Zoek in het NTvT archief

Er zijn 618 zoekresultaten gevonden.

  • Een gerandomiseerd klinisch onderzoek werd uitgevoerd om vast te stellen of veranderingen in de vorm van de implantaatopbouw (abutment) kunnen leiden tot een betere kwaliteit van de peri-implantaire mucosale weefsels op de parameters aanhechtingssterkte, stabiliteit, papilvorming en behoud van bothoogte. Er werden 29 patiënten geïncludeerd. Bij hen werden 2 niet aan elkaar grenzende ontbrekende gebitselementen in de esthetische zone vervangen door endossale implantaten. Daarna werden een controle- (conventionele) en een experimentele (met een additionele uitholling van 0,5 mm diepte) abutment geplaatst. Na 6 weken en na 1 jaar werd het effect van de 2 verschillende abutments gemeten op genoemde parameters. Daarnaast werden de tevredenheid van patiënten en tandartsen over het mucogingivale resultaat vergeleken. Het bleek dat de 2 abutments geen significant verschillend effect op de mucogingivale esthetiek opleverden. Uit aanvullend vergelijkend onderzoek tussen Kaukasische en Indiase individuen werd geconcludeerd dat het gingivale biotype het beste kwantitatief kan worden bepaald.

  • Mondhygiënegedrag van een groep gezonde studenten

    S. Al-Maliky, N.L. Hennequin-Hoenderdos, D.E. Slot, E. van der Sluijs, B.J.F. Keijser, G.A. van der Weijden

    3 juni 2016

    NTvT juni 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Het doel van dit cross-sectioneel onderzoek was een beeld te krijgen van het dagelijks mondhygiënegedrag en de relatie tot de mondgezondheid van een groep gezonde Nederlandse studenten in de leeftijdscategorie van 18 tot 30 jaar. Aan de hand van een vragenlijst werden de studenten geïnterviewd over hun mondhygiënegedrag. De mate van gingivitis en de mate van tongbeslag werden geanalyseerd in relatie tot de uitkomsten van deze vragenlijst. Hieruit bleek dat de meerderheid tweemaal daags het gebit poetst. De verschillende poetsmethoden en het gebruik van een hand- of elektrische tandenborstel hadden geen significant effect op de klinische parameters in deze onderzoekspopulatie. Een kleine groep gebruikte dagelijks een interdentaal reinigingsmiddel. De tandenstoker was daarbij het meest gebruikte hulpmiddel en gebruik ervan resulteerde in een significante afname van de interdentale bloedingsneiging. Het gebruik van een tongreiniger had geen statistisch significant effect op de hoeveelheid tongbeslag.

  • Proefschriften 25 jaar na dato 46. Behandeling van mandibulafracturen

    L. Kuiper, F.H.M. Kroon

    3 juni 2016

    NTvT juni 2016 Onderzoek en wetenschap

  • In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de behoefte gevoeld om uit te zoeken welke methode voor behandeling van fracturen van de mandibula de voorkeur genoot. De opkomst van osteosynthese­platen tegen het einde van de jaren 60, met de mogelijkheid van direct functieherstel, had een schokeffect gehad. Dit type platen werd overwegend via een extraorale incisie aangebracht. Een tiental jaren later werd een systeem van kleinere platen gepresenteerd, die via een intraorale benadering waren te plaatsen. Een promotie­onderzoek uit 1991 onderzocht de voor- en nadelen van de verschillende behandelingsmogelijkheden voor mandibulafracturen om een uitspraak te kunnen doen over de best toepasbare methode. Het in het proefschrift beschreven belang van zorgvuldige indicatiestelling op basis van type fractuur en de gewenste stevigheid van de osteosynthese is nog steeds bepalend bij de besluitvorming over chirurgische behandelmethode en materiaalkeuze.

  • Na verwijdering van amalgaamrestauraties wordt vaak zwarte verkleuring van dentine aangetroffen die wordt toegeschreven aan corrosieproducten uit amalgaam. Onderzocht werd of composiet­restauraties goed aan dit verkleurde dentine kunnen hechten. Uit literatuur- en laboratoriumonderzoek bleek dat verkleuring alleen in gedemineraliseerd dentine plaatsvond en dat vooral tin en zink in verkleurd dentine worden aangetroffen. Gedemineraliseerd dentine bleek in vitro een porte d’entree te vormen voor corrosieproducten. Hechtsterktetests met 5 hechtstrategieën toonden geen verschillen in hechtsterktes aan tussen door amalgaam verkleurd dentine en gezond dentine, maar wel verschillen in breuktype. Klinisch onderzoek toonde een goede overleving van knobbelvervangende uitgebreide composietrestauraties na amalgaamvervanging, zonder mislukkingen door falende hechting. Geconcludeerd werd dat verkleurd dentine geen negatieve invloed heeft op de hechtsterkte van composiet en dat tin en zink uit amalgaam mogelijk een gunstig effect hebben op dentine, waardoor effecten van vroegere demineralisatie, preparatietrauma en fysisch-chemische processen tijdens het klinisch functioneren gecompenseerd worden.

  • Het doel van de archeologie is kennisvorming over het menselijk verleden. Een archeoloog houdt zich bezig met de materiële overblijfselen, hoofdzakelijk afkomstig uit de bodem. De beste informatiebron voor het menselijk gedrag en de vroegere leefomstandigheden van de mens zijn grafvelden. Behalve als bron voor culturele informatie, bieden zij met goed geconserveerde skeletten grote mogelijkheden voor biochemisch en genetisch onderzoek. Vooral het gebit kan een schat aan informatie opleveren over het leven van onze voorouders. Met DNA-analyse kunnen het geslacht en genetische verwantschappen worden bepaald, maar ook de buitenkant van de gebitselementen levert informatie op over geslacht, leeftijd en genetische verwantschap en uiteraard over het gebruik van het gebit. Er worden voortdurend nieuwe ontdekkingen gedaan en nieuwe (bio-)archeologische analyses uitgevoerd.

  • Een evaluatie van de implementatie van de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’

    A.R. Hoeksema, H.J.A. Meijer, A. Vissink, G.M. Raghoebar, A. Visser

    6 mei 2016

    NTvT mei 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Bij 75% van de ouderen wordt bij opname in een verpleeghuis onbehandelde mondzorgproblemen gezien. Bovendien rapporteert de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat de mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen onvoldoende is. De in 2007 ontwikkelde ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ blijkt onvoldoende te zijn geïmplementeerd. Het onderzoeksdoel was het verkrijgen van inzicht in de implementatie van deze richtlijn in zorginstellingen. Daartoe werd een vragenlijst verspreid onder medewerkers van 74 verpleeghuizen verspreid over Nederland. Data-analyse leerde dat men bekend is met de richtlijn en dat mondzorgverleners vaak wel beschikbaar zijn. Echter, de mondzorgverleners hebben veelal geen toegang tot redelijke tandheelkundige faciliteiten. Voorts worden patiënten doorgaans niet conform de richtlijn gescreend en/of onder controle gehouden. Ten slotte bleek de scholing van verpleegkundigen en verzorgenden onvoldoende. Geconcludeerd kan worden dat de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ bij medewerkers in verpleeghuizen goed bekend is, maar dat de implementatie van de richtlijn in de dagelijkse praktijk sterk te wensen overlaat.

  • Wanneer esthetiek een rol speelt tijdens extractie, bestaat de tendens om direct een implantaat in de extractiealveole te plaatsen, bij voorkeur in combinatie met een tijdelijke kroon. Deze tendens past bij het huidige tijdsbeeld: veeleisende patiënten met de wens voor een mooi en direct resultaat. In 2 gerandomiseerde klinische onderzoeken (totaal 80 patiënten) is het behandelresultaat van direct geplaatste implantaten in de esthetische zone onderzocht. Afhankelijk van de grootte van het botdefect (< 5 of ≥ 5 mm) werd het aantal operaties gereduceerd van 2 naar 1 of van 3 naar 2. Het behandelresultaat werd gemeten door de volgende uitkomstmaten: overlevingspercentage, veranderingen in harde en zachte peri-implantaire weefsels, esthetische indexen en patiënttevredenheid. De belangrijkste conclusie is dat direct plaatsen van implantaten na extractie in de esthetische zone resulteert in uitstekende kortetermijnresultaten (1 jaar) voor de genoemde uitkomstmaten. Of dit ook voor de lange termijn geldt, moet nog nader worden onderzocht.

  • Doelmatigheid en duurzaamheid van telescoopprothesen op pijlerelementen

    E. van den Wijngaarden, A.W.J. van Pelt, E.W. Meisberger, J.  Tams, M.S. Cune

    4 maart 2016

    NTvT maart 2016 Onderzoek en wetenschap

  • In een onderzoek werden de doelmatigheid en de duurzaamheid onderzocht van telescoopprothesen geplaatst op pijlerelementen die waren voorzien van telescoopkappen. De prognose van de prothetische constructie en van de pijlerelementen werd eveneens onderzocht. Daarvoor werd van 147 patiënten in een algemene tandartspraktijk de overleving van 234 telescoopprothesen (886 pijlerelementen) retrospectief geanalyseerd aan de hand van statusonderzoek. De mediane overleving werd berekend. Dat is het moment waarop 50% van de telescoopprothesen heeft gefaald. Voor telescoopprothesen in de bovenkaak was dat 22,3 ± 2,8 jaar en niet statistisch significant (p = 0,92) verschillend van de onderkaak (20,9 ± 1,9 jaar). Van de 886 pijlerelementen werden er 127 (14,3%) geëxtraheerd na gemiddeld 11,7 jaar. Parodontale problematiek was daarvoor de voornaamste reden. Het onderzoek toont aan dat telescoopprothesen geplaatst op pijlerelementen ook op de lange termijn doelmatig en duurzaam blijken te zijn. Verlies van pijlerelementen treedt relatief weinig op en heeft een beperkte invloed op de overleving van de prothetische constructie.

  • De aandoeningen temporomandibulaire disfunctie en cranio­manidubulaire disfunctie worden 25 jaar na de publicatie van het proefschrift ‘Prevalence and etiology of craniomandibular dysfunction. An epidemiological study of the Dutch adult population’ nog volop bediscussieerd in de onderzoeksliteratuur. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan occlusie en de relatie met deze aandoening; niet zelden zijn de conclusies tegenstrijdig. Een mogelijke verklaring voor deze controverse ligt, naast de definiëring van temporomandibulaire en craniomanidubulaire disfunctie en de definiëring van occlusie, in de methodologische tekort­komingen van de onderzoeken. Aan de hand van de belangrijkste resultaten uit het proefschrift van 25 jaar geleden en de wetenschappelijke discussie sindsdien zijn 7 uitgangspunten geformuleerd die worden toegelicht met klinisch voorbeelden voor een evidencebased behandeling van patiënten met deze aandoeningen in de algemene tandartspraktijk.

  • De (vermeende) pathologische invloed van fibromyalgie op het orofaciale systeem

    C. de Baat, A.E. Gerritsen, M. de Baat-Ananta, P. de Baat

    4 maart 2016

    NTvT maart 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Fibromyalgie is een syndroom zonder aanwijsbare etiologie dat wordt gekenmerkt door pijn, vermoeidheid, geheugenproblemen, stemmingsproblemen en slaapstoornissen. Het syndroom wordt gerekend tot de reumatische aandoeningen. De prevalentie in de algemene bevolking varieert van 2 tot 8%, met een vrouw-manratio van ongeveer 2:1. Verdenking op fibromyalgie ontstaat als een patiënt meerdere pijnlocaties heeft die niet kunnen worden verklaard door een trauma of een ontsteking en als het vooral musculoskelettale pijn betreft. Uitleg en geruststelling zijn de primaire benaderingswijzen. Aanvullend kan men streven naar meer mobiliteit, vermijden van overbelasting, verbetering van lichamelijke conditie en activiteitenniveau en stimulering van probleemoplossend vermogen. Vervolgens kan gedragsbeïnvloeding en medicatie worden overwogen. De belangrijkste manifestaties in het orofaciale systeem en het occlusiesysteem lijken temporomandibulaire disfunctie, hoofdpijn, xerostomie, hyposialie, mondbranden en dysgeusie. Over de exacte relaties tussen fibromyalgie en het orofaciale systeem en het occlusiesysteem valt echter nog veel te leren.

Selecteer zoekcriteria