Zoek in het NTvT archief

Er zijn 343 zoekresultaten gevonden.

  • Als eerste vrouwelijke lector in de prothetische tandheelkunde aan het Tandheelkundig Instituut in Utrecht moest Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) zich een plaats veroveren in een vakgebied dat sterk in ontwikkeling was. Het is onmiskenbaar dat zij een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het tandheel­kundig onderwijs en meer specifiek aan het vakgebied Tandheelkundige Chirurgische Prothetiek. Zeer toegewijd aan haar patiënten zette zij zich steeds in voor betere behandelingsmogelijkheden. Echter, haar strijdbare karakter leverde van tijd tot tijd veel weerstand op bij zowel haar collega’s, de curatoren van de medische faculteit en de studenten. Nadat in 1947 de tandheelkunde het ius promovendi had verkregen, voelde zij zich, nadat ze werd gepasseerd bij de benoemingen van de hoogleraren, niet erkend. Archiefonderzoek toont dat haar persoonlijkheid hierbij een grote rol heeft gespeeld.

  • Vrouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen

    A. van Doorne-Huiskes

    3 november 2017

    NTvT Vrouwen in de tandheelkunde Thema

  • De verschillen tussen mannen en vrouwen in deelname aan de arbeidsmarkt en het onderwijs worden kleiner: in 2015 had 71% van alle vrouwen van 20 tot 65 jaar een betaalde baan (tegenover 82% van de mannen) en uit de Emancipatiemonitor 2016 blijkt dat vrouwen vaker deelnemen aan het hoger onderwijs dan mannen. In de geneeskundestudie heeft dit laatste zich vertaald in het feit dat 68% van de instroom in 2015 vrouw was. En als gevolg hiervan is het aandeel vrouwelijke artsen gegroeid. Uit cijfers van 2013 bleek dat van de actieve tandartsen 65% man is en 35% vrouw. Ook hier een duidelijke opmars van vrouwen. De uitingen dat geneeskunde dan wel tandheelkunde feminiseren, zijn onjuist want er zijn nog steeds meer mannelijke artsen. Zo is de man-vrouwverhouding onder medisch specialisten momenteel 60:40. Vastgesteld kan worden dat de medische en tandheelkundige professies een gemêleerd en divers publiek bedienen. Juist om die reden dienen de medische beroepsgroepen plaats te bieden aan mannen én vrouwen, aan mensen (m/v) van Nederlandse en van een migranten herkomst.

  • Mondzorg door vrouwen: hoe gaat dat in de praktijk?

    K. Jerković–Ćosić

    3 november 2017

    NTvT Vrouwen in de tandheelkunde Thema

  • Met een toenemende groep vrouwelijke tandartsen verandert mogelijk de samenwerking tussen tandartsen en mondhygiënisten. Om de eventuele veranderingen in de samenwerking tussen vrouwelijke tandarts en een mondhygiënist ten opzichte van een mannelijke tandarts en een mondhygiënist te achterhalen, worden 2 aspecten bediscussieerd: de behandel- en beroeps­visie en de communicatiestijlen. Vrouwelijke tandartsen lijken meer preventief te zijn georiënteerd, meer mensgericht en lijken hierin dus meer op de groep vrouwelijke mondhygiënisten. De communicatiestijl van vrouwelijke tandartsen komt ook overeen met die van hun vrouwelijke collega’s mondhygiënisten; elkaars wensen en verwachtingen lijken vaker met elkaar te zijn afgestemd waardoor een optimale samenwerking tussen beide een grotere kans heeft. Deze preventieve gerichtheid en overeenstemming in communicatiestijl bieden kansen voor meer interprofessionele samenwerking tussen tandarts en mondhygiënist. Maar betekent dit echt een betere samenwerking en hoe zit het met de samen­werking met de mannelijke tandartsen en mondhygiënisten?

  • Een vrouw aan de stoel is heel gewoon. De beroeps­uitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland

    J.J.M. Bruers, B.A.F.M. van Dam

    3 november 2017

    NTvT Vrouwen in de tandheelkunde Thema

  • Vrouwen vormen 40% van de actieve beroepsgroep van tandartsen in Nederland. Op grond van de opleidingsinstroom kan worden verwacht dat hun aandeel verder zal toenemen tot ruim de helft. Uit de literatuur blijken verschillen tussen man en vrouw wat betreft voorkeuren voor werksetting en omvang van de werkweek. Ook in de feitelijke zorgverlening verschillen zij van elkaar. De gepresenteerde gegevens tonen de opmars van vrouwen en onderzoeksgegevens bevestigen de veronderstelde verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen. Vrouwen zijn minder vaak praktijkhouder, vrouwelijke praktijkhouders werken vaker samen met collega’s en hebben een kortere werkweek. In de patiënt­behandeling lijken vrouwen iets meer individueel gericht te zijn en oog te hebben voor de algemene gezondheid. Waardetheorieën in de literatuur bieden verklaringen voor deze sekseverschillen. De voorkeur van vrouwen voor samenwerking past in elk geval in de algemene ontwikkeling naar werken in teamverband.

  • Feminisering: maakt het verschil?

    H.W. van Essen, D.D. van Bergen, J. I. Stoker

    3 november 2017

    NTvT Vrouwen in de tandheelkunde Thema

  • In een verkennend onderzoek, door middel van digitale enquête, naar sekseverschillen onder 156 mannelijke en 98 vrouwelijke tandartsen in Nederland werden veel overeenkomsten tussen beide groepen gevonden. Mannen en vrouwen rapporteerden over het algemeen een goede gezondheid, gelijke percentages voor burn-out (circa 10%) en tevredenheid met hun beroepskeuze. Voor een groot deel ervaarden ze dezelfde onderdelen van hun werk als aantrekkelijk, waarbij de omgang met patiënten verreweg het hoogste scoorde. Ook gaven zij, zowel volgens zichzelf als volgens 122 assistenten en mondhygiënisten (die hierop in dit onderzoek ook werden bevraagd), op een vergelijkbare manier leiding en schatten hun leiderschapsgedrag gemiddeld hoger in dan assistenten en mondhygiënisten deden. Daarnaast was er een beperkt aantal binnen de steekproef significante sekseverschillen gevonden. Vrouwen voelden zich minder competent bij complexe ingrepen dan mannen en vonden chirurgische ingrepen en complexe restauratieve behandelingen minder aantrekkelijk. Zij consulteerden vaker collega’s en hun voorkeur voor werken in teamverband was groter.

  • Musculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en tandheelkundestudenten in Nederland

    J.J.M. Bruers, L.E.C.M. Trommelen, P. Hawi, H.S. Brand

    3 november 2017

    NTvT Vrouwen in de tandheelkunde Thema

  • In dit onderzoek werd de prevalentie van musculoskelettale klachten onder tandartsen en tandheelkundestudenten in Nederland geïnventariseerd door middel van 2 overeenkomstige web-enquêtes. Hieraan namen 196 (25% respons) tandartsen en 359 (40% respons) studenten deel. Van de tandartsen gaf 80% en van de studenten gaf 95% aan de afgelopen 12 maanden last te hebben gehad van spieren en gewrichten, waarbij vooral nek, schouders en onderrug werden genoemd. Studenten meldden daarnaast ook vaak klachten in de bovenrug. Door vrouwelijke studenten werden veel lichamelijke klachten vaker genoemd dan door de mannelijke studenten. Bij tandartsen werd daarentegen geen geslachtsverschil waargenomen, maar bleek ervaren stress een belangrijke risicofactor op het ontwikkelen van musculoskelettale klachten. Gezien de negatieve effecten op de beroepsuitoefening is nader onderzoek naar de preventie van musculoskelettale aandoeningen dringend gewenst, in het bijzonder wat betreft de doelmatigheid van (postacademisch) onderwijs en beroepsmatige voorlichting op dat gebied.

  • De preventie van cariës lijkt redelijk eenvoudig. Met een goede zelfzorg, bestaande uit plaqueverwijdering met fluoridetandpasta en het beperken van zoetmomenten is de ziekte grotendeels te voorkomen. De meeste ouders beschikken over voldoende kennis en motivatie om deze preventie-adviezen voor hun kind op te volgen. Toch blijkt de praktijk weerbarstig, doordat ouders barrières ervaren die een goede zelfzorg in de weg staat. Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste gezinsfactoren die van invloed zijn op de zelfzorg en cariës bij kinderen. Hieronder vallen opvattingen van de ouders, de manier waarop ouders met het kind omgaan en communiceren (het opvoedgedrag) en de manier waarop het reilen en het zeilen binnen het gezin is geregeld (het gezinsfunctioneren). Het is belangrijk om als mondzorgverlener in gesprek te gaan met ouders om te achterhalen waar de mogelijke barrières zitten. Hierdoor kan afgestemde voorlichting worden gegeven die ouders helpt de mondgezondheidsadviezen op te volgen.

  • Te veel kinderen ontwikkelen carieuze laesies en vele laesies ontwikkelen zich tot een dentinecaviteit. In 2010 was minder dan 50% van de carieuze dentinecaviteiten in het tijdelijk gebit van 6-jarige kinderen in Nederland gerestaureerd. Door onderzoek is echter de noodzaak van het routinematig restaureren van caviteiten in de tijdelijke gebit op losse schroeven komen te staan. Huidige inzichten in de cariologie wijzen in de richting van een causale behandeling die gestoeld is op het reinigen van toegankelijke of van toegankelijk gemaakte carieuze dentinecaviteiten, eventueel gesteund door het aanbrengen van zilverdiamminefluoride. Het ultieme doel van een restauratie in het tijdelijk gebit is het mogelijk maken om biofilm van het tandoppervlak te verwijderen en infectie van de pulpa te voorkomen. Mocht restaureren in het tijdelijk gebit noodzakelijk zijn dan zullen mondzorgverleners, om behandel­angst te voorkomen, eerst moeten overwegen of het haalbaar is restauraties op een atraumatische manier te plaatsen, bijvoorbeeld door middel van de ART-methode of de Hall-techniek.

  • (Erosieve) gebitsslijtage bij jeugdigen in Nederland: hoe groot is het probleem?

    D.L. Gambon, A.A. Schuller, E.M. Bronkhorst, G.J. Truin

    7 april 2017

    NTvT Kindertandheelkunde Thema

  • Volgens internationaal onderzoek is de prevalentie van (erosieve) gebitsslijtage bij de jeugd de laatste decennia toegenomen. De vraag was of hiervan ook sprake is in Nederland en welke veranderingen in consumptiepatronen hierbij mogelijk een rol spelen. In de periode 1998 tot en met 2011 hebben 9 onderzoeken plaatsgevonden naar de prevalentie van (erosieve) gebitsslijtage bij de jeugd. Uit een meta-analyse van deze onderzoeken komt naar voren dat er ook in Nederland sprake is van een toename. Daarnaast neemt de prevalentie toe naarmate de kinderen ouder zijn. Algemeen wordt aangenomen dat veranderingen in het aanbod van voedingsmiddelen en daarmee in consumptiepatronen een belangrijke verklaring voor deze toename bij de jeugd zijn. Echter, om deze aanname te onderbouwen zijn longitudinale onderzoeken nodig, waarin zowel de prevalentie en de incidentie van (erosieve) gebitsslijtage als veranderingen in consumptiepatronen worden bestudeerd. Deze onderzoeken zijn echter schaars en bovendien laten de resultaten geen consistent beeld zien. 

  • De rol van de mondzorgverlener bij het signaleren van kindermishandeling

    R.J.M. Gruythuysen, J.M. Wiggelendam

    7 april 2017

    NTvT Kindertandheelkunde Thema

  • De aandacht voor kindermishandeling is de laatste jaren toegenomen. In 2015 heeft de KNMT de Meldcode Kindermishandeling en Huiselijk Geweld herzien. De kern van de meldcode wordt gevormd door het verplicht volgen van een 5-stappenplan bij signalering van (een vermoeden van) onder andere kindermishandeling. Professioneel handelen bij kindermishandeling stelt hoge eisen aan de kennis en de communicatieve vaardigheden van de zorgverlener. Als daaraan wordt voldaan, is de zorgverlener door de wet voldoende beschermd tegen klachten van betrokkenen. Veel zorgverleners staan nog onwennig tegenover het toepassen van de Meldcode. Het aantal contacten met Veilig Thuis voor adviezen en meldingen bedraagt in de mondzorg hooguit enkele promille van het totale aantal contacten. Bij verwaarlozing van mondverzorging, de meest voorkomende vorm van kindermishandeling op het terrein van de mondzorg, blijft het professioneel handelen meestal nog beperkt tot symptoombestrijding. Georganiseerde zorg via ketenvorming biedt mogelijkheden tot coördinatie van doelgerichte actie bij kindermishandeling.

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 Volgende

Selecteer zoekcriteria