Zoek in het NTvT archief

Er zijn 18 zoekresultaten gevonden.

  • Serie: Hora est. Het effect van radiotherapie op de morfologie van de orale mucosa

    P.J. Asikainen, A.M. Kullaa, A. Koistinen, E.A.J.M. Schulten, C.M. ten Bruggenkate

    2 maart 2018

    NTvT maart 2018 Onderzoek en wetenschap

  • De behandeling van mondkanker bestaat doorgaans uit chirurgische verwijdering van de tumor, eventueel gevolgd door radiotherapie. Doel van dit promotieonderzoek was de effecten van radiotherapie op de orale weefsels, in het bijzonder de oppervlakkig gelegen epitheelcellen van het mondslijmvlies (orale mucosa) te onderzoeken. Eerder is met elektronenmicroscopisch onderzoek aangetoond dat onbestraalde orale mucosacellen bij sterke vergroting microplicae (ribbels of plooien) bezitten. Deze microplicae vormen samen met diverse speekselcomponenten een beschermende laag, die functioneert als verdediging tegen bijvoorbeeld micro-organismen. Door radiotherapie beschadigen deze microplicae of kunnen zelfs helemaal verdwijnen. Uit het onderzoek bleek dat dit bestralingseffect zowel bij dieren als bij mensen optrad. Naarmate de radiatiedosis toenam (50 Gy of meer) was de destructie van de microplicae ernstiger. Bij een dosis van 60 Gy of meer bleken ze zelfs helemaal te verdwijnen. Dit proces zou mogelijk een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van osteoradionecrose van de kaak en bij het verlies van tandwortelimplantaten na radiotherapie.

  • De bilaterale sagittale splijtingsosteotomie (BSSO) is een operatietechniek die wordt gebruikt om hypoplasie, hyperplasie of scheefgroei van de onderkaak te corrigeren. Het risico op complicaties bij de BSSO met splijttang en splijthevels, de zogenoemde splijttang-splijtheveltechniek, en de voorspelbaarheid van deze techniek werden geanalyseerd. De gemiddelde prevalentie van complicaties bij klassieke BSSO-technieken werd door middel van een literatuuronderzoek vastgesteld. Met klassieke technieken kwam een bad split voor in 2,3% van de geopereerde zijden, verwijdering van het osteosynthesemateriaal vanwege klachten bij 11,2% van de patiënten en permanente gevoelsstoornissen van het verzorgingsgebied van de nervus mentalis bij 33,9% van de patiënten. Bij BSSO met splijttang en splijthevels kwam een bad split voor in 2,0% van de geopereerde zijden, noodzakelijke verwijdering van osteosynthesemateriaal bij 5,6% van de patiënten en permanente gevoelsstoornissen van de onderlip bij 9,9% van de patiënten. Verwijdering van derde molaren tijdens BSSO geeft mogelijk een kleine verhoging van het risico op een bad split, maar heeft geen invloed op andere complicaties. Geconcludeerd kan worden dat een BSSO uitgevoerd met de splijttang-splijtheveltechniek een betrouwbare techniek is, met een opvallend lage prevalentie van permanente gevoelsstoornissen van de onderlip.

  • Serie: Hora est. Preventie en behandeling van parodontale aandoeningen en slechte adem

    E. van der Sluijs, D.E. Slot, G.A. van der Weijden

    5 januari 2018

    NTvT januari 2018 Onderzoek en wetenschap

  • De mond voorspoelen met water of poetsen met een droge tandenborstel, draagt niet bij aan een verbeterde tandplaque verwijdering bij het tandenpoetsen. Ook poetsen volgens een specifieke poetsvolgorde draagt daaraan niet bij. Spoelen met water of water drinken heeft een direct effect op de slechte ochtendadem. De combinatie van tandenpoetsen, tong reinigen en een mondspoelmiddel laat na 24 uur een effect zien op de slechte ochtendadem ten opzichte van alleen poetsen met tandpasta. Het gebruik van een mondspoelmiddel met de specifieke ingrediënten chloorhexidine en essentiële oliën, heeft een positief effect op de reductie van gingivitis. Het gebruik van vergelijkbare mondspoelmiddelen als koelvloeistof in ultrasone apparatuur heeft geen toegevoegd effect op het behandelresultaat bij parodontitispatiënten. Water is een effectieve koelvloeistof.

  • Serie: Hora est. Tandvleesschade door mondhygiënemiddelen en mondpiercings

    N.L. Hennequin-Hoenderdos, D.E. Slot, G.A. van der Weijden

    8 december 2017

    NTvT December 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Het behoud van gezonde gebitselementen en zachte orale weefsels is belangrijk. Klinisch onderzoek heeft aangetoond dat handtandenborstels met afgeronde borstelharen aanzienlijk minder gingiva-abrasiën veroorzaken dan die zonder afronding. Tapered (taps toelopende) borstelharen zijn een alternatief voor afgeronde borstelharen, maar er is geen sterk bewijs voor de effectiviteit. Voor de interdentale ruimtes, daar waar de tandenborstel niet komt, worden speciale mondhygiënehulpmiddelen geadviseerd. Uit klinisch onderzoek onder gingivitispatiënten bleek dat zowel interdentale ragers als plastic-rubberreinigers gingivitis verminderden na 4 weken gebruik. Plastic-rubberreinigers zorgden voor een significante verbetering van de interdentale bloedingsneiging vergeleken met ragers en ze veroorzaakten minder gingiva-abrasiën. Andere factoren die harde en zachte weefsels kunnen traumatiseren zijn mondpiercings. Mondpiercings dragen is zeker niet zonder risico. Tong- en lippiercings zijn geassocieerd met het ontstaan van gingivarecessies en tongpiercings met fracturen van gebitselementen. Om de risico’s op complicaties te voorkomen, moeten patiënten ontmoedigd worden om mond­piercings te dragen.

  • Kwetsbare ouderen gaan vaak niet meer naar een tandarts, terwijl hun mondverzorging en mondgezondheid achteruit gaan. Op basis van open interviews en vragenlijsten werd onderzocht waarom kwetsbare ouderen hun mondzorggedrag veranderen en met welke (kwetsbaarheids)factoren dit samenhangt. Deze factoren bleken vooral gerelateerd te zijn aan motivatie: zodra vermeende inspanningen niet langer opwogen tegen vermeende voordelen van tandartsbezoek en mondverzorging, gaven kwetsbare ouderen hun mondzorgroutines op en maakte het hen niet langer uit of ze gebits­elementen verloren. Voor het meten van de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit van kwetsbare ouderen schieten standaard vragenlijsten zoals de gevalideerde Geriatric Oral Health Assesment Index-NL tekort omdat deze geen persoonlijke context opleveren die nodig is om de scores te kunnen interpreteren. (Mond)zorgverleners zouden vanaf de levensfase voorafgaande aan de kwetsbaarheid moeten monitoren op specifieke factoren, waaronder chronische pijn of afnemende mobiliteit, motorische vaardigheden, cognitie, levenslust, energie en sociale steun, die de mondgezondheid en het mondzorggedrag van hun oudere patiënten negatief kunnen beïnvloeden.

  • De relatie tussen parodontitis, diabetes mellitus en hart- en vaatziekten is complex en kan voorgesteld worden als een Bermudadriehoek. Zo is een relatie tussen parodontitis en een verminderde conditie van het vaatstelsel en een verhoogde totale ontstekingsgraad in het lichaam aangetoond. Ook hebben patiënten met ernstige parodontitis hogere bloedwaarden van geglycosyleerd hemoglobine. Dat betekent dat ernstige parodontitis een vroege aanwijzing kan zijn van diabetes mellitus. Een parodontale behandeling zorgt in het algemeen voor een verbeterde bloedsuikerregulatie bij diabetespatiënten, een betere conditie van het vaatstelsel en een verlaging van de totale ontstekingsgraad. Factoren als erfelijkheid, levensstijl en de aanwezigheid van andere chronische ziektebeelden dragen echter bij aan de complexiteit van de relatie. Voor de behandeling van ernstige parodontitis wordt daarom interdisciplinaire samenwerking tussen tandartsen, huisartsen en internisten aangeraden.

  • Mondgezondheid kan worden gemeten vanuit het perspectief van de zorgverlener (objectief) en van de patiënt (subjectief). Echter, objectieve en subjectieve mondgezondheid komen niet goed overeen. Daarom werd onderzoek verricht naar de relaties tussen objectieve en subjectieve mondgezondheid, en gerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL) bij kinderen. Deze relaties werden bekeken in verband met de orthodontische problemen. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen Generation R, een prospectief onderzoek naar de gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Naast malocclusies en cariës bleken verschillende niet-klinische factoren, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken, invloed te hebben op subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zorgen net als sociaaleconomische factoren voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid. Deze kennis kan niet alleen helpen een effectieve communicatie tussen orthodontist en patiënt te ondersteunen, maar ook bij ontwikkeling van doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen.

  • Het effect van verschillende tandheelkundige reinigingsinstrumenten op oppervlakken van orale titanium implantaten werd in dit onderzoek geëvalueerd. Verder werd een klinische richtlijn ontwikkeld met betrekking tot de diagnose, de preventie en de behandeling van peri-implantaire ziektes. Air-polishers bleken de meest geschikte instrumenten te zijn voor het verwijderen van de biofilm van implantaatoppervlakken. Van de chemische middelen leken citroenzuur en waterstofperoxide de meeste potentie te hebben. Periodieke controles en zorgvuldig onderhoud van de implantaatgedragen constructies (door patiënten en mondzorgverleners) zijn van groot belang om peri-implantaire ziektes te voorkomen of ze vroegtijdig te diagnosticeren. Een klinische en röntgenologische ‘nulmeting’ is een onmisbaar onderdeel voor de start van deze controles. Deze nulmeting vindt bij voorkeur ongeveer 8 weken na het plaatsen van de suprastructuur plaats. Klinische en/of röntgenologische veranderingen zijn alarmerend. Preventie en vroegtijdige diagnose van problemen is de sleutel tot het succes van orale implantaten op de lange termijn.

  • Dubbelzijdige vrij-eindigende frameprotheses in de onderkaak geven vaak klachten, waardoor patiënten hun gebitsprothese niet tot nauwelijks dragen. Een oplossing is het plaatsen van implantaten om de gebitsprothese op vast te klikken. Echter, er bestaat nog geen consensus over de beste positie van de implantaten in de onderkaak. Daarnaast is het interessant de kosten van de behandeling tegen de effecten af te zetten. In een klinische gerandomiseerd cross-over-onderzoek onder 30 patiënten met een verkorte tandboog werd de implantaat ondersteunde vrij-eindigende frameprothese in de onderkaak geëvalueerd op de beleving van de patiënt, de draagduur, het kauwvermogen en de klinische en röntgenologische parameters in relatie tot 2 verschillende posities van de implantaten: 2 in de premolaarregio of 2 in de molaarregio. Ook werd gekeken naar kosteneffectiviteit van beide behandelingen. Het bleek dat volgens de patiëntvoorkeur frameprothesen het beste worden ondersteund door implantaten in de molaarregio. Uit dit onderzoek bleek echter dat er significant meer bloeding rondom implantaten in de molaarregio optrad en zou dus vanuit klinisch perspectief plaatsing in de premolaarregio de voorkeur genieten. De kosteneffectiviteit van de behandeling met een implantaat-gesteunde frameprothese hangt af van de keuze van de uitkomstmaat en het gekozen drempelbedrag.

  • Hora est 9. De waarde van tandheelkundig focusonderzoek bij oncologiepatiënten

    J.M. Schuurhuis, F.K.L. Spijkervet, A. Vissink, M.A. Stokman

    5 mei 2017

    NTvT mei 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Zowel bij patiënten die vanwege een tumor in het hoofd-halsgebied radiotherapie ondergaan als bij patiënten die vanwege hematologische aandoeningen worden behandeld met hoge doses chemotherapie, wordt vooraf een tandheelkundig focusonderzoek verricht. Dit focusonderzoek heeft als doel afwijkingen in de mond op te sporen, de zogenoemde orale foci. Deze foci kunnen tijdens of na de kankerbehandeling leiden tot problemen. Een zorgvuldig, geprotocolleerd tandheelkundig focusonderzoek blijkt zeer zinvol voor patiënten die hoofd-halsradiotherapie moeten ondergaan. Er moet speciale aandacht worden geschonken aan de beoordeling van het parodontium, omdat de kans op het optreden van botgenezingsstoornissen na radiotherapie in het hoofd-halsgebied verhoogd is bij patiënten met parodontitis. Bij patiënten met een hematologische aandoening behoeven asymptomatische, chronische foci niet te worden behandeld voorafgaand aan of tijdens de oncologische behandeling, omdat deze foci in tegenstelling tot wat tot nu toe werd aangenomen geen extra ziektelast met zich meebrengen.

Vorige 1 2 Volgende

Selecteer zoekcriteria