Verslechtert het kindergebit?

Open PDF (2.67 MB)

Regelmatig verschijnen krantenartikelen dat het weer slechter gaat met het kindergebit. In 2011 luidde mondziekten-, kaak- en aangezichtschirurg R.R.M. Bos de noodklok met de uitspraak: “Ik heb nog nooit zoveel verrotte peutergebitten gezien als nu” (AD, 20 mei 2011). Hij gaf aan regelmatig het gehele melkgebit te moeten extraheren bij kinderen met een ernstig verwaarloosd gebit. Deze geluiden over de verslechterende gebitssituatie bij de jeugd worden ook nu weer gehoord. In een recent interview in Dentz (2014; 1: 24-27) zegt tandarts Blummel dat hij weliswaar geen wetenschappelijk onderzoek heeft verricht, maar dat zijn waarneming hem niet bedriegt, want “hij ziet de laatste jaren in zijn praktijk meer kleine kinderen met cariës en andere mondproblemen en steeds meer twaalf- en dertienjarigen met al ernstige aantastingen van het gebit”.

Kunnen epidemiologische gegevens deze uitspraken onderbouwen? TNO heeft in de periode van 1987 tot 2011 in totaal 9 keer onderzoek gedaan naar de mate van cariës in gebitten van de Nederlandse jeugd. De mate van cariës werd gemeten bij 5-, 11-, 17- en 23-jarigen; om de 6 jaar per leeftijdsgroep. In het rapport ‘Kies voor tanden’ concludeerden de onderzoekers dat de mondgezondheid, uitgedrukt in cariëservaring, in alle leeftijdsgroepen is verbeterd ten opzichte van 2005 (TNO 2013; rapportnr. TNO/LS 2013 R10056).

In 2010 werd een meta-analyse uitgevoerd van onderzoeken naar de cariësprevalentie bij 6- en 12-jarigen in Nederland in de periode 1980-2009 (Truin et al. Ned Tijdschr Tandheelkd 2010; 17: 143-147). De meta-analyse liet zien dat sinds het midden van de jaren ’80 bij 6-jarigen de daling van de cariësprevalentie in het melkgebit tot stilstand was gekomen. Bij de 12-jarigen was er geen aanwijzing dat de cariësprevalentie in het blijvende gebit aan het veranderen was. Recent is deze meta-analyse aangevuld met de gegevens van de 5- en 11-jarigen uit het TNO-onderzoek van 2011. De eerder waargenomen trends in de prevalentie van cariës bij deze 2 leeftijdsgroepen bleven onveranderd. Een toename van de cariësprevalentie bij de jeugd werd niet waargenomen. Wel is er op populatieniveau al jarenlang geen sprake meer van een verdere verbetering van het percentage 5-jarige kinderen met een cariësvrij melkgebit. Ook bij de 12-jarigen is nu geen toename in het percentage kinderen met een cariësvrij blijvend gebit  meer waarneembaar.  Duidelijk is wel dat in alle leeftijdsgroepen nog steeds aanzienlijke sociaaleconomische mondgezondheidsverschillen bestaan.

Mogen wij tevreden zijn met de huidige situatie? Nee, natuurlijk niet. Bij de 5-jarigen heeft ongeveer 50% een niet-cariësvrij gebit, bij de 9- en 12-jarigen bedraagt dit percentage (voor het blijvend gebit) ongeveer 20; bij de 15-jarigen is dat 50% en bij de 21-jarigen 75%.

In 2012 stelde Huddleston Slater in een interview in het Nederlands Tandartsenblad (2012; 67: 13-15) met de pakkende titel ‘Cariës moet en kan de wereld uit’, dat de cariësprevalentie makkelijk tot zo’n 40% kan afnemen. Maar dan moet er volgens hem wel een andere manier van behandelen plaatsvinden: van restauratie naar preventie. Vaak wordt hiermee bedoeld de behandelmethode ‘non-operative caries treatment and prevention’ (NOCTP) . Meestal wordt deze cariëspreventiestrategie toegepast bij hoogrisicogroepen, maar J.H. Vermaire (2013) bestudeerde voor zijn promotieonderzoek hoe effectief deze strategie is in de Nederlandse kinderpopulatie met een relatief laag cariësrisico. Vanaf 6-jarige leeftijd kreeg een eerste groep kinderen een op het individu afgestemd preventieprogramma (de NOCTP-strategie), een tweede groep (de controlegroep) het reguliere protocol (2 maal per jaar periodiek mondonderzoek, 2 x per jaar een fluorideapplicatie en het routinematig sealen van pits en fissuren van pas doorgebroken molaren) en een derde groep het reguliere protocol met 4 in plaats van 2 fluorideapplicaties per jaar. Na 3 jaar had zich bij 9,8% van de op 6-jarige leeftijd cariësvrije kinderen in de NOCTP-groep 1 of meer carieuze dentinelaesies ontwikkeld in de blijvende dentitie; in de controlegroep bedroeg dit percentage 22,1 %. Een verschil van 12,3%. In de NOCTP-groep was 86,8% van de kinderen op 9-jarige leeftijd cariësvrij in de blijvende dentitie, in de controlegroep 76,6 %. Een mooi resultaat, maar ik wil wel een kanttekening maken. In de NOCTP-groep haakte 31,6% van de kinderen gedurende het onderzoek af om redenen als de extra reistijd. Hierdoor is zeer waarschijnlijk selectiebias ontstaan met als gevolg dat de meer gemotiveerde ouders en kinderen in het onderzoek zijn blijven participeren. Het gevolg hiervan is dat de behaalde ‘winst’ in de NOCTP-groep te rooskleurig wordt voorgesteld.

Het komt erop neer dat bij de huidige cariësincidentie bij de jeugd in Nederland en bij de bestaande mondhygiëne en het gebruik van fluoridetandpasta’s op populatieniveau wel heel bijzondere inspanningen moeten plaatsvinden om een reductie van 40% in de cariësprevalentie de komende 10 jaren te kunnen realiseren. Wel een mooie uitdaging voor de tandheelkundige professie.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.