Zoek in het NTvT archief

Er zijn 610 zoekresultaten gevonden.

  • Extreme angst voor de tandheelkundige behandeling, flauwvallen of kokhalzen in de tandartsstoel kunnen de tandheelkundige behandeling van een patiënt ernstig belemmeren. Hoewel er reeds wijd uiteenlopend onderzoek naar extreme behandelangst is gedaan, is er minder bekend over kokhalzen en flauwvallen. De belangrijkste vragen in dit promotieonderzoek waren of er clusters van behandelangst (‘stimuli’) konden worden bepaald en of behandelangst en flauwvallen of kokhalzen losstaande of overlappende fenomenen zijn. Angst voor de tandheelkundige behandeling blijkt onder te verdelen in diverse subtypes: angst voor invasieve behandelingen, controleverlies en aversieve lichamelijke sensaties. Het huidige niveau van behandelangst hangt sterk samen met diverse kenmerken van herinneringen die ten grondslag liggen aan deze angst. Flauwvallen in de tandheelkundige praktijk en extreme behandelangst komt maar bij een klein deel van de patiënten tegelijkertijd voor (17,8%). Hetzelfde geldt voor kokhalzen en extreme behandelangst (16,4%). Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat angst, flauwvallen of kokhalzen in de tandheelkundige setting grotendeels losstaande fenomenen zijn.

  • Proefschriften 25 jaar na dato 47. Derde molaren in de onderkaak

    J.K.M. Maertens

    9 december 2016

    NTvT december 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Geïmpacteerde derde molaren veroorzaken veel problemen in de onderkaak. Zo werd gedacht dat geïmpacteerde derde molaren de oorzaak zijn van recidief na orthodontische behandeling. Om problemen te voorkomen werd het chirurgisch verwijderen van de derde molaarkiem, een germectomie, voorgesteld. Belangrijk was om te voorspellen hoe de derde molaar zich ontwikkelt. In een promotieonderzoek werd dit nader onderzocht. Het causaal verband tussen doorbraak van derde molaren en crowding in het onderfront is nooit aangetoond. Het preventief verwijderen van asymptomatisch volledig geïmpacteerde derde molaren in de onderkaak is daarom niet aan te raden. Het advies luidt om alle asymptomatische deels doorgebroken derde molaren die mesiogeanguleerd, distogeanguleerd of verticaal gepositioneerd zijn te verwijderen op een leeftijd van tussen de 18 en 25 jaar. Het gebrek aan een duidelijke en klinisch toepasbare voorspelling van de problemen rondom de doorbraak van derde molaren beperkt de indicatiestelling van de germectomie van derde molaren. Het promotieonderzoek uit 1990 leverde een formule op om de doorbraak van derde molaren in de onderkaak te voorspellen.

  • Na de introductie van effectieve fluoridetandpasta in de jaren 1970 is de mondgezondheid sterk verbeterd. Sindsdien is er veel energie gestoken in de verbetering van de pasta’s. Een belangrijke verbetering is de verhoogde beschikbaarheid en duur van werking van fluoride. Daarnaast wordt momenteel geprobeerd fluoride te koppelen aan effectieve remineralisatiesystemen, hetgeen technologisch een uitdaging is. Door verschillende samenstellingen is de effectiviteit van tandpasta’s verschillend. Het is echter onmogelijk om alle beschikbare tandpasta’s 1 op 1 met elkaar te vergelijken. De exacte effectiviteit is niet van de samenstelling af te lezen en zelfs de dosis-responsrelatie tussen fluorideconcentratie en effectiviteit is niet duidelijk. Zorgvuldig gebruik van tandpasta zal kleine verschillen in effectiviteit compenseren. Voor het poetsen moeten tijdstippen gekozen worden waarop er voldoende tijd is om zorgvuldig te poetsen. Na het tandenpoetsen 1 minuut spoelen met de tandpastaslurry en een slokje water verhoogt mogelijk de effectiviteit van tandpasta. Voor de preventie van tandcariës is het gebruik van een effectieve fluoridetandpasta onontbeerlijk. Voor tandpasta’s met enkel fluoride als toegevoegd therapeutisch bestanddeel is de voorkeur van de patiënt een belangrijk criterium voor de keuze welke te gebruiken. Bij tandpasta’s met meerder actieve ingrediënten lijkt het raadzaam om te kiezen voor een tandpasta van een betrouwbaar merk dat onderzoeksresultaten kan overleggen.

  • Medicamenten en mondzorg 3. Vergoeding en bevoegdheid tot voorschrijven

    A. Vissink, C. de Baat, F.K.L. Spijkervet, W.G. Brands

    9 december 2016

    NTvT december 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Geadviseerd door het Zorginstituut Nederland en de Wetenschappelijke Adviesraad van dit instituut beslist de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of een medicament wel of niet wordt opgenomen in het basispakket van de verplichte zorgverzekering. Bij deze beoordeling ligt de nadruk op de therapeutische waarde ten opzicht van de in Nederland geldende standaardbehandeling, de budgetimpact en de kosteneffectiviteit. Bij aandoeningen die niet of onvoldoende reageren op een standaardbehandeling loopt men echter tegen de grenzen van dit systeem aan en wordt een noodzakelijke behandeling in voorkomende gevallen niet vergoed. Met betrekking tot het voorschrijven van medicatie hebben tandartsen receptuurbevoegdheid zolang zij in het BIG-register staan ingeschreven; daarentegen hebben mondhygiënisten geen receptuurbevoegdheid en moeten zich beperken tot het hooguit adviseren van vrij verkrijgbare medicamenten. Bij het voorschrijven moeten tandartsen zich uiteraard beperken tot die medicamenten waarvan zij de werking overzien en waarmee zij voldoende ervaring hebben opgebouwd. Mocht een tandarts vinden dat het medicament dat hij wil voorschrijven zijn kennis te boven gaat, dan kan het beste met een mond-, kaak- en aangezichtschirurg, huisarts of medisch specialist worden overlegd of dit medicament kan worden voorgeschreven en zo ja, door wie.

  • In dit promotieonderzoek werden met behulp van interviews, vragenlijsten en observaties van ouder-kind interacties verbanden tussen opvoeding en gezinsfunctioneren enerzijds en mondgezondheid van kinderen anderzijds gemeten. De onderzoeksgroepen bestonden uit kinderen met en zonder cariës en met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Uit de analyses kwam een uitgesproken en significant verschil naar voren tussen kinderen met en kinderen zonder cariës betreffende opvoeding en ouder-kind interactie. Positieve opvoedvaardigheden, zoals positieve betrokkenheid, positieve bekrachtiging en probleemoplossend vermogen, werden minder vaak gezien bij kinderen met cariës. Het onderzoek liet ook zien dat kinderen van ouders die als opvoedstijl een dwingende en strenge manier van disciplineren hadden, gecombineerd met het uiten van weinig warmte, een grotere kans hadden op het ontwikkelen van cariës. Er bestond geen relatie tussen een ongezonde Body Mass Index (BMI) en de aanwezigheid van cariës. Er werd een significante relatie tussen gedragsproblemen en de aanwezigheid van cariës bij kinderen gevonden, die wellicht kan worden verklaard door een onderliggende invloed van de gemeten gezinsfactoren.

  • Voor het kwantificeren van gebitsslijtage bestaat er een veelvoud aan graderingssystemen, die helaas alle hun eigen specifieke tekortkomingen hebben. In dit proefschrift wordt een nieuw en veelomvattend gebitsslijtagebeoordelingssysteem beschreven. De bestaande nomenclatuur werd hiervoor aangepast naar mechanisch-intrinsiek (voorheen attritie), mechanisch-extrinsiek (voorheen abrasie), chemisch-intrinsiek (voorheen erosie) en chemisch-extrinsiek (voorheen erosie). Om de mate van de slijtage aan te geven werden de termen mild, matig, ernstig en extreem gebruikt. Op grond van reeds bestaande systemen werden 3 slijtagegraadschalen ontwikkeld en getest op betrouwbaarheid voor het gebruik aan de stoel, op gebitsmodellen en op mondfoto’s. De graderingsschalen bleken op een betrouwbare manier te kunnen worden toegepast zowel intra­oraal, op gebitsmodellen alsook op mondfoto’s, vooral op occlusale/incisale vlakken. De onderzoeksuitkomsten hebben geleid tot de opstelling van een modulair Gebitsslijtage Beoordelingssysteem om gebitsslijtage te kunnen kwantificeren, kwalificeren en monitoren en oorzaken te kunnen duiden. Het beoordelingssysteem kan tevens worden gebruikt om een behandeloptie te bepalen.

  • Medicamenten en mondzorg 1. Wat mondzorgverleners moeten weten over medicatie

    A. Vissink, C. de Baat

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Veel patiënten die tandartsen, mondhygiënisten of andere mondzorgverleners bezoeken, gebruiken medicamenten. Door de vergrijzing van de Nederlandse bevolking zal dit aantal verder toenemen, inclusief het aantal patiënten dat meerdere medicamenten gebruikt. Naast medicamenten gebruiken veel patiënten, maar ook gezonde personen, zelfzorgmiddelen. Zowel de gebruikte medicamenten als zelfzorgmiddelen kunnen consequenties hebben voor een tandheelkundige behandeling en/of kunnen een verklaring zijn voor veranderingen die tandartsen, mondhygiënisten en overige mondzorgverleners in en rond de mond waarnemen. Met een serie artikelen over medicatie en mondzorg wordt aandacht geschonken aan deze problematiek, een problematiek waarvan het belang met de tijd alleen maar zal toenemen. Daarnaast zullen in deze artikelen suggesties worden gedaan voor medicamenten voor aandoeningen in het hoofd-halsgebied, waarbij de keuze voor een bepaald medicament niet als dogmatisch moet worden gezien.

  • Medicamenten en mondzorg 2. Een geoptimaliseerd antibioticabeleid in het belang van de patiënt

    T.J.H. Siebers, A.J. van Winkelhoff

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • De behandeling van infectieziekten is complex en het slagen ervan is van diverse factoren afhankelijk. Het juist voorschrijven en correct doseren van antibiotica is hierbij een belangrijk onderdeel. Als hierin tekort wordt geschoten dan kan dit niet alleen leiden tot therapiefalen, maar ook bijdragen aan resistentie-ontwikkeling. Voor het correct doseren van antibiotica is inzicht in farmacodynamische en farmacokinetische principes van belang. Daarnaast is het essentieel om onderscheid te maken tussen verschillende typen infecties en hierop het individuele antibioticabeleid af te stemmen. Om het antibioticabeleid verder te kunnen optimaliseren is samenwerking tussen tandartsen en artsen van groot belang.

  • Hora est 4. Interacties tussen irrigatie-oplossingen, wortelkanaalcementen en dentine

    P. Neelakantan, H. Shemesh, P. Wesselink

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Binnen de endodontologie is de antibacteriële activiteit van irrigatie-oplossingen veelvuldig onderzocht, maar de rol van deze oplossingen op de hechting van wortelkanaalcementen is nog nauwelijks onderzocht. Dit promotieonderzoek had als doelstelling de interacties tussen wortelkanaalcementen en dentine, en de invloed van irrigatie-oplossingen op deze interacties in kaart te brengen. De verschillende onderzoeken lieten zien dat irrigatie-oplossingen van invloed zijn op de hechting van cementen die zijn gebaseerd op epoxyhars, calciumhydroxide, siliconen en calciumsilicaat. In het geval van een op epoxyhars gebaseerd cement (AH Plus) was het irrigatieprotocol van invloed op de hechtsterkte aan dentine, waardoor ook de afsluiting werd verbeterd. Met de resultaten van het onderzoek wordt een beter inzicht verkregen in de mechanismen die een rol spelen bij de adhesieve eigenschappen van wortelkanaalcementen. Op termijn kunnen daarmee de behandelresultaten van wortelkanaalbehandelingen wellicht worden verbeterd.

  • Hora est 5. Levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen

    F.H. van de Sande

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • De factoren die van invloed kunnen zijn op de levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen zijn in een promotieonderzoek onderzocht, waarbij vooral de voornaamste oorzaken van falen – fractuur en secundaire cariës – zijn bestudeerd. In situ werd een onderzoek uitgevoerd om de invloed van restauratiematerialen te evalueren bij het ontstaan van secundaire cariës. Om het effect van patiënt-, materiaal- en gebitselement- gerelateerde variabelen op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen te beoordelen, werden 2 klinische langetermijnonderzoeken met een retrospectieve onderzoeksopzet verricht. Ook werden patiëntgerelateerde risicofactoren bestudeerd in een systematisch literatuuronderzoek, waarbij een meta-analyse is uitgevoerd van 12 klinische onderzoeken. De uitkomsten van de onderzoeken laten zien dat niet materiaalfactoren, maar het type gebitselement, het aantal gerestaureerde oppervlakken en patiëntgerelateerde factoren van invloed zijn op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen.

Selecteer zoekcriteria