Zoek in het NTvT archief

Er zijn 36 zoekresultaten gevonden.

  • De ziekte van Parkinson, temporomandibulaire disfunctie en bruxisme

    M.C. Verhoeff, F. Lobbezoo, M.K.A. van Selms, P. Wetselaar, G. Aarab, M. Koutris

    5 juli 2019

    NTvT juli en augustus 2019 Onderzoek en wetenschap

  • Hoewel bruxisme en de ziekte van Parkinson veel overeenkomsten hebben, is een eventuele relatie niet aangetoond. Doel van dit onderzoek was meer inzicht verkrijgen in een mogelijke relatie tussen de ziekte van Parkinson enerzijds en bruxisme en temporomandibulaire disfunctie anderzijds. Voor dit onderzoek werd door 708 personen een volledige vragenlijst ingevuld (368 personen met de ziekte van Parkinson of parkinsonisme en 340 controlepersonen). Met uitzondering van de vraag over gebitsslijtage, bevatte de vragenlijst een selectie van vragen uit de Nederlandse vertaling van de ‘Diagnostic Criteria for TMD’ (DC/TMD). De chi-kwadraattoets en de onafhankelijke t-toets werden gebruikt om de data te analyseren. De resultaten lieten zien dat patiënten met de ziekte van Parkinson of parkinsonisme significant vaker rapporteerden pijn door temporomandibulaire disfunctie te hebben en te bruxeren tijdens slapen en waken dan de controlegroep. Wanneer aangezichtspijn werd gerapporteerd, bleken Parkinsonpatiënten een gemiddeld hogere pijnscore te hebben dan patiënten uit de controlegroep. Het onderzoek laat dus een associatie zien tussen enerzijds Parkinson en parkinsonisme en anderzijds bruxisme. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat er een associatie is tussen enerzijds de ziekte van Parkinson en parkinsonisme en anderzijds pijn als gevolg van temporomandibulaire disfunctie.

  • Serie: Medicamenten en mondzorg. Medicamenten en verslavende middelen die potentieel bruxisme induceren of dempen

    C. de Baat, M.C. Verhoeff, P.G.M.A. Zweers, A. Vissink, F. Lobbezoo

    3 mei 2019

    NTvT mei 2019 Onderzoek en wetenschap

  • Bruxisme wordt omschreven als een repetitieve kauwspieractiviteit die wordt gekarakteriseerd door klemmen of knarsen met de tanden of kiezen en/of fixeren van of duwen met de mandibula. Dit artikel geeft een inventarisatie van in Nederland geregistreerde medicamenten en van verslavende middelen waarvan is gemeld dat ze als bijwerking bruxisme kunnen induceren of verergeren en van in Nederland geregistreerde medicamenten waarvan is gemeld dat ze bestaand bruxisme kunnen dempen. Groepen medicamenten waarvan bruxisme als potentiële bijwerking bekend is, zijn amfetaminen, anti-epileptica en selectieve serotonineheropnameremmers. In de wetenschappelijke literatuur aangetroffen afzonderlijke medicamenten die deze potentie hebben zijn aripiprazol, atomoxetine, duloxetine, flecaïnide, ketotifen en methadon. Verslavende middelen met bruxisme als potentiële bijwerking zijn alcohol, heroïne, methamfetamine, methyleendioxymethamfetamine, nicotine en piperazinen. Medicamenten die de potentie hebben bruxisme te dempen, zijn botulinetoxine A, bromocriptine, buspiron, clonazepam, clonidine, gabapentine en levodopa.

  • Zingen gaat niet gepaard met kaakklachten

    M.K.A. van Selms, J.W. Wiegers, M.W. de Vries, F. Lobbezoo, C.M. Visscher

    3 mei 2019

    NTvT mei 2019 Onderzoek en wetenschap

  • Onderzocht werd of zangers vaker TMD-pijn en kaakgewrichtsgeluiden rapporteren dan musici die hun kauwstelsel tijdens het musiceren niet belasten. Daarnaast werd onderzocht welke risicoindicatoren verband hielden met kaakklachten onder musici. In totaal vulden 1.470 muzikanten uit 50 verschillende muziekensembles een vragenlijst in, waaronder 306 zangers (experimentele groep) en 209 musici die hun kaak niet belasten tijdens musiceren (controlegroep). De prevalentie van zelfgerapporteerde TMD-pijn onder zangers was 21,9% en 12,0% in de controlegroep. Van de zangers rapporteerde 19,6% kaakgewrichtsgeluiden versus 14,8% van de controles. Uit het meervoudige regressiemodel, waarbij rekening werd gehouden met confounders zoals leeftijd en geslacht, bleek dat zangers niet vaker TMD-pijn en kaakgewrichtsgeluiden rapporteerden dan niet-zangers. Wel waren diverse vormen van fysieke belasting positief geassocieerd met de aanwezigheid van zelfgerapporteerde TMD onder musici, te weten het uitvoeren van schadelijke mondgewoonten met TMD-pijn en kaakgewrichtsgeluiden, het aantal uren dagelijkse oefening met TMD-pijn en het aantal jaren speelervaring met kaakgewrichtsgeluiden.

  • Behandelingsmogelijkheden voor de ziekte van Parkinson

    C. de Baat, M.A.E. van Stiphout, K.D. van Dijk, H.W. Berendse, M.C. Verhoeff, F. Lobbezoo

    1 maart 2019

    NTvT maart 2019 Medisch

  • De ziekte van Parkinson is een langzaam progressieve neurodegeneratieve ziekte die zich manifesteert met karakteristieke motorische, maar ook met niet-motorische symptomen. De behandelingsmogelijkheden voor de ziekte van Parkinson bestaan uit medicamenten voor de motorische symptomen alsmede voor de niet-motorische symptomen als cognitieve achteruitgang, depressie, hallucinaties, wanen, obstipatie en kwijlen. Een aantal van deze medicamenten verkeren in de experimentele fase. Daarnaast kunnen lichaamsbeweging en fysieke oefeningen een gunstig effect hebben op zowel de motorische als de niet-motorische symptomen. Logopedisch zijn spraak- en sliktherapie mogelijk, terwijl cognitieve gedragstherapie depressie en angst onder controle kunnen brengen. Stimulering van diepgelegen hersengebieden is de enige chirurgische behandeling die actueel plaatsvindt. Toekomstige chirurgische mogelijkheden zijn gentherapie, (stam)celtherapie en toediening van groeifactoren. Wereldwijd wordt onderzoek verricht om de ziekte onder controle te krijgen. Soms worden verrassende ontdekkingen gedaan. Het blijft afwachten of genezing en/of preventie op termijn mogelijk worden.

  • Ziekte van Parkinson: pathogenese, etiologie, symptomen, diagnostiek en beloop

    C. de Baat, M.A.E. van Stiphout, F. Lobbezoo, K.D. van Dijk, H.W. Berendse

    5 oktober 2018

    NTvT oktober 2018 Medisch

  • De ziekte van Parkinson is een langzaam progressieve neurodegeneratieve ziekte met karakteristieke bewegingssymptomen. Deze gaan vergezeld van of worden vaak zelfs voorafgegaan door symptomen die niet aan bewegen zijn gerelateerd. Neuropathologisch kenmerkt de ziekte zich door degeneratie van neuronen in specifieke regio’s van de hersenen, waaronder de dopaminerge neuronen in de pars compacta van de substantia nigra. Op moleculair niveau dragen disfunctie van mitochondriën, oxidatieve stress, verstoorde afbraak van proteïnen en reactieve microgliose bij aan de neurodegeneratie. Gevorderde leeftijd is een belangrijke risicofactor. Meer mannen dan vrouwen krijgen de ziekte. Tot de potentiële etiologische factoren behoren leefomgeving, leefstijl en genetische factoren. De diagnose wordt in eerste instantie gesteld aan de hand van het klinische beeld. Bij twijfel kunnen MRI en foto-emissie-computertomografie een bijdrage leveren aan het diagnostisch proces. Meestal overlijden de patiënten aan comorbiditeit. De ziekte heeft ook consequenties voor de functie van het orofaciale systeem.

  • De prevalentie van gebitsslijtage onder de volwassen Nederlandse bevolking

    P. Wetselaar, J.H. Vermaire, C.M. Visscher, F. Lobbezoo, A.A. Schuller

    6 april 2018

    NTvT Gebitsslijtage Thema

  • De doelstelling van dit onderzoek, uitgevoerd in 2013, was de prevalentie van gebitsslijtage onder de Nederlandse volwassen bevolking in kaart te brengen. Het vóórkomen van gebitsslijtage werd niet alleen bepaald in verschillende leeftijdsgroepen, er werd ook gekeken naar geslacht, sociaaleconomische status en verschillende gebitselementen. De resultaten werden vergeleken met een onderzoek uit 2007. Het verzamelen van de gegevens was onderdeel van een grootschalig tandheelkundig-epidemiologisch onderzoek. De 1.125 volwassen uit ‘s-Hertogenbosch die aan dit onderzoek deelnamen, werden onderverdeeld in een vijftal leeftijdsgroepen. De gebitsslijtage werd gekwantificeerd door middel van een occlusale/incisale vijfpuntenschaal. Het aantal door gebitsslijtage aangedane gebitselementen was hoger in de oudere leeftijdsgroepen. Mannen vertoonden meer gebitsslijtage dan vrouwen, evenals individuen met een lagere sociaaleconomische status waarbij eenzelfde tendens werd geconstateerd. Ten opzichte van 2007 was er in 2013 sprake van een toename van de ernst van slijtage. Geconcludeerd kan worden dat gebitsslijtage veelvuldig wordt waargenomen onder de volwassen Nederlandse bevolking.

  • Denk aan je tanden - de relatie tussen kauwen en cognitie

    R.A.F. Weijenberg, S. Delwel, B.V. Ho, C.D. Wierink, F. Lobbezoo

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Ouderen, vooral diegenen met dementie, hebben een grote kans op mondproblemen zoals orofaciale pijn en het verlies van gebitselementen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de cognitieve en motorische beperkingen als gevolg van de dementie leiden tot verminderde zelfzorg en daarmee ook tot een slechtere mondgezondheid. Een alternatieve theorie is dat cognitie en mondgezondheid elkaar beïnvloeden. Uit dieronderzoeken blijkt dat vermindering van de kauwactiviteit, bijvoorbeeld door gemalen voedsel te eten of door tandverlies, leidt tot verminderde geheugenfuncties en neuronale degeneratie. In humane onderzoeken is de relatie tussen kauwen en cognitie ook onderzocht, maar komt de causaliteit nog niet duidelijk naar voren. Waarschijnlijk spelen meerdere factoren een rol in deze relatie, zoals zelfzorg, voeding, stress en pijn.

  • Kauwen op bruxisme. Associaties, gevolgen en behandeling

    F. Lobbezoo, R. Jacobs, A. De Laat, G. Aarab, P. Wetselaar, D. Manfredini

    7 juli 2017

    NTvT juli en augustus 2017 Onderzoek en wetenschap

  • In dit deel van het tweeluik over bruxisme wordt ingegaan op de associaties van deze kauwspieractiviteit met andere aandoeningen. Vooral de associaties met het obstructief slaapapneusyndroom zijn onderzocht. Bruxisme lijkt een beschermende functie bij deze aandoening te hebben, hoewel de bewijslast daarvoor nog niet sluitend is. Naast dit mogelijke positieve gevolg heeft bruxisme ook een aantal nadelige gevolgen waarvoor in meer of mindere mate bewijslast voorhanden is. Zo wordt de kauwspieractiviteit in verband gebracht met temporomandibulaire pijn en disfunctie, parodontale en endodontische problemen, het falen van restauraties en implantaten, en gebitsslijtage. In een aantal gevallen zijn deze gevolgen ernstig genoeg om een behandeling van bruxisme te rechtvaardigen. In alle andere gevallen bestaat er voor de behandeling van bruxisme geen indicatie, gelet op de mogelijke positieve gevolgen. Indien behandeling is geïndiceerd, dan dient er conservatief te worden gehandeld met modaliteiten als stabilisatieopbeetplaten, voorlichtingsgesprekken, medicatie, psychologie en fysiotherapie.

  • Kauwen op bruxisme. Diagnostiek, beeldvorming, epidemiologie en oorzaken

    F. Lobbezoo, R. Jacobs, A. De Laat, G. Aarab, P. Wetselaar, D. Manfredini

    9 juni 2017

    NTvT juni 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Sinds het verschijnen van een themanummer van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde in juli 2000 over bruxisme is er consensus bereikt over de definitie van bruxisme als een repetitieve kauwspieractiviteit die wordt gekarakteriseerd door klemmen en/of knarsen tijdens waken (waakbruxisme) en/of slapen (slaapbruxisme). Over de diagnostiek van bruxisme bestaat nog geen consensus: voor geen van de gebruikte technieken (zelfrapportage, klinisch onderzoek, beeldvorming, elektromyografie, polysomnografie) is aangetoond dat deze betrouwbaar en valide is. Oorzaken worden niet meer gezocht onder de morfologische factoren, maar in toenemende mate onder de psychosociale, fysiologische, biologische en exogene factoren. Dit literatuuroverzicht betreft het eerste deel van een tweeluik en gaat in op de definitie, de diagnostiek, de epidemiologie en de mogelijke oorzaken van deze aandoening. In het tweede deel, in de volgende editie, zal worden ingegaan op de associaties van bruxisme met andere slaapgerelateerde aandoeningen, op de (vermeende) gevolgen van bruxisme en op de behandeling ervan.

  • Pijnlijke temporomandibulaire disfuncties: diagnose en behandeling

    F. Lobbezoo, G. Aarab, W. Knibbe, M. Koutris, C.J. Warnsinck, P. Wetselaar, C.M. Visscher

    4 november 2016

    NTvT Pijn in de orofaciale regio Thema

  • Pijnlijke temporomandibulaire disfunctie (TMD-pijn) komt vaak voor in de algemene bevolking. De meest voorkomende subdiagnoses zijn myalgie (kauwspierpijn) en artralgie (kaakgewrichtspijn). De etiologie van TMD-pijn is multifactorieel en de diagnostiek en eventuele behandeling hebben vaak een multidisciplinair karakter. De meest recente inzichten voor de diagnostiek en de behandeling van TMD-pijn zijn gebaseerd op de in 2013 verschenen multidisciplinaire richtlijn ‘Chronische aangezichtspijn’, die onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten is ontwikkeld. Tandartsen worden geacht te handelen conform de aanbevelingen in deze richtlijn. De autorisatie van de richtlijn door de betrokken wetenschappelijke en beroepsverenigingen impliceert dat terughoudendheid is geboden bij het inzetten van diagnostische hulpmiddelen en behandelmodaliteiten die niet, of onvoldoende zijn onderbouwd met solide bewijslast.

Vorige 1 2 3 4 Volgende

Selecteer zoekcriteria