Zoek in het NTvT archief

Er zijn 18 zoekresultaten gevonden.

  • Extreme angst voor de tandheelkundige behandeling, flauwvallen of kokhalzen in de tandartsstoel kunnen de tandheelkundige behandeling van een patiënt ernstig belemmeren. Hoewel er reeds wijd uiteenlopend onderzoek naar extreme behandelangst is gedaan, is er minder bekend over kokhalzen en flauwvallen. De belangrijkste vragen in dit promotieonderzoek waren of er clusters van behandelangst (‘stimuli’) konden worden bepaald en of behandelangst en flauwvallen of kokhalzen losstaande of overlappende fenomenen zijn. Angst voor de tandheelkundige behandeling blijkt onder te verdelen in diverse subtypes: angst voor invasieve behandelingen, controleverlies en aversieve lichamelijke sensaties. Het huidige niveau van behandelangst hangt sterk samen met diverse kenmerken van herinneringen die ten grondslag liggen aan deze angst. Flauwvallen in de tandheelkundige praktijk en extreme behandelangst komt maar bij een klein deel van de patiënten tegelijkertijd voor (17,8%). Hetzelfde geldt voor kokhalzen en extreme behandelangst (16,4%). Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat angst, flauwvallen of kokhalzen in de tandheelkundige setting grotendeels losstaande fenomenen zijn.

  • In dit promotieonderzoek werden met behulp van interviews, vragenlijsten en observaties van ouder-kind interacties verbanden tussen opvoeding en gezinsfunctioneren enerzijds en mondgezondheid van kinderen anderzijds gemeten. De onderzoeksgroepen bestonden uit kinderen met en zonder cariës en met verschillende sociaaleconomische achtergronden. Uit de analyses kwam een uitgesproken en significant verschil naar voren tussen kinderen met en kinderen zonder cariës betreffende opvoeding en ouder-kind interactie. Positieve opvoedvaardigheden, zoals positieve betrokkenheid, positieve bekrachtiging en probleemoplossend vermogen, werden minder vaak gezien bij kinderen met cariës. Het onderzoek liet ook zien dat kinderen van ouders die als opvoedstijl een dwingende en strenge manier van disciplineren hadden, gecombineerd met het uiten van weinig warmte, een grotere kans hadden op het ontwikkelen van cariës. Er bestond geen relatie tussen een ongezonde Body Mass Index (BMI) en de aanwezigheid van cariës. Er werd een significante relatie tussen gedragsproblemen en de aanwezigheid van cariës bij kinderen gevonden, die wellicht kan worden verklaard door een onderliggende invloed van de gemeten gezinsfactoren.

  • Voor het kwantificeren van gebitsslijtage bestaat er een veelvoud aan graderingssystemen, die helaas alle hun eigen specifieke tekortkomingen hebben. In dit proefschrift wordt een nieuw en veelomvattend gebitsslijtagebeoordelingssysteem beschreven. De bestaande nomenclatuur werd hiervoor aangepast naar mechanisch-intrinsiek (voorheen attritie), mechanisch-extrinsiek (voorheen abrasie), chemisch-intrinsiek (voorheen erosie) en chemisch-extrinsiek (voorheen erosie). Om de mate van de slijtage aan te geven werden de termen mild, matig, ernstig en extreem gebruikt. Op grond van reeds bestaande systemen werden 3 slijtagegraadschalen ontwikkeld en getest op betrouwbaarheid voor het gebruik aan de stoel, op gebitsmodellen en op mondfoto’s. De graderingsschalen bleken op een betrouwbare manier te kunnen worden toegepast zowel intra­oraal, op gebitsmodellen alsook op mondfoto’s, vooral op occlusale/incisale vlakken. De onderzoeksuitkomsten hebben geleid tot de opstelling van een modulair Gebitsslijtage Beoordelingssysteem om gebitsslijtage te kunnen kwantificeren, kwalificeren en monitoren en oorzaken te kunnen duiden. Het beoordelingssysteem kan tevens worden gebruikt om een behandeloptie te bepalen.

  • Hora est 4. Interacties tussen irrigatie-oplossingen, wortelkanaalcementen en dentine

    P. Neelakantan, H. Shemesh, P. Wesselink

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • Binnen de endodontologie is de antibacteriële activiteit van irrigatie-oplossingen veelvuldig onderzocht, maar de rol van deze oplossingen op de hechting van wortelkanaalcementen is nog nauwelijks onderzocht. Dit promotieonderzoek had als doelstelling de interacties tussen wortelkanaalcementen en dentine, en de invloed van irrigatie-oplossingen op deze interacties in kaart te brengen. De verschillende onderzoeken lieten zien dat irrigatie-oplossingen van invloed zijn op de hechting van cementen die zijn gebaseerd op epoxyhars, calciumhydroxide, siliconen en calciumsilicaat. In het geval van een op epoxyhars gebaseerd cement (AH Plus) was het irrigatieprotocol van invloed op de hechtsterkte aan dentine, waardoor ook de afsluiting werd verbeterd. Met de resultaten van het onderzoek wordt een beter inzicht verkregen in de mechanismen die een rol spelen bij de adhesieve eigenschappen van wortelkanaalcementen. Op termijn kunnen daarmee de behandelresultaten van wortelkanaalbehandelingen wellicht worden verbeterd.

  • Hora est 5. Levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen

    F.H. van de Sande

    9 september 2016

    NTvT september 2016 Onderzoek en wetenschap

  • De factoren die van invloed kunnen zijn op de levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen zijn in een promotieonderzoek onderzocht, waarbij vooral de voornaamste oorzaken van falen – fractuur en secundaire cariës – zijn bestudeerd. In situ werd een onderzoek uitgevoerd om de invloed van restauratiematerialen te evalueren bij het ontstaan van secundaire cariës. Om het effect van patiënt-, materiaal- en gebitselement- gerelateerde variabelen op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen te beoordelen, werden 2 klinische langetermijnonderzoeken met een retrospectieve onderzoeksopzet verricht. Ook werden patiëntgerelateerde risicofactoren bestudeerd in een systematisch literatuuronderzoek, waarbij een meta-analyse is uitgevoerd van 12 klinische onderzoeken. De uitkomsten van de onderzoeken laten zien dat niet materiaalfactoren, maar het type gebitselement, het aantal gerestaureerde oppervlakken en patiëntgerelateerde factoren van invloed zijn op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen.

  • Een gerandomiseerd klinisch onderzoek werd uitgevoerd om vast te stellen of veranderingen in de vorm van de implantaatopbouw (abutment) kunnen leiden tot een betere kwaliteit van de peri-implantaire mucosale weefsels op de parameters aanhechtingssterkte, stabiliteit, papilvorming en behoud van bothoogte. Er werden 29 patiënten geïncludeerd. Bij hen werden 2 niet aan elkaar grenzende ontbrekende gebitselementen in de esthetische zone vervangen door endossale implantaten. Daarna werden een controle- (conventionele) en een experimentele (met een additionele uitholling van 0,5 mm diepte) abutment geplaatst. Na 6 weken en na 1 jaar werd het effect van de 2 verschillende abutments gemeten op genoemde parameters. Daarnaast werden de tevredenheid van patiënten en tandartsen over het mucogingivale resultaat vergeleken. Het bleek dat de 2 abutments geen significant verschillend effect op de mucogingivale esthetiek opleverden. Uit aanvullend vergelijkend onderzoek tussen Kaukasische en Indiase individuen werd geconcludeerd dat het gingivale biotype het beste kwantitatief kan worden bepaald.

  • Na verwijdering van amalgaamrestauraties wordt vaak zwarte verkleuring van dentine aangetroffen die wordt toegeschreven aan corrosieproducten uit amalgaam. Onderzocht werd of composiet­restauraties goed aan dit verkleurde dentine kunnen hechten. Uit literatuur- en laboratoriumonderzoek bleek dat verkleuring alleen in gedemineraliseerd dentine plaatsvond en dat vooral tin en zink in verkleurd dentine worden aangetroffen. Gedemineraliseerd dentine bleek in vitro een porte d’entree te vormen voor corrosieproducten. Hechtsterktetests met 5 hechtstrategieën toonden geen verschillen in hechtsterktes aan tussen door amalgaam verkleurd dentine en gezond dentine, maar wel verschillen in breuktype. Klinisch onderzoek toonde een goede overleving van knobbelvervangende uitgebreide composietrestauraties na amalgaamvervanging, zonder mislukkingen door falende hechting. Geconcludeerd werd dat verkleurd dentine geen negatieve invloed heeft op de hechtsterkte van composiet en dat tin en zink uit amalgaam mogelijk een gunstig effect hebben op dentine, waardoor effecten van vroegere demineralisatie, preparatietrauma en fysisch-chemische processen tijdens het klinisch functioneren gecompenseerd worden.

  • Wanneer esthetiek een rol speelt tijdens extractie, bestaat de tendens om direct een implantaat in de extractiealveole te plaatsen, bij voorkeur in combinatie met een tijdelijke kroon. Deze tendens past bij het huidige tijdsbeeld: veeleisende patiënten met de wens voor een mooi en direct resultaat. In 2 gerandomiseerde klinische onderzoeken (totaal 80 patiënten) is het behandelresultaat van direct geplaatste implantaten in de esthetische zone onderzocht. Afhankelijk van de grootte van het botdefect (< 5 of ≥ 5 mm) werd het aantal operaties gereduceerd van 2 naar 1 of van 3 naar 2. Het behandelresultaat werd gemeten door de volgende uitkomstmaten: overlevingspercentage, veranderingen in harde en zachte peri-implantaire weefsels, esthetische indexen en patiënttevredenheid. De belangrijkste conclusie is dat direct plaatsen van implantaten na extractie in de esthetische zone resulteert in uitstekende kortetermijnresultaten (1 jaar) voor de genoemde uitkomstmaten. Of dit ook voor de lange termijn geldt, moet nog nader worden onderzocht.

Vorige 1 2 Volgende

Selecteer zoekcriteria