Onrust binnen de universiteiten

Open PDF (2.82 MB)

In de Opinie-bijlage van het NRC/Handelsblad (31 mei 2014) werd een aantal krasse meningen verkondigd over de toestand van de universiteiten. De voorzitter van de Vereniging Beter Onderwijs in Nederland en tevens filosoof aan de Vrije Universiteit, Ad Verbrugge, merkte op dat de universiteiten al zo’n 30 jaar een fundamentele transformatie hebben ondergaan, waarbij onderwijs en onderzoek, mede door financiële prikkels van de overheid, in toenemende mate bedrijfsmatig worden aangestuurd. Dit gaat gepaard met de nadruk op de meting van prestaties en berekening van gemaakte kosten. Het binnenhalen van veel studenten levert, vooral als zij afstuderen, geld op. Dat geldt ook voor het onderzoek. Ieder jaar wordt de balans opgemaakt en kijken de bestuurders naar de productiviteit van de faculteiten, vakgroepen en medewerkers. Verbrugge constateert dat er in het onderwijs en onderzoek gaandeweg een neiging tot massaproductie is ontstaan. De academische wereld staat onder een permanente druk van ‘meer’, omdat meer, meer oplevert. Want meer studenten, meer bullen, meer promoties, meer publicaties, meer citaties, meer externe financiering, enzovoorts. Wie niet ‘meer’ kan, valt af. ‘Publish or perish’ doet zijn intrede. Kleine faculteiten en vakgroepen moeten weg omdat zij te weinig opleveren. Wetenschappers moeten de financiering van hun onderzoek steeds vaker zelf organiseren en doen zij dit niet, dan worden zij gestraft. In diezelfde Opinie-bijlage vraagt een bekende columnist van de krant, Marc Chavannes, zich af wat de studenten in deze tijden nu werkelijk van hun studie hebben geleerd. Wat kunnen zij? Kregen de grotere aantallen waar voor hun en ons geld? Ook in het wetenschappelijk onderzoek is de jacht op de cijfermatige scores geopend. Niet geciteerd worden in een internationaal toptijdschrift betekent voor de onderzoeker minder status, dus minder geld voor een volgend project. Enigszins bitter stelt Chavannes vast: “Pech als je een typisch nationaal vak doet”. Deze ontwikkelingen hebben volgens hem als consequentie dat een recht geaard onderzoeker zich amper de luxe kan permitteren om onderwijs te geven. Anders gezegd: onderwijs is een bijproduct geworden van de moderne universiteit. Het staat in laag aanzien, met als gevolg dat voor onderwijsactiviteiten weinig uren worden vergoed.

De vraag is of deze sombere beschouwingen ook op de tandheelkundige faculteiten van toepassing zijn. Deels niet, maar toch ook deels wel. Veel tandartsen-algemeen practici klagen graag over de verminderde vaardigheden en de kunde van pas afgestudeerde tandartsen. Maar deze klacht werd vroeger ook al geuit. Bekend is dat een tandarts-algemeen practicus pas 5 jaar na het beëindigen van zijn studie de uitoefening van het beroep ‘in de vingers gaat krijgen’. Vaststaat dat de jonge tandarts van nu door de sterk toegenomen kennis op het gebied van het tandheelkundig onderzoek meer kennis heeft dan zijn leeftijdsgenoten van 40 jaar geleden. Echter, meer dan vroeger geldt ook dat na een aantal jaren de helft van het tijdens de studie geleerde door snelle, nieuwe, ontwikkelingen al aan herziening toe is. Voor het huidige tandheelkundig onderwijs geldt in zekere mate hetzelfde als in de genoemde opiniestukken wordt betoogd: de groepen studenten zijn groot, het aantal docenten gering. De taken van de huidige docenten nemen toe, zeker ook door de verlenging van de studie en de invoering van de bachelor- en masterscripties. Maar vaak ontbreekt hen de tijd om studenten adequaat te begeleiden. Met als gevolg dat de verzuchtingen van de studenten tandheelkunde thans luider lijken te worden.

Voor het huidige tandheelkundig universitair onderzoek ziet men dat onderzoeksresultaten, die vaak vrij fundamenteel van aard en weinig praktijkgericht zijn, meestal worden aangeboden aan Engelstalige tijdschriften vanwege de impactfactor, en dus financiering van de vakgroep. Een feit is dat deze Engelstalige publicaties maar door een zeer klein aantal personen wordt gelezen. Het publiceren in de Nederlandse taal wordt sterk ontmoedigd, want dat levert vrijwel geen punten op. Terwijl men juist zou mogen verwachten dat Nederlandse tandheelkundige wetenschappers, van wie het salaris door de Nederlandse belastingbetaler wordt betaald, via tandartsen en mondhygiënisten aan de bevolking verslag zouden moeten doen van hun onderzoek. Kleine disciplines zoals Gezondheidsrecht en zelfs Orthodontie kunnen vanwege de lage impactfactor niet meer publiceren in de eigen vaktijdschriften. Daarnaast wekken de faculteitsbestuurders sterk de indruk dat zij het schrijven van boeken afraden. Maar wetenschappers kunnen studenten, en tandartsen of mondhygiënisten juist in een boek een aantal nieuwe inzichten tonen die nuttig zijn voor de praktijkvoering. Hoewel door universitaire onderzoekers wel degelijk nascholing wordt gegeven, moeten de volgers van dat onderwijs daar toch flink voor betalen. Met andere woorden: ook tandheelkundige onderzoekers lijken, misschien wel noodgedwongen, weinig maatschappelijk gericht te zijn, hetgeen toch een van de kerntaken van de universiteit is. Mogelijk kunnen de hier geschetste ontwikkelingen ook bestuurders van de tandheelkundige faculteiten aan het denken zetten.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.