Zoek in het NTvT archief

Er zijn 14 zoekresultaten gevonden.

  • Kwetsbare ouderen gaan vaak niet meer naar een tandarts, terwijl hun mondverzorging en mondgezondheid achteruit gaan. Op basis van open interviews en vragenlijsten werd onderzocht waarom kwetsbare ouderen hun mondzorggedrag veranderen en met welke (kwetsbaarheids)factoren dit samenhangt. Deze factoren bleken vooral gerelateerd te zijn aan motivatie: zodra vermeende inspanningen niet langer opwogen tegen vermeende voordelen van tandartsbezoek en mondverzorging, gaven kwetsbare ouderen hun mondzorgroutines op en maakte het hen niet langer uit of ze gebits­elementen verloren. Voor het meten van de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit van kwetsbare ouderen schieten standaard vragenlijsten zoals de gevalideerde Geriatric Oral Health Assesment Index-NL tekort omdat deze geen persoonlijke context opleveren die nodig is om de scores te kunnen interpreteren. (Mond)zorgverleners zouden vanaf de levensfase voorafgaande aan de kwetsbaarheid moeten monitoren op specifieke factoren, waaronder chronische pijn of afnemende mobiliteit, motorische vaardigheden, cognitie, levenslust, energie en sociale steun, die de mondgezondheid en het mondzorggedrag van hun oudere patiënten negatief kunnen beïnvloeden.

  • De relatie tussen parodontitis, diabetes mellitus en hart- en vaatziekten is complex en kan voorgesteld worden als een Bermudadriehoek. Zo is een relatie tussen parodontitis en een verminderde conditie van het vaatstelsel en een verhoogde totale ontstekingsgraad in het lichaam aangetoond. Ook hebben patiënten met ernstige parodontitis hogere bloedwaarden van geglycosyleerd hemoglobine. Dat betekent dat ernstige parodontitis een vroege aanwijzing kan zijn van diabetes mellitus. Een parodontale behandeling zorgt in het algemeen voor een verbeterde bloedsuikerregulatie bij diabetespatiënten, een betere conditie van het vaatstelsel en een verlaging van de totale ontstekingsgraad. Factoren als erfelijkheid, levensstijl en de aanwezigheid van andere chronische ziektebeelden dragen echter bij aan de complexiteit van de relatie. Voor de behandeling van ernstige parodontitis wordt daarom interdisciplinaire samenwerking tussen tandartsen, huisartsen en internisten aangeraden.

  • Mondgezondheid kan worden gemeten vanuit het perspectief van de zorgverlener (objectief) en van de patiënt (subjectief). Echter, objectieve en subjectieve mondgezondheid komen niet goed overeen. Daarom werd onderzoek verricht naar de relaties tussen objectieve en subjectieve mondgezondheid, en gerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL) bij kinderen. Deze relaties werden bekeken in verband met de orthodontische problemen. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen Generation R, een prospectief onderzoek naar de gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Naast malocclusies en cariës bleken verschillende niet-klinische factoren, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken, invloed te hebben op subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zorgen net als sociaaleconomische factoren voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid. Deze kennis kan niet alleen helpen een effectieve communicatie tussen orthodontist en patiënt te ondersteunen, maar ook bij ontwikkeling van doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen.

  • Het effect van verschillende tandheelkundige reinigingsinstrumenten op oppervlakken van orale titanium implantaten werd in dit onderzoek geëvalueerd. Verder werd een klinische richtlijn ontwikkeld met betrekking tot de diagnose, de preventie en de behandeling van peri-implantaire ziektes. Air-polishers bleken de meest geschikte instrumenten te zijn voor het verwijderen van de biofilm van implantaatoppervlakken. Van de chemische middelen leken citroenzuur en waterstofperoxide de meeste potentie te hebben. Periodieke controles en zorgvuldig onderhoud van de implantaatgedragen constructies (door patiënten en mondzorgverleners) zijn van groot belang om peri-implantaire ziektes te voorkomen of ze vroegtijdig te diagnosticeren. Een klinische en röntgenologische ‘nulmeting’ is een onmisbaar onderdeel voor de start van deze controles. Deze nulmeting vindt bij voorkeur ongeveer 8 weken na het plaatsen van de suprastructuur plaats. Klinische en/of röntgenologische veranderingen zijn alarmerend. Preventie en vroegtijdige diagnose van problemen is de sleutel tot het succes van orale implantaten op de lange termijn.

  • Dubbelzijdige vrij-eindigende frameprotheses in de onderkaak geven vaak klachten, waardoor patiënten hun gebitsprothese niet tot nauwelijks dragen. Een oplossing is het plaatsen van implantaten om de gebitsprothese op vast te klikken. Echter, er bestaat nog geen consensus over de beste positie van de implantaten in de onderkaak. Daarnaast is het interessant de kosten van de behandeling tegen de effecten af te zetten. In een klinische gerandomiseerd cross-over-onderzoek onder 30 patiënten met een verkorte tandboog werd de implantaat ondersteunde vrij-eindigende frameprothese in de onderkaak geëvalueerd op de beleving van de patiënt, de draagduur, het kauwvermogen en de klinische en röntgenologische parameters in relatie tot 2 verschillende posities van de implantaten: 2 in de premolaarregio of 2 in de molaarregio. Ook werd gekeken naar kosteneffectiviteit van beide behandelingen. Het bleek dat volgens de patiëntvoorkeur frameprothesen het beste worden ondersteund door implantaten in de molaarregio. Uit dit onderzoek bleek echter dat er significant meer bloeding rondom implantaten in de molaarregio optrad en zou dus vanuit klinisch perspectief plaatsing in de premolaarregio de voorkeur genieten. De kosteneffectiviteit van de behandeling met een implantaat-gesteunde frameprothese hangt af van de keuze van de uitkomstmaat en het gekozen drempelbedrag.

  • Hora est 9. De waarde van tandheelkundig focusonderzoek bij oncologiepatiënten

    J.M. Schuurhuis, F.K.L. Spijkervet, A. Vissink, M.A. Stokman

    5 mei 2017

    NTvT mei 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Zowel bij patiënten die vanwege een tumor in het hoofd-halsgebied radiotherapie ondergaan als bij patiënten die vanwege hematologische aandoeningen worden behandeld met hoge doses chemotherapie, wordt vooraf een tandheelkundig focusonderzoek verricht. Dit focusonderzoek heeft als doel afwijkingen in de mond op te sporen, de zogenoemde orale foci. Deze foci kunnen tijdens of na de kankerbehandeling leiden tot problemen. Een zorgvuldig, geprotocolleerd tandheelkundig focusonderzoek blijkt zeer zinvol voor patiënten die hoofd-halsradiotherapie moeten ondergaan. Er moet speciale aandacht worden geschonken aan de beoordeling van het parodontium, omdat de kans op het optreden van botgenezingsstoornissen na radiotherapie in het hoofd-halsgebied verhoogd is bij patiënten met parodontitis. Bij patiënten met een hematologische aandoening behoeven asymptomatische, chronische foci niet te worden behandeld voorafgaand aan of tijdens de oncologische behandeling, omdat deze foci in tegenstelling tot wat tot nu toe werd aangenomen geen extra ziektelast met zich meebrengen.

  • Extreme angst voor de tandheelkundige behandeling, flauwvallen of kokhalzen in de tandartsstoel kunnen de tandheelkundige behandeling van een patiënt ernstig belemmeren. Hoewel er reeds wijd uiteenlopend onderzoek naar extreme behandelangst is gedaan, is er minder bekend over kokhalzen en flauwvallen. De belangrijkste vragen in dit promotieonderzoek waren of er clusters van behandelangst (‘stimuli’) konden worden bepaald en of behandelangst en flauwvallen of kokhalzen losstaande of overlappende fenomenen zijn. Angst voor de tandheelkundige behandeling blijkt onder te verdelen in diverse subtypes: angst voor invasieve behandelingen, controleverlies en aversieve lichamelijke sensaties. Het huidige niveau van behandelangst hangt sterk samen met diverse kenmerken van herinneringen die ten grondslag liggen aan deze angst. Flauwvallen in de tandheelkundige praktijk en extreme behandelangst komt maar bij een klein deel van de patiënten tegelijkertijd voor (17,8%). Hetzelfde geldt voor kokhalzen en extreme behandelangst (16,4%). Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat angst, flauwvallen of kokhalzen in de tandheelkundige setting grotendeels losstaande fenomenen zijn.

  • In dit promotieonderzoek werden met behulp van interviews, vragenlijsten en observaties van ouder-kind interacties verbanden tussen opvoeding en gezinsfunctioneren enerzijds en mondgezondheid van kinderen anderzijds gemeten. De onderzoeksgroepen bestonden uit kinderen met en zonder cariës en met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Uit de analyses kwam een uitgesproken en significant verschil naar voren tussen kinderen met en kinderen zonder cariës betreffende opvoeding en ouder-kind interactie. Positieve opvoedvaardigheden, zoals positieve betrokkenheid, positieve bekrachtiging en probleemoplossend vermogen, werden minder vaak gezien bij kinderen met cariës. Het onderzoek liet ook zien dat kinderen van ouders die als opvoedstijl een dwingende en strenge manier van disciplineren hadden, gecombineerd met het uiten van weinig warmte, een grotere kans hadden op het ontwikkelen van cariës. Er bestond geen relatie tussen een ongezonde Body Mass Index (BMI) en de aanwezigheid van cariës. Er werd een significante relatie tussen gedragsproblemen en de aanwezigheid van cariës bij kinderen gevonden, die wellicht kan worden verklaard door een onderliggende invloed van de gemeten gezinsfactoren.

  • Voor het kwantificeren van gebitsslijtage bestaat er een veelvoud aan graderingssystemen, die helaas alle hun eigen specifieke tekortkomingen hebben. In dit proefschrift wordt een nieuw en veelomvattend gebitsslijtagebeoordelingssysteem beschreven. De bestaande nomenclatuur werd hiervoor aangepast naar mechanisch-intrinsiek (voorheen attritie), mechanisch-extrinsiek (voorheen abrasie), chemisch-intrinsiek (voorheen erosie) en chemisch-extrinsiek (voorheen erosie). Om de mate van de slijtage aan te geven werden de termen mild, matig, ernstig en extreem gebruikt. Op grond van reeds bestaande systemen werden 3 slijtagegraadschalen ontwikkeld en getest op betrouwbaarheid voor het gebruik aan de stoel, op gebitsmodellen en op mondfoto’s. De graderingsschalen bleken op een betrouwbare manier te kunnen worden toegepast zowel intra­oraal, op gebitsmodellen alsook op mondfoto’s, vooral op occlusale/incisale vlakken. De onderzoeksuitkomsten hebben geleid tot de opstelling van een modulair Gebitsslijtage Beoordelingssysteem om gebitsslijtage te kunnen kwantificeren, kwalificeren en monitoren en oorzaken te kunnen duiden. Het beoordelingssysteem kan tevens worden gebruikt om een behandeloptie te bepalen.

  • Hora est 4. Interacties tussen irrigatie-oplossingen, wortelkanaalcementen en dentine

    P. Neelakantan, H. Shemesh, P. Wesselink

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Binnen de endodontologie is de antibacteriële activiteit van irrigatie-oplossingen veelvuldig onderzocht, maar de rol van deze oplossingen op de hechting van wortelkanaalcementen is nog nauwelijks onderzocht. Dit promotieonderzoek had als doelstelling de interacties tussen wortelkanaalcementen en dentine, en de invloed van irrigatie-oplossingen op deze interacties in kaart te brengen. De verschillende onderzoeken lieten zien dat irrigatie-oplossingen van invloed zijn op de hechting van cementen die zijn gebaseerd op epoxyhars, calciumhydroxide, siliconen en calciumsilicaat. In het geval van een op epoxyhars gebaseerd cement (AH Plus) was het irrigatieprotocol van invloed op de hechtsterkte aan dentine, waardoor ook de afsluiting werd verbeterd. Met de resultaten van het onderzoek wordt een beter inzicht verkregen in de mechanismen die een rol spelen bij de adhesieve eigenschappen van wortelkanaalcementen. Op termijn kunnen daarmee de behandelresultaten van wortelkanaalbehandelingen wellicht worden verbeterd.

Vorige 1 2 Volgende

Selecteer zoekcriteria