Persisterende dentoalveolaire pijn (PDAP)

View the english summary Open PDF (3.50 MB)

Pijn in het dentoalveolaire gebied is een veelvoorkomend verschijnsel. Meestal betreft het acute pijn, waarvoor snel de juiste behandeling kan worden toegepast. Bij bepaalde vormen van persisterende pijn in dit gebied is de etiologie echter moeilijk te achterhalen. In het verleden bestond er verwarring over de diagnose en classificatie van deze vorm van persisterende pijn, die veelal met verschillende benamingen werd aangeduid, zoals atypische odontalgie, fantoompijn of deafferentiatiepijn. Enkele jaren geleden is er daarom gestart met de ontwikkeling van een classificatiesysteem van dergelijke aandoeningen en is er de volgende naam aan gegeven: persisterende dentoalveolaire pijn. Met deze nieuwe benaming is de eerste stap gezet om tot verbetering te komen van de taxonomie en zijn 3 diagnostische criteria opgesteld die leiden tot vorderingen op het gebied van klinisch onderzoek en behandeling.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel kent u:
- de problematiek die bestaat rond de diagnostiek van ­persisterende dentoalveolaire pijn (PDAP);
- de meest recente definitie van PDAP;
- de behandelingsmogelijkheden van PDAP.

Wat weten we?
De diagnose en behandeling van persisterende pijnklachten in het dentoalveolaire gebied bij een kleine patiëntengroep is onduidelijk, vanwege de onbekende etiologie. Deze onduidelijkheid wordt versterkt door het gebrek aan diagnostische criteria en een classificatiesysteem. Om de verwarring te vergroten worden bovendien verschillende benamingen gebruikt, zoals atypische odontalgie, fantoompijn, deafferentiatiepijn.

Wat is nieuw?
De benaming persisterende dentoalveolaire pijn is in de plaats gekomen van de oude benamingen. Persisterende dentoalveolaire pijn wordt beschouwd als een continue neuropathische pijn. Voor de diagnose zijn 3 diagnostische criteria opgesteld.

Praktijktoepassing
Tandartsen kunnen een uitgebreide anamnese en klinisch onderzoek uitvoeren bij een klacht die persisterende dentoalveolaire pijn doet vermoeden. Vanwege het gebrek aan biologische kenmerken zal dit niet tot een diagnose persisterende dentoalveolaire pijn leiden en worden mogelijk andere pijnoorzaken in het onderzoek geëxcludeerd. Voor het stellen van de juiste diagnose is een tijdige verwijzing naar een multidisciplinair team te adviseren.

Inleiding

Volgens de definitie van de International Association for the Study of Pain (IASP) (1994) is pijn “een onaangename, sensorische en emotionele ervaring, die gepaard gaat met feitelijke of potentiële weefselbeschadiging of beschreven wordt in termen van een dergelijke beschadiging". Orofaciale pijn is een frequent verschijnsel en heeft een prevalentie tussen de 13 en 27% (Locker et al, 1987; Lipton et al, 1993; Macfarlane et al, 2002). Orofaciale pijn wordt gedefinieerd als pijn die wordt gevoeld in het aangezicht, dat wil zeggen het gebied van voorhoofd tot aan de kin, inclusief de oren (Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten, 2013). De meest voorkomende oorzaak van deze pijn is odontogeen: 12% van de algemene bevolking rapporteert gedurende het afgelopen half jaar een vorm van dentale pijn (Locker et al, 1987; Lipton et al, 1993; Macfarlane et al, 2002). Bij een klein deel is odontogene pijn persisterend en kan er geen duidelijke etiologie worden gevonden. De algemeen gebruikelijke definitie van persisterende pijn is: pijn die langer aanhoudt dan 3 tot 6 maanden. Een aanvullende beschrijving van persisterende pijn luidt: pijn waarbij de tijd die normaliter nodig is om genezing te bewerkstelligen, is overschreden en de pijnklacht voortduurt.

Het is mogelijk dat persisterende dentoalveolaire pijn een non-odontogene oorzaak heeft. Bij een onjuiste diagnose kan dit leiden tot onnodige tandheelkundige behandelingen, zoals endodontische behandelingen en extracties van gebitselementen, waarbij de pijnklacht voortduurt ­(Lewis et al, 2007). Een van de hoofdredenen voor deze ongunstige situatie is de onduidelijkheid die bestaat omtrent de diagnose en classificatie van persisterende orofaciale pijn in het dentoalveolaire gebied. Bovendien worden verschillende benamingen gebruikt voor dergelijke langdurige pijnklachten, zoals atypische odontalgie, fantoompijn, deafferentiatiepijn en neuropathie van de nervus trigeminus (Melis et al, 2003; Pigg et al, 2011; Pigg et al, 2013). Een groep van internationale experts uit verschillende disciplines is om die reden enige jaren geleden gestart met de ontwikkeling van een classificatiesysteem voor dergelijke aandoeningen (Nixdorf et al, 2012). De experts begonnen met het identificeren van een patiëntengroep met dezelfde klinische kenmerken en symptomen. Nadat identificatie van de patiëntengroep had plaatsgevonden, is aan de aandoening een naam gegeven: ‘persisterende dentoalveolaire pijn’ (PDAP). Deze aandoening wordt gedefinieerd als pijn die persisteert in het dentoalveolaire gebied zonder dat er bewijs is van lokale pathologie (Nixdorf et al, 2012). In dit artikel wordt de huidige stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van een classificatiesysteem van PDAP beschreven. Daarnaast komen de epidemiologie, de etiologie, de specifieke kenmerken, de diagnose, de behandeling en de prognose aan de orde.

Epidemiologie

De prevalentie van PDAP is onduidelijk. In de weinige ter beschikking staande onderzoeken is gebruikgemaakt van populaties die niet representatief zijn voor de gehele bevolking, zoals (derdelijns) universiteitsklinieken en endodontologieverwijspraktijken (tab. 1) (Marbach et al, 1982; Pöllmann, 1993; Jacobs et al, 2002; Polycarpou et al, 2005; Ram et al, 2009). In deze onderzoeken worden nog de oude benamingen gebruikt, zoals fantoompijn, atypische odontalgie en chronische neuropathische pijn. In het onderzoek van Pöllmann (1993) is sprake van een benadering van een representatieve patiëntenpopulatie, waarbij echter alleen onderzoek werd gedaan bij patiënten met ontbrekende gebitselementen. In de onderzoeken van Marbach et al (1982), Jacobs et al (2002), Polycarpou et al (2005) werden patiënten gevolgd bij wie persisterende pijn optrad rond endodontische behandelingen. Uit het onderzoek van Ram et al (2009) bleek verder dat PDAP voornamelijk voorkomt bij vrouwen in de verhouding van 2:1 ten opzichte van mannen. De gemiddelde leeftijd waarop PDAP in dit onderzoek optrad, lag rond de 55 jaar. Ten tijde van het onderzoek had deze patiëntengroep gemiddeld 1,7 hulpverleners geconsulteerd. In de meeste gevallen (72%) werd een tandarts als eerste geraadpleegd. Daarnaast vonden consultaties plaats bij onder andere endodontologen, gnathologen, neurologen, mka-chirurgen en kno-artsen. In 80% van de gevallen had een tandheelkundige ingreep plaatsgevonden zonder pijnverlichting, vooral endodontische behandeling, chirurgische apicale endodontische behandeling, extractie, endodontische herbehandeling, herhaalde vervanging van de restauratie of een combinatie van deze behandelingen. De gemiddelde tijdsduur van de pijn bedroeg ten tijde van dit onderzoek 33 maanden.

Alle genoemde onderzoeken hebben beperkingen. Belangrijke gegevens ontbreken, zoals baseline pijnstatus, duur van de symptomen en tandheelkundige diagnoses. Ook treedt vaak een significant verlies aan follow-up op. Verder is niet vast te stellen of de oorzaak van de persisterende pijn na de endodontische behandeling is ontstaan of dat de pijn reeds vóór de endodontische behandeling aanwezig was en de endodontische diagnose mogelijk niet juist was gesteld.

Auteur Titel onderzoek Jaar Aantal patiënten Soort onderzoek Follow-up rate (%) Respondent Casus ­gediagnosticeerd met PDAP Prevalentie PDAP (%) Klinische setting
Marbach et al Fantoompijn na endodontische behandeling 1982 732 casecontrol 63 256 vrouwen, mannen te kleine groep 8 3,2 van de vrouwen 5 endodontische praktijken
Pöllmann Fantoompijn na extractie 1993 3.126 cross-section 100 2.620 25 0,8 sollicitanten ­ziekenhuis
Jacobs et al Fantoompijn na extractie of endodontische behandeling 2002 500 casecontrol 35 176 8 2,2 universiteitskliniek
Polycarpou et al Persisterende pijn na succesvolle endodontische behandeling 2005 400 casecontrol 44 175 21 12 derdelijns verwijs­praktijk universiteitskliniek
Ram et al Atypische odontalgie 2009 3.000 casecontrol 100 n.v.t. 64 2,1 universiteitskliniek

Tabel 1. Overzicht van onderzoeken waarbij de prevalentie van PDAP klinisch is gediagnosticeerd.

Etiologie

De onderliggende pathofysiologische mechanismen van PDAP zijn grotendeels onbekend. De meeste experts beschouwen PDAP als continue neuropathische pijn. De definitie van neuropathische pijn is opgesteld door een groep experts van de IASP en die luidt: pijn die ontstaat als direct gevolg van een laesie of ziekte van het somatosensorische systeem (Treede et al, 2008). Bij de betrokken pijnlijke structuren is geen pathologie vast te stellen. Uit onderzoek blijkt dat de pijnklacht vaak start met intense, acute pijn, waarbij de behandeling bestaat uit een deafferentiatie-ingreep, zoals een vitaalextirpatie of een extractie (Durham et al, 2013). Verder blijkt uit dit onderzoek dat patiënten die extracties hadden ondergaan in een pijnlijk gebied vaak na het plaatsen van implantaten dezelfde pijn ervoeren of zelfs een verergering daarvan rapporteerden. In het eerder genoemde onderzoek van Ram et al (2009) gaf de meerderheid (64%) van de patiënten echter aan dat er geen tandheelkundige behandeling vooraf ging aan het begin van de pijn.

Naast een mogelijke neuropathische oorsprong van de pijn is onderzoek gedaan naar onderliggende psychosociale factoren die kunnen bijdragen tot de pijn of deze zelfs veroorzaken. Uit het ter beschikking staande onderzoek kan echter geen eensluidende conclusie worden getrokken. Het onderzoek van Jacobs et al (2002) gaf aan dat er nauwelijks verschil bestaat in psychosociale status bij patiënten met fantoompijn vergeleken met een pijnvrije controlegroep. In het onderzoek van List et al (2007) bleken patiënten met atypische odontalgie echter significant hoger te scoren op het gebied van depressie en somatisatie dan een pijnvrije controlegroep.

Kenmerken

Pijnrapportage kan behulpzaam zijn om tot de diagnose PDAP te komen. Durham et al (2013) interviewden 20 patiënten door middel van semigestructureerde vragenlijsten en stelden de patiënten tevens in de gelegenheid in eigen woorden over de pijn te rapporteren. Uit deze interviews bleken 10 kenmerken karakteristiek te zijn voor PDAP (tab. 2). Op basis van deze kenmerken kan PDAP worden gekarakteriseerd als een diepe, continue, doffe en drukkende pijn, die toeneemt bij atmosferische drukverschillen en goed te lokaliseren is in het dentoalveolaire gebied. De pijn voelt anders dan eventueel eerder ervaren kiespijn en omschrijvingen als jeukend, tintelend en prikkend helpen mee om de pijn te karakteriseren. De deelnemers aan het onderzoek gaven aan dat het onder woorden brengen van hun pijnervaring vaak moeilijk was. Ze waren bezorgd dat hun antwoorden op de gestelde vragen niet toereikend waren en mogelijk zelfs verkeerd. Bij het nemen van voldoende tijd en door middel van doorvragen hadden de deelnemers toch het gevoel dat ze de pijn adequaat konden omschrijven. Deze semigestructureerde interviewmethode is nog in ontwikkeling en kan ertoe leiden dat op den duur een PDAP-specifiek instrument beschikbaar komt dat bijdraagt aan de diagnostiek. Uiteraard dient dit instrument betrouwbaar te zijn en voldoende diagnostische sensitiviteit en specificiteit te hebben. Daarbij dient men zich te realiseren dat sommige van de omschrijvingen uit tabel 2 een overlap vertonen met andere vormen van chronische orofaciale pijn, waardoor de diagnose van PDAP wordt bemoeilijkt.

1. De pijn is altijd aanwezig.
2. De pijn is meestal dof van karakter.
3. De pijn neemt soms toe en zakt dan weer naar het gebruikelijke niveau.
4. De pijn neemt toe bij veranderingen in de atmosferische druk: duiken, vliegen.
5. De pijn is goed te lokaliseren: het betreft een bepaald gebitselement of gebied in de mond.
6. De pijn wordt ervaren als een diepe pijn binnen het gebitselement of kaakbot.
7. De pijn wordt ervaren als een soort druk in het gebitselement of kaakbot.
8. De pijn is voor patiënten moeilijk te omschrijven aan anderen.
9. Woorden als jeukend, tintelend en prikkend helpen mee om de pijn te omschrijven.
10. De pijn voelt anders dan eventueel eerder ervaren tandpijn.

Tabel 2. Kwalitatieve kenmerken die behulpzaam kunnen zijn bij de diagnose van PDAP (Durham et al, 2013).

Diagnose

Voor het stellen van de diagnose van PDAP heeft Nixdorf (2012) een aantal diagnostische criteria opgesteld. Deze criteria zijn gebaseerd op ‘expert opinion’ en dienen als een eerste stap voor de verdere ontwikkeling van een samenhangende taxonomie op het gebied van persisterende orofaciale pijn. De diagnostische criteria voor PDAP uit het onderzoek van Nixon (2012) luiden als volgt:

  1. Persisterende pijn (volgens de definitie van de IASP), die minstens 8 uur per dag aanwezig is, gedurende minstens 15 dagen per maand, gedurende minstens 3 maanden.
  2. De pijn wordt ervaren in een duidelijk omschreven deel van het dentoalveolaire gebied.
  3. De pijn wordt niet veroorzaakt door een bepaalde ziekte of aandoening.

Gezien de afwezigheid van duidelijke biologische kenmerken zijn er verschillende benaderingen noodzakelijk om tot de diagnose PDAP (met de hierboven genoemde diagnostische criteria) te komen: ten eerste een uitgebreide anamnese, waarbij de omschrijvingen van de pijn uit tabel 2 naar voren zouden moeten komen, en ten tweede een klinisch onderzoek, waarbij diverse diagnostische testen niet tot een diagnose leiden. Het klinisch onderzoek betreft niet alleen het uitsluiten van lokale en nabijgelegen odontogene pathologie, maar ook het uitsluiten van gerefereerde pijn van de sinus maxillaris, de kauwspieren en het kaakgewricht, het hart, de bloedvaten en de hersenen (Wright, 2000; Yoon et al, 2001; Hellman, 2002; Uehara et al, 2007; Kreiner et al, 2010). Ook hoofdpijnen dienen als mogelijke pijnbron te worden uitgesloten (Alonso et al, 2006).

De odontogene provocatietesten, zoals de warmte- en koudetesten vertonen echter een beperkte validiteit, wat makkelijk tot een vals-positief of -negatief resultaat leidt (Hyman et al, 1984; Tidwell et al, 1999). Ook voor het conventionele röntgenonderzoek geldt dat de diagnostische waarde beperkt is, gezien de lage sensitiviteit van röntgenopnamen. Sommige onderzoekers pleiten er om die reden voor om driedimensionaal röntgenonderzoek (cone beam-computertomografie) te betrekken bij de vaststelling van lokale botlaesies (Pigg et al, 2011). Bij het uitgebreide functieonderzoek wordt door middel van gevalideerde testen een myogene en/of artrogene oorsprong van de pijn uitgesloten (Naeije et al, 2000). Voor de exclusie van mogelijke andere pijnoorzaken, het stellen van de juiste diagnose en het in kaart brengen van de potentiële psychosociale aspecten van de pijn is een multidisciplinaire benadering raadzaam, waarbij hulp van een endodontoloog, een gnatholoog, een mka-chirurg, een huisarts, een neuroloog, een kno-arts en/of een psycholoog kan worden ingeroepen.

Proefanesthesie

Als diagnostisch middel wordt soms proefanesthesie toegepast. Indien de pijn een odontogene oorsprong heeft, zal proefanesthesie de pijn doen verdwijnen. Bij PDAP, waarbij wordt aangenomen dat de pijn van neuropathische oorsprong is, blijkt de reactie op de proefanesthesie niet eenduidig. De proefanesthesie geeft een pijnreductie van 50% of meer bij slechts 54% van de patiënten (List et al, 2006). Als diagnostisch middel geeft proefanesthesie bij PDAP dus slechts beperkte informatie. Verder kan uit deze observatie worden geconcludeerd dat de spontane pijn bij PDAP niet alleen afhankelijk is van de perifere afferente input (de locatie waar de selectieve anesthesie is toegepast), maar dat de oorzaak van de pijn (mede) wordt verklaard door meer centraal gelegen afferente input.

Somatosensorische testen

Voor de diagnose van patiënten met persisterende orofaciale pijn is het van belang om de somatosensorische functie te testen, omdat neuropathische pijn vaak wordt gekarakteriseerd door somatosensorische storingen in het aangedane gebied. Bij deze intraorale kwalitatieve somatosensorische testen worden door middel van stimuli, zoals aanraking met een wattenrol, koude met een spatel en een prik met een sonde, de pijnlijke zijde vergeleken met de niet-pijnlijke zijde op reacties als hypersensitiviteit (verhoogde response op een prikkel), hyposensitiviteit (verlaagde respons op een prikkel) en gewone sensibiliteit (Svensson et al, 2012). Het blijkt dat deze testen voldoende betrouwbaarheid vertonen voor een eerste screening op sensorische storingen, waarbij PDAP-patiënten vaker dan individuen zonder PDAP hypersensitiviteit vertonen aan de pijnlijke zijde vergeleken met de niet-pijnlijke zijde (Baad-Hansen et al, 2013). Deze eenvoudige somatosensorische testen zijn goed door tandartsen algemeen-practici uit te voeren en kunnen behulpzaam zijn bij het besluit de patiënt te verwijzen naar een multidisciplinair behandelteam.

Voorbeeld van pijnimplusen vanuit het orofaciale gebied, die via een primaire afferente zenuw en een tweede ordeneuron worden voortgeleid naar de thalamus en van daaruit naar de cortex voor interpretatie van de prikkel.

Behandeling

Uit het voorgaande blijkt dat de diagnose van PDAP niet eenduidig is, mede gezien het feit dat er verschillende weefsels bij betrokken zijn en er mogelijk interactie bestaat met psychosociale factoren. Het is bekend dat de betekenis van psychosociale factoren toeneemt naarmate de pijnklacht voortduurt. Uit onderzoek blijkt dat PDAP invloed heeft op alledaagse activiteiten, zoals werk en sociale relaties. Het continue karakter van de pijn kan verder tot uitputting en depressieve klachten leiden (Durham et al, 2014). Net zoals bij andere chronische pijnvormen zijn experts van mening dat er een multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is bij de behandeling van PDAP (Israel et al, 2000; Madland et al, 2001; Baad-Hansen et al, 2008).

Twee recente literatuuroverzichten toonden aan dat er tot op heden onvoldoende gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken bestaan voor de behandeling van PDAP (Martin et al, 2011; Martin et al, 2012). Over het gebruik van medicatie bestaat geen consensus en voor de effectiviteit daarvan bestaat slechts beperkt bewijs. De conclusie was dat op beschikbaar bewijs van andere neuropathische aandoeningen, centraal werkende medicijnen, zoals tricyclische antidepressiva (TCA’s) en anticonvulsiva (bijvoorbeeld gabapentine), de eerste keus lijken bij de behandeling van PDAP (Lewis et al, 2007). Casusbeschrijvingen suggereren verder dat sommige patiënten gunstig reageren op het plaatselijk toedienen van pijnmedicatie (bijvoorbeeld stoffen als capsaïcine of een combinatie van carbamazepine 4%, lidocaïne 1% en ketoprofen 4%, of ketamine 4% met gabapentine 4%), al dan niet in combinatie met de centraal werkende pijnmedicatie (Vickers et al, 1998; Heir et al, 2008).

Het gebruik van deze medicatie is niet geheel zonder risico. Diverse auteurs vermelden verschillende bijwerkingen bij het gebruik van TCA’s, zoals misselijkheid, overgeven, seksueel disfunctioneren, overmatig zweten, hoofdpijn, droge mond en constipatie. Tevens worden nog ernstiger nadelige effecten vermeld, zoals cardiovasculaire problematiek en neiging tot zelfmoord (Matia et al, 2002; Sindrup et al, 2005; Lee et al, 2010). Het voorschrijven van deze medicatie dienen tandartsen derhalve over te laten aan leden van het multidisciplinaire team.

Er bestaat onderzoek dat invasieve ingrepen afraadt. Zeker als de eerste tandheelkundige behandeling geen pijnverlichting geeft en er geen sprake is van klinische of radiologische pathologie, dient de behandelaar de neuropathische oorsprong van de pijn, met een mogelijke PDAP-diagnose, onder ogen te zien en terughoudend te zijn met verdere tandheelkundige ingrepen (Allerbring et al, 2004; Ram et al, 2009).

Concluderend kan men stellen dat verder onderzoek duidelijk zal moeten maken wat de meest adequate behandeling voor PDAP is.

Prognose

Voor patiënten met PDAP is het belangrijk te weten hoe groot de kans is dat de pijn op termijn zal verdwijnen en of bepaalde behandelingen effectief zullen zijn. Longitudinale onderzoeken die de ontwikkeling van chronische pijn op langere termijn onderzoeken zijn echter schaars. In het onderzoek van Pigg et al (2013) is een PDAP-patiëntengroep gevolgd over een periode van 7 jaar. Daaruit blijkt dat een derde van de patiëntengroep een duidelijke pijnvermindering heeft ondergaan, maar dat bij de meerderheid van de patiënten de pijn persisteert, onafhankelijk van een eventuele behandeling. De enige voorspellende factor op pijnreductie na 7 jaar bleek een lage pijnintensiteit bij aanvang van het onderzoek te zijn.

Epiloog

In het verleden bestond er veel verwarring over begrippen als atypische odontalgie, fantoompijn, deafferentiatiepijn en neuropathie van de nervus trigeminus. Met de nieuwe benaming en definitie van persisterende dentoalveolaire pijn is een eerste stap gezet naar meer duidelijkheid en daarmee staat de weg open voor verder onderzoek.

Literatuur

• Allerbring M, Haegerstam G. Chronic idiopathic orofacial pain. A long- term follow-up study. Acta Odontol Scand 2004; 62: 66-69.
• Alonso AA, Nixdorf DR. Case series of four different headache types presenting a tooth pain. J Endod 2006; 32: 1110-1113.
Baad-Hansen L. Atypical Odontalgia- pathophysiology and clinical management. J Oral Rehabbil 2008; 35: 1-11.
Baad-Hansen L, Pigg M, Ivanovic SE, et al. Chairside intraoral qualitative somatosensory testing: Reliability and comparision between patients with atypical odontalgia and healthy controls. J Orofac Pain 2013; 27: 165-170.
Durham J, Nixdorf DR. Healthcare pathway and biopsychosocial impact of persistent dentoalveolar pain disorder: a qualitive study. Int Endod J 2014; 47: 1151-1159.
Durham J, Exley CE, John MT, Nixdorf DR. Persistent dentoalveolar pain: the patient’s experience. J Orofac Pain 2013; 27: 6-13.
Heir G, Karolchek S, Kalladka M, et al. Use of topical medication in orofacial neuropathic pain. A retrospective study. Oral Surg Oral Med Oral Path Oral Radiol and Endod 2008; 105: 466-469.
Hellman DB. Temporal arteritis: a cough, toothache and tongue infarction. JAMA 23002; 287: 2996- 3000.
Hyman JJ, Cohen ME. The predictive value of endodontic diagnostic tests. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1984; 58: 343-346.
International Association for the Study of Pain. IASP Taxonomy. http://www.iasp-pain.org/Education/Content.aspx?ItemNumber=1698&&navItemNumber=576. Geraadpleegd op 3-11-2014.
• Israel HA, Scrivani SJ. The interdisciplinary approach to oral, facial and head pain. J Am Dent Assoc 2000; 131: 919-926.
Jacobs R, Wu CH, Goossens K, et al. A case-control study on the psychophysical and psychological characteristics of the phantom tooth phenomen. Clin Oral Investig 2002; 6: 58-64.
Kreiner M, Falace D, Michelis V, Okeson JP, Isberg A. Quality difference in craniofacial pain of cardiac vs. dental origen. J Dent Res 2010; 89: 965-969.
Lee YC, Chen PP. A review of SSRIs and SNRIs in neuropathic pain. Expert Opin Pharmacother 2010; 11: 2813-2825.
Lewis MAO, Sankar V, Laat A de, Benoliel R. Management of neuropathic orofacial pain. Oral Surg Oral Med Oral Path Oral Rad Endod 2007; 103 (suppl 1); S32:e1-24.
Lipton J, Ship JA, Larach-Robinson D. Estimated prevalence and distribution of reported orofacial pain in the United States. J Am Dent Assoc 1993; 124: 115-121.
List T, Leijon G, Helkimo M, Oster A, Svensson P. Effect of local anesthesia on atypical odontalgia-A randomized controlled trial. Pain 2006; 122: 306-314.
Locker D, Gruhka M. Prevalence of oral and facial pain and discomfort: preliminary results of a mail survey. Community Dent Oral Epidemiol 1987; 15: 169-172.
Macfarlane TV, Blinkhorn AS, Davies RM, Kincey J, Worthington HV. Oro-facial pain in the community: prevalence and associated impact. Community Dent Oral Epidemiology 2002; 30: 52-60.
Madland G, Feinman C. Chronic facial pain: a multidisciplinary ­problem. J Neural Neurosurg Psychiatry 2001; 71: 716-719.
Marbach JJ, Hullbrock J, Hohn C, Segal AG. Incidence of phantom tooth pain: An atypical facial neuralgia. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1982; 53: 190-193.
Martin WJJM, Forounzanfar T. The efficacy of anticonsulvants on orofacial pain. A systematic review. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2011; 111: 627-633.
Martin WJJM, Perez RSGM, Tuinzing DB, Forounzanfar T. The efficacy of antdepressants on orofacial pain. A systematic Review. Int J Oral Maxillofac Surg 2012; 41: 1532-1539.
Mattia C, Paoletti F, Coluzzi F, Boanelli A. New antidepressants in the treatment of neuropathic pain. A review. Minerva Anestesiol 2002; 68: 105-114.
Melis M, Lobo SL, Ceneviz C, et al. Atypical odontalgia: a review of the literature. Headache 2003; 43: 1060-1074.
Naeije M, Lobbezoo F, Loon LA van, et al. Behandelingsprotocol voor craniomandibulaire dysfunctie 1. Diagnostiek. Ned Tijdschr Tandheelk 2000; 107: 368-374.
Nixdorf DR, Drangsholt MT, Ettlin DA, et al. Classifying orofacial pains: a new proposal of taxonomy based on ontology. J of Oral Rehab 2012; 39: 161-169.
Nixdorf DR, Moana- Filho EJ, Law AS, Mc Guire LA, Hodges JS, John MT. Frequency of persistent tooth pain after root canal therapy: A systematic review and meta-analysis. J Endod 2010; 36: 224-230.
Nixdorf DR, Moana-Filho EJ. Persistent dento-alveolar pain disorder (PDAP): Working towards a better understanding. Reviews in Pain 2011; 5: 18-27.
Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten. Multidisciplinaire richtlijn Chronische aangezichtspijn. Amersfoort: Nederlandse Vereniging van Hoofdpijnpatiënten, 2013.
Pigg M, List T, Petersson K, Lindh C, Petersson A. Diagnostic yield of conventional radiograph and cone-beam computed tomographic images in patients with atypical odontalgia. Int Endod J 2011; 44: 1092-1101.
Pigg M, Svensson P, Drangsholt M, List T. Seven-year follow-up of ­Patients diagnosed with atypical odontalgia: a prospective study. J Orofac Pain 2013; 27: 151-164.
Polycarpou N, Ng YL, Canavan D, Moles DR, Gulabivala K. Prevalence of persistent pain after endodontic treatment and factors affecting its occurrence in cases with complete radiographic healing. Int Endod J 2005; 35: 169-178.
Pöllmann L. Determining factors of the phantom tooth. NY State Dent J 1993; 59: 42-45.
Pope C, Mays N. Reaching the parts other methods cannot reach: an introduction to qualitative methods in health and health services research. Brit Med J 1995; 311: 42-45.
Ram S, Teruel A, Kumar SKS, Clark G.Clinical characteristics and diagnosis of atypical odontalgia: Implications for dentists. J Am Dent Assoc 2009; 140: 223-228.
Sindrup SH, Otto M, Finnerup NB, Jensen TS. Antidepressants in the treatment of neuropathic pain. Basic Clin Pharmacol Toxicol 2005; 96: 399-409.
Svensson P, Drangsholt M, Pfau DB, List T. Neurosensory testing of orofacial pain in the dental clinic. J Am Dent Assoc 2012; 143: e37-e39.
Tidwell E, Witherspoon DE, Gutmann JL, Vreeland DL, Sweet PM. Thermal sensitivity of endodontically treated teeth. Int Endod J 1999; 32: 138-145.
Treede RD, Jensen TS, Campbell JN, Grucco G, et al. Neuropathic pain. Redefinition and a grading system for clinical and research purposes. Neurology 2008; 70: 1630-1635.
Uehara M, Tobita T, Inokuchi T. A case report: Toothache by epidermoid cyst manifested in cerebellopontine angle. J Oral Maxillofac Surg 2007; 65: 560- 561.
Vickers ER, Cousins MJ, Walker S, Chisholm K. Analysis of 50 patients with atypical odontalgia- A preliminary report on pharmacological procedures for diagnosis and treatment. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 1998; 85: 24-32.
Wright EF. Referred craniofacial pain patterns in patients with temporomandibular disorder. J Am Dent Assoc 2000; 131: 1307-1315.
Yoon JH, Chun YC, Park SY, et al. Malignant lymphoma of the maxillary sinus manifesting as a persistent toothache. J Endod 2001; 27: 800- 802.

Verantwoording

De afbeelding is met toesteming overgenomen uit: Stegenga B, Vissink A, Bont LGM de (red). MKA-chirurgie. Handboek voor mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie. Assen: Van Gorcum, 2013. Dit beeld is eerder gepubliceerd in dit tijdschrift: Stegenga B. Diagnostiek en behandeling van orofaciale pijn. Ned Tijdschr Tandheelkd 2000; 107: 464-470.

 

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Voorbeeld van pijnimplusen vanuit het orofaciale gebied.
Voorbeeld van pijnimplusen vanuit het orofaciale gebied.
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd februari 2015; 122: 95-100
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2015.02.14189
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • C.J. Warnsinck, M. Koutris, H. Shemesh, F. Lobbezoo
  • Uit de afdeling Conserverende en Preventieve Tandheelkunde en de afdeling Functieleer en Restauratieve Tandheelkunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)
  • Datum van acceptatie: 20 oktober 2014
  • Adres: C.J. Warnsinck, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • c.warnsinck@acta.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd