Middeleeuwse tandheelkunde in de Lage Landen 11. “Dat cacabeen uter stede” en het “wijf van Poperingen”

Open PDF (84.40 KB)

In de middeleeuwen was het gebruikelijk teksten van elkaar over te schrijven, soms wel maar meestal zonder eigen commentaar. Het klakkeloos overschrijven van voorgangers door de middeleeuwse medici kon daarmee leidden dus tot een zeer gevaarlijk advies, bijvoorbeeld over de behandeling van een ontwrichte onderkaak.
Overigens ergerde Jan Yperman zich aan wat hij beschouwde als beunhazen op medisch gebied en ook blijken kwesties rond de honorering van alle tijden te zijn.

In de middeleeuwen was het gebruikelijk teksten van elkaar over te schrijven, soms met maar meestal zonder eigen commentaar. Dat blijkt onder meer uit wat - de overigens zeer verstandige - meester Lanfranc schreef over de behandeling van een ontwrichte onderkaak. Als de mandibula door een ongeval naar voren was geluxeerd, luidde het advies aldus. Eerst moest er een doek om de kin worden gelegd. Daarna moest een sterke man met de knieën op de schouders op de patiënt gaan zitten en de kaak met kracht naar boven trekken. De meester moest ondertussen een stok in de mond van de patiënt steken en de kaak vervolgens achterwaarts duwen. Of een dergelijke behandeling toen zinvol was vermeldt de geschiedenis niet, maar dat lijkt onwaarschijnlijk. Want de openstaande mond met zoveel kracht dichttrekken kan toch alleen maar tot een ernstige beschadiging van het kaakkopje en de ligamenten leiden. Lanfranc had deze behandelmethode niet zelf bedacht. Al 60 jaar eerder, in het jaar 1230, was deze beschreven door Rolando da Parma (afb.). Guy de Chauliac gaf al een beter advies: trek met een doek de kin niet naar boven, maar naar achteren en manipuleer tegelijkertijd met een stok in de mond. De nuchtere Scellinck kwam het dichtst bij de nu gebruikelijke methode: trek met beide handen “de kinneback lichteliic uutwaert totdat si (de tanden) voeghen weder te gader”. Daarna was het wel wenselijk de onderkaak op zijn plaats te houden. Dat gebeurde met een doek om het hoofd en de patiënt kreeg het advies ­alleen soep te eten.

Afb. Repositie van een geluxeerde onderkaak volgens Rolando de Parma. (Bron: ©MIBACT Biblioteca Casanatense, Rome; uit ‘Chirurgia’ van Rolando de Parma, manuscript 1382 fol. 19).

Het klakkeloos overschrijven van zijn voorgangers door Lanfranc leidde dus tot een zeer gevaarlijk advies van zijn kant. Gelukkig meenden wel alle schrijvers dat een geluxeerde onderkaak zo snel mogelijk moest worden gereponeerd. Als de onderkaak te lang geluxeerd bleef, raakten de gewrichtsbanden teveel uitgerekt en dat leidde tot vervelende complicaties (“quade accedencien”) die zelfs de dood als gevolg konden hebben. Opvallend is dat Lanfranc ook grote aandacht besteedde aan de luxatie van de mandibula achterwaarts. Als dat al kan gebeuren, bijvoorbeeld door een harde klap op de kin, dan zal toch eerst het kaakkopje afbreken. Misschien kwamen dergelijke grove voorachterwaarts gerichte traumata in de middeleeuwse veldslagen vaker voor dan in latere eeuwen.

Tot besluit van deze serie een paar algemene lessen voor de praktijk van toen door Jan Yperman. Hij ergerde zich bovenmate aan wat hij beschouwde als beunhazen op medisch gebied. Zo was daar ene Ancelmus in Genève die alles met hetzelfde indifferente smeerseltje behandelde. Er stierven meer patiënten bij hem dan hij genas, maar toch werd hij zeer geprezen. Willem van Zierikzee maakte het ook bar. Want hij genas iedereen met een mengsel van roet, zwijnenvet en kopergroen en weigerde wonden te hechten. Desondanks werd hij beroemd. Het ergste was wel Lise Pauwelsdochter, het “wijf van Poperingen”, die alles genas met alleen bladeren van rode kool. Ook daar gingen velen aan dood, maar zij werd “meer geprezen dan goede knappe meester chirurgijns”. Misschien was hier wel enige ‘jalousie de métier’ in het spel, want Poperinge ligt vlak bij Ieper, waar Jan Yperman praktiseerde. Hij besluit zijn ­woede-uitbarsting met op te merken dat men zich niet moest verwonderen dat sommige goede meesters toch niet befaamd waren. Want de mate waarin men beroemd werd, was volgens hem een kwestie van geluk en berustte niet op rechtvaardigheid en rede. Wellicht ook thans een goede les van deze oude geneesheer. Want leven wij niet in een tijd waarin zo langzamerhand iedereen op het internet zijn al dan niet gefundeerde oordeel kan geven over medici en ziekenhuizen?

Tot slot, ook kwesties rond honorering zijn van alle tijden. Yperman eindigde zijn gedragscode voor medici met de opmerking: “vanden rike nemt wel uwen salarijs. Enten armen dient vriendelike om gode, die U de macht verleent”. Waarschijnlijk had hij dit overgenomen van zijn leermeester Lanfranc die eerder al schreef: “Ende hy sal helpen den armen na sijnre macht, ende hy en sal hem niet scamen van den riken to nemen gueden loen”. Men hoefde zich dus niet te generen om de welgestelden een forse rekening te sturen.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Bron: Chirurgia’ van Rolando de Parma, manuscript 1382 fol. 19.
Bron: Chirurgia’ van Rolando de Parma, manuscript 1382 fol. 19.
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd december 2015; 122: 661
rubriek
Geschiedenis en tandheelkunde
serie
Middeleeuwse tandheelkunde in de Lage Landen
Bronnen
  • E.J. Jonkman, M.A.J. Eijkman
  • Datum van acceptatie: 17 november 2014
  • Adres: em. prof. dr. E.J. Jonkman, Raaphorstlaan 11d, 2245 BG Wassenaar
  • joostjonkman@casema.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd