretors. Zo blijkt de afweer in de mond te worden beïnvloed door de bloedgroep en secretorstatus, maar op een andere manier dan aanvankelijk werd gedacht.

  • Preventieve tandheelkunde 6. Preventie van cariës bij kwetsbare ouderen

    C.D. van der Maarel-Wierink, C. de Baat

    9 juni 2017

    NTvT juni 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Veel ouderen hebben een slechte mondgezondheid met (wortel)cariës als veelvoorkomend probleem. Alarmerende onderzoeks­resultaten doen de vraag rijzen of er voldoende preventieve maatregelen worden genomen om het ontstaan en de progressie van ­(wortel)­cariës bij kwetsbare ouderen te voorkomen. Uit recente onderzoeksliteratuur bleek dat dagelijks gebruik van tandpasta met 5.000 ppm fluoride en 3-maandelijks professioneel aangebrachte chloorhexidine- of natriumfluoridelak bij kwetsbare ­ouderen of volwassenen met een fysieke of cognitieve beperking het risico op wortelcariës kan halveren. Tandpasta met 5.000 ppm is in Nederland (nog) niet verkrijgbaar. Op dit moment is het advies ‘Preventie van wortelcariës’ de enige richtlijn. Een andere maatregel om achteruitgang van de mondgezondheid van kwetsbare ouderen te voorkomen, is aandacht besteden aan kwetsbare ouderen die wegens toename van fysieke problemen en zorgafhankelijkheid wegblijven van reguliere periodieke mondonderzoeken. Juist op dat moment is intensiveren van professionele mondzorg met instructie aan mantelzorgers en verzorgenden en extra preventieve maatregelen ter bestrijding van (wortel)cariës noodzakelijk.

Selecteer zoekcriteria