Immediaat geplaatste fronttandimplantaten 1. Analyse met conebeamcomputertomografie naar remodellering van de buccale botlamel

View the english summary Open PDF (3.63 MB)

In de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 werd ter vervanging van een maxillaire incisief bij 186 patiënten immediaat een implantaat geplaatst. Aansluitend aan de implantaatplaatsing werd de 2 mm ruimte tussen implantaat en buccale botlamel opgevuld met een botsubstituut. Van 16 geïncludeerde patiënten werd naast een preoperatieve en een direct-postoperatieve conebeamcomputer­tomogram, ook een laat-postoperatief conebeamcomputertomogram vervaardigd. Direct-postoperatief nam de botlameldikte gemiddeld met 1,5 mm toe van 0,9 mm tot 2,4 mm. Gedurende de evaluatieperiode van 1 tot en met 4 jaar nam de buccale botlameldikte af tot gemiddeld 1,8 mm. Verrassend nam de buccale botlamel in hoogte toe met 1,6 mm tot gemiddeld 1,2 mm boven de schouderrand van het implantaat. Hierbij was het cruciaal dat het implantaat zo geplaatst werd dat minimaal 2,0 mm ruimte werd gecreëerd tussen de originele buccale botlamel en het implantaat, en dat deze ruimte opgevuld werd met een botsubstituut.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel kent u:
- het effect van het immediaat plaatsen van een tandimplan­taat in het bovenfront op de postoperatieve dikte en hoogte van de buccale botlamel;
- de procedure van immediaat plaatsen van een implantaat in het bovenfront en de voordelen daarvan.

Wat weten we
Zonder extra maatregelen neemt de buccale lamel na extrac­tie, ongeacht of het implantaat wel of niet immediaat wordt geplaatst, in dikte en in hoogte af.

Wat is nieuw
Met behulp van analyse met conebeamcomputertomografie wordt inzicht verkregen in de postoperatieve botremodellering na immediaat implanteren in het maxillaire front waarbij buccaal van het implantaat een botsubstituut wordt aangebracht.

Praktijktoepassing
Bij het immediaat plaatsen van een implantaat in het maxil­laire front wordt, na het opvullen van de ruimte tussen implantaat en de buccale botlamel met een botsubstituut, een toename van de botlamel, zowel in dikte als hoogte, verkregen.

Inleiding

Hoewel een maxillair gebitselement in het front om meerdere redenen, zoals een mislukte endodontische behandeling, verloren kan gaan, is de meest voorkomende oorzaak een wortelbreuk ten gevolge van een trauma. Tot voor kort werd eerst de resterende wortel verwijderd, waarna een herstelperiode van 6-12 weken in acht werd genomen. Hierna werd een tandwortelimplantaat geplaatst, waarop vervolgens een kroon werd vervaardigd.

Helaas blijkt dat juist in de eerste 12 weken na extractie de tandkas collabeert, waardoor vooral het waardevolle buccale bot verloren gaat (Botticelli et al, 2004; Sanz et al, 2010). Hierdoor wordt het eindresultaat van de implantaatbehandeling, vooral in esthetisch opzicht, onvoorspelbaar.

De laatste jaren werd veel onderzoek verricht naar het effect van het ‘immediaat plaatsen’ van een implantaat, met ander woorden: het plaatsen van een implantaat in dezelfde zitting dat de tandwortel wordt verwijderd. Aan deze aanpak zijn een aantal belangrijke voordelen verbonden. Zo kan aansluitend aan implantaatplaatsing een noodkroon worden geplaatst, waardoor de totale behandeltijd aanzienlijk wordt verkort (Botticelli et al, 2004; Huynh-Ba et al, 2010; Miyamoto en Obama, 2011). Waar de conventionele implantologie doorgaans een behandelperiode van 12 maanden beslaat (Schwartz-Arad en Chaushu, 1997), is met bovengenoemd ‘immediaat protocol’ het plaatsen van de definitieve suprastructuur al na 3 tot 6 maanden mogelijk.

De huidige trend neigt dan ook steeds meer naar het immediaat plaatsen van implantaten, aangezien deze procedure voor het behoud van bot en gingiva gunstiger, meer voorspelbaar en meer succesvol zou zijn (Atieh et al, 2009). De kortere behandeltijd, het lager aantal vereiste ingrepen en het gebruikmaken van de verhoogde osteoblastenactiviteit direct na extractie maakt het immediaat implanteren te prefereren boven de conventionele implantologie (Quirynen et al, 2007).

Om gebruik te maken van de mogelijkheid tot immediaat implanteren dient extra voorzichtig te worden omgegaan met de buccale botlamel tijdens extractie (Nevins et al, 2006). Cruciaal is om aansluitend aan extractie het implantaat voornamelijk in de palatinale alveolewand van de lege tandkas te plaatsen (Becker, 2005; Quirynen et al, 2007; Block et al, 2009). De grootte van de buccale ruimte tussen de originele botlamel en het implantaat dient bij voorkeur minimaal 2,0 mm te zijn (Chen et al, 2007; Cordaro et al, 2009; Huynh-Ba et al, 2010; Cooper et al, 2010; Ferrus et al, 2010).

De huidige consensus is dat immediate implantaatplaatsing geen horizontale en verticale resorptie van de buccale lamel voorkómt, in tegenstelling tot de plaatsing van een botsubstituut (Sanz et al, 2010). Er is echter een gebrek aan röntgenologische data die ondersteuning vormen voor verwerving van kennis over het effect van immediate implantaatplaatsing op de buccale botremodellering (Esposito et al, 2010). In het hier beschreven onderzoek werd een analyse verricht op een reeks conebeamcomputertomogrammen genomen voor, direct aansluitend en 1 jaar na implantaatplaatsing.

Materiaal en methode

In een verwijspraktijk voor implantologie in ’s-Hertogenbosch werden de statussen beoordeeld van alle patiënten bij wie in de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 immediaat een implantaat in het maxillaire front was geïmplanteerd. Alleen enkeltandsvervangingen van een centrale of laterale maxillaire incisief werden geïncludeerd. Daarnaast diende voor elke patiënt naast de preoperatieve en direct-postoperatieve conebeamcomputertomogram (conebeam-CT), ook een laat-postoperatief tomogram aanwezig te zijn. Het preoperatieve conebeam-CT laat het natuurlijke gebitselementin situof de lege alveole zien (afb. 3a). Het direct-postoperatieve con beam-CT werd direct ná het plaatsen van het implantaat vervaardigd om de stand van het implantaat te beoordelen (afb. 3b). Het laat-postoperatieve conebeam-CT werd alleen bij de eerste patiënten (ongeveer 30) gemaakt als extra controle (afb. 3c).

Afb. 3a 
Afb. 3b
Afb. 3c

Afb. 3. a. Preoperatieve conebeam-CT-doorsnede met een extractie-alveole ontstaan na trauma, de buccale lamel is duidelijk waarneembaar. b. Direct-postoperatieve conebeam-CT-doorsnede waarop de buccale botlamel nog visueel te onderscheiden is van het botsubstituut. c. Laat-postoperatieve cone beam-CT-doorsnede waarop de botlamel is ontstaan na incorporatie van de botsubstituutkorrels.

Alle patiënten werden volgens onderstaand standaardprotocol door 1 behandelaar geïmplanteerd. Eerst werd aan de hand van het preoperatieve conebeam-CT een driedimensionale planning gemaakt. Na de atraumatische extractie per elevatorium, dan wel per forceps, werd de alveole geëxcochleerd. Zonder mucoperiostale opklap werd vervolgens met een boor de preparatie uitgevoerd in de palatinale wand van de alveole. Hierbij was de richting van de osteotomie palatinaalwaarts gericht ten opzichte van de oorspronkelijke apex van het natuurlijke gebitselement. Achtereenvolgens werden hiervoor een precisieboor, een twist boor (Ø 2 mm, lengte 10-15 mm) en een twist step boor (Ø 2,4 mm- Ø 4,2 mm, lengte 10-15 mm) gebruikt. Plaatsing van een richtingindicator gaf inzicht in de grootte van de buccale ruimte (afb. 1). Om de buccale ruimte te vullen werd rondom de richtingindicator het botsubstituut aangebracht. Na het uitnemen van de richtingindicator werd via de tunnel in het botsubstituut een implantaat (NobelActive™Internal) geplaatst (afb. 2).

Afb. 1. Caudo-craniaal zicht op de alveole met richtingindicatorin situen de buccale ruimte.
Afb. 2. Caudo-craniaal zicht op de toegang door het botsubstituut tot de osteotomie, die is ontstaan na terugtrekking van de richtingindicator.

Aansluitend werd een tijdelijk voorziening aangebracht, bestaande uit een directe glasvezel-composietbrug of een tijdelijke kroon. Na 3-6 maanden werd de definitieve kroon geplaatst.

Met behulp van een analyse-software (Maxilim® versie 2.3.0.3) werden voor elke patiënt op basis van een ‘voxel-based alignment’ (intermezzo 1), de preoperatieve, direct-postoperatieve en laat-postoperatieve conebeamcomputertomo­grammen gesuperponeerd, waarbij als oriëntatie het verloop van het palatum en de spina nasalis anterior werd aangehouden. Drie sagittale doorsneden werden benoemd: in het midden van het geplaatste implantaat (de mid-buccale doorsnede), alsmede 1 mm mesiaal en 1 mm distaal hiervan. De dikte van de botlamel werd gemeten 1 mm onder het meest coronale punt van de buccale botlamel. Op deze wijze werd de dikte van de buccale lamel gemeten voor implantaatplaatsing, direct erna en 1 jaar na de implantatie. Dit werd herhaald voor de sagittale doorsneden gemaakt 1 mm mesiaal en 1 mm distaal van het midden.

Intermezzo 1. Voxel-based alignment
Om 2 conebeamcomputertomografische scans op elkaar te registreren maakt ‘voxel-based alignment’ gebruik van het verschil in grijswaarden tussen de driedimensionale pixels (voxels). De beste superpositie wordt verkregen door over alle voxels het minimale verschil in grijswaarde te berekenen tussen 2 verschillende scans.

Door de preoperatieve dikte, de direct-postoperatieve dikte en de laat- postoperatieve dikte met elkaar te vergelijken werd het verschil in buccale botlameldikten (ΔD) gemeten. Toetsing werd met een gepaarde t-test uitgevoerd.

In analogie van de botdikte werden ook de hoogte van de botlamel bepaald in het midden van het implantaat, en 1 mm naar mesiaal en 1 mm distaal van het midden. Het verschil in hoogte (∆H) kan worden beschreven door de laat-postoperatieve hoogte te verminderen met de preoperatieve hoogte.

Van alle bepalingen werden het gemiddelde, de standaarddeviatie en spreiding berekend. Onderlinge verschillen werden getoetst met een gepaarde t-test en daarbij werden de betrouwbaarheid, de duplofouten en de structurele meetfout bepaald. Een intrabeoordelaars- en interbeoordelaarscontrole werd verricht op basis van herhaling van alle metingen in 4 casussen.

Resultaten

In de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 werden ter vervanging van de centrale of laterale maxillaire incisief 186 patiënten immediaat geïmplanteerd. Op basis van het criterium dat naast de preoperatieve en de direct-postoperatieve, ook een laat-postoperatief conebeam-CT aanwezig diende te zijn, bleven 16 patiënten (4 mannen; 12 vrouwen) voor onderzoek beschikbaar. Hun leeftijd varieerde van 17 tot en met 72 jaar met een gemiddelde leeftijd van 44 jaar. De tijdspanne tussen implantaatplaatsing en de vervaardiging van het laat-postoperatieve conebeam-CT betrof 43 tot 202 weken, met een gemiddelde van 103 weken (sd 44) na implantaatplaatsing.

Van de 16 geplaatste implantaten bevonden zich 2 op positie 11, 4 op positie 21, 8 op positie 12 en 2 op positie 22. Bij 9 patiënten was ‘persisterende periapicale pathologie’ de reden tot extractie. Bij 4 patiënten was sprake van een kroon- of wortelfractuur en 3 patiënten bleken een vers aan trauma gerelateerde avulsie te hebben.

Er werden NobelActive™ Internal implantaten geplaatst: 1 maal Ø 3,0 mm x lengte 13,0 mm; 4 maal Ø 3,5 mm x lengte 13,0 mm; 6 maal 3,5 Ø x lengte 15,0 mm; en 5 maal Ø 4,3 mm x lengte 15,0 mm. Op 1 patiënt na werd als botsubstituut Geistlich Bio-Oss® met een korrelgrootte variërend tussen 0,25-1,0 mm toegepast. De torque bij immediate plaatsing varieerde tussen 40 tot 110 Ncm met een gemiddelde van 65 Ncm.

De resultaten ten aanzien van de betrouwbaarheid van de intrabeoordelaarsmeetfout worden weergegeven in tabel 1. Ter plaatse van de sagittale doorsnede, 1 millimeter meer naar distaal, toonde de diktemeting een structurele meetfout (-0,033), die bij toetsing statistisch significant (p = 0,013) bleek.

  Betrouwbaarheid Duplofout Verschil p 95% BI
Dikte mid-buccaal 0,992 0,062 -0,067 0,220 [-0,023….0,090]
Dikte mesiaal 0,984 0,106 -0,033 0,457 [-0,129….0,062]
Dikte distaal 0,995 0,055 -0,033 0,013* [-0,116…-0,017]
Hoogte mid-buccaal 0,965 0,160 -0,025 0,763 [-0,213….0,163]
Hoogte mesiaal 0,983 0,118 -0,075 0,244 [-0,215….0,065]
Hoogte distaal 0,839 0,262 0,050 0,714 [-0,260….0,360]

Tabel 1. Overzicht van betrouwbaarheid, duplofout en structurele meetfout (met significantie bij p < 0,05 (zie*) en 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) bij de controle op de intrabeoordelaarsfout tijdens dikte- en hoogtebepalingen op de conebeamcomputertomogrammen.

De resultaten ten aanzien van de betrouwbaarheid van de interbeoordelaarsmeetfout worden weergegeven in tabel 2. Bij de diktemeting ter plaatse van de sagittale doorsnede,1 mm meer maar mesiaal, was sprake van een structurele meetfout van 0,183 met een significantie van p = 0,006). Ook de hoogtemeting ter plaatse van deze mesiale doorsnede gaf een significante meetfout te zien (0,338; p = 0,026).

  Betrouwbaarheid Duplofout Verschil p 95% CI
Dikte mid-buccaal 0,907 0,206 -0,042 0,629 [-0,226…0,143]
Dikte mesiaal 0,974 0,131 0,183 0,006* [ 0,066…0,301]
Dikte distaal 0,833 0,288 0,067 0,582 [-0,192…0,326]
Hoogte mid-buccaal 0,980 0,158 -0,087 0,304 [-0,274…0,099]
Hoogte mesiaal 0,918 0,239 0,338 0,026* [ 0,055…0,620]
Hoogte distaal 0,931 0,354 0,400 0,059 [-0,019…0,819]

Tabel 2. Overzicht van betrouwbaarheid, duplofout en structurele meetfout (met significantie bij p < 0,05 (zie*) en 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) bij de controle op de interbeoordelaarsfout tijdens dikte- en hoogtebepalingen op de conebeamcomputertomogrammen.

De gemiddelde gemeten dikten in de mid-buccale, mesiale en distale doorsnede voor de 3 meetmomenten (pre-,direct post- en laat-postoperatief) worden vermeld in tabel 3 en afbeelding 4. De waargenomen toename en afname van de buccale lameldikte (vermelde als ΔD in tab. 3) waren bij toetsing statistisch significant (p < 0,001) op alle gemeten doorsneden.

  Gemiddelde SD Minimum Maximum
Preoperatieve dikte buccale botlamel        
Mid-buccaal 0,925 0,315 0,5 1,6
Mesiaal 0,956 0,337 0,5 1,5
Distaal 0,869 0,334 0,4 1,5
Direct-postoperatieve dikte buccale botlamel        
Mid-buccaal 2,406 0,338 2,0 3,2
Mesiaal 2,506 0,567 1,5 3,7
Distaal 2,400 0,403 1,4 2,9
Laat-postoperatieve dikte buccale botlamel        
Mid-buccaal 1,844 0,501 0,9 2,4
Mesiaal 2,044 0,562 1,1 3,3
Distaal 1,700 0,440 1,0 2,5
∆D laat-postoperatieve versus preoperatieve dikte buccale botlamel        
Mid-buccaal 0,919 0,489 -0,1 1,7
Mesiaal 1,088 0,600 0,0 2,7
Distaal 0,775 0,581 -0,5 1,9
∆D laat-postoperatieve versus direct-postoperatieve dikte buccale botlamel        
Mid-buccaal -0,550 0,447 -1,3 0,2
Mesiaal -0,463 0,626 -1,4 0,9
Distaal -0,675 0,445 -1,6 0,2
Preoperatieve hoogte buccale botlamel        
Mid-buccaal -0,544 1,405 -3,2 1,1
Mesiaal 0,238 1,080 -1,7 1,9
Distaal -0,400 1,526 -4,4 1,7
Laat-postoperatieve hoogte buccale botlamel        
Mid-buccaal 1,100 0,547 0,4 1,9
Mesiaal 1,225 0,620 0,4 2,6
Distaal 1,163 0,320 0,4 1,8
H laat-postoperatieve versus preoperatieve hoogte buccale botlamel        
Mid-buccaal 1,644 1,160 0,4 4,4
Mesiaal 1,063 0,879 -1,1 2,7
Distaal 1,638 1,467 -0,3 5,4

Tabel 3. Overzicht van gemiddelde, standaarddeviatie (SD) en spreiding bij röntgenmetingen (n = 16), metingen in millimeters.

Afb. 4. Grafische weergave in millimeters van de gemiddelde dikte van de buccale botlamel weergegeven in blauwe lijnen voor de 3 verschillende doorsneden op de3 verschillende meetmomenten (n = 16).

De gemiddelde gemeten hoogten in de mid-buccale, mesiale en distale doorsnede voor de 2 meetmomenten pre- en laat-postoperatief staan met bijbehorende standaarddeviaties vermeld in tabel 3 en afbeelding 5. De waarge­nomen toename in hoogte (de 3 vermelde ΔH waarden in tabel 3) waren bij toetsing statistisch significant (p < 0,001) op alle gemeten doorsneden.

Afb. 5. Grafische weergave in millimeters van de gemiddelde hoogte van de buccale botlamel weergegeven in groene lijnen voor de 3 verschillende doorsneden op de2 verschillende meetmomenten (n = 16) . De 0 mm lijn representeert de schouderrand van het implantaat.

Zowel in dikte (ΔD) als in hoogte (ΔH) werden geen verschillen gemeten in de sagittale doorsnede gemaakt door het midden, 1 mm naar mesiaal en 1 millimeter naar distaal.

Discussie

In alle 16 casussen werd een exact gedocumenteerd, ­geprotocolleerde wijze van verslaglegging gehanteerd. Dit vormt in het onderzoek een meerwaarde.

Berekening van de intrabeoordelaarsvariatie tijdens de dikte- en hoogtebepalingen op de 3 sagittale doorsneden (tab. 1) liet zien dat ter plaatse van de distale doorsnede de diktemeting een structurele meetfout (-0,033) vertoonde, die bij toetsing statistisch significant (p = 0,013) bleek. De maximale omvang van de structurele fout bedraagt echter slechts 0,116 mm en is daarmee zo klein dat de gemeten waarden bruikbaar blijven. De grootste duplofout was 0,26 en werd gemeten bij de hoogtemeting in de sagittale doorsnede 1 mm distaal van het midden. Gezien de schaalgrootte van deze variabele (die een spreiding van 5,8 mm heeft) is dit acceptabel. In de overige doorsneden waren de structurele meetfouten niet significant bij toetsing, de betrouwbaarheid hoog en de duplofout klein tot matig, waardoor metingen van dikten en hoogten bij herhaling door dezelfde beoordelaar betrouwbaar en reproduceerbaar bleken.

Wat de interbeoordelaarsvariatie betreft was bij de dikte­meting ter plaatse van de mesiale sagittale doorsnede sprake van een structurele meetfout van 0,183 met een significantie van p = 0,006 (tab. 2). Dit gold ook voor de hoogtemeting op de mesiale doorsnede met een meetfout van 0,338 (p = 0,026). De duplofouten in de overige doorsneden en metingen waren matig (0,206; 0,288; 0,158; 0,354), maar gezien de schaalgrootten van deze variabelen (met waarden van respectievelijk 1,5; 1,8; 4,0 en 5,8) is dat niet problematisch. In de overige doorsneden waren de structurele meetfouten niet significant bij toetsing en de betrouwbaarheid hoog, waardoor deze metingen van dikten en hoogten reproduceerbaar bleken.

Na het plaatsen van het implantaat werd het botsubstituut aangebracht, waardoor de direct-postoperatieve buccale lamel uit de originele botlamel en een laag botsubstituut bestond. Bio-Oss® behoudt bij applicatie in een extractiewond een röntgenologisch waarneembare status doordat de partikels geïncorporeerd worden in het denovoontstane bot (Araújo et al, 2008). De postoperatieve botlamel remodelleert na implantatie door natuurlijke fysiologische processen in aanwezigheid van het botsubstituut tot een uit bot en botsubstituut samengestelde lamel. Hierbij wordt het proces van fysiologische remodellering van het oorspronkelijke bot niet beïnvloed door het botsubstituut van Bio-Oss® (Araújo et al, 2008). Wel zorgt botsubstituut voor positieve dimensionale veranderingen (Araújo et al, 2008; Spin-Neto et al, 2013). Het vermindert het verlies aan verticale bothoogte en zorgt zelfs voor winst in de lamelhoogte van gemiddeld 1,6 mm (Chen et al, 2007).

De huidige postoperatieve evaluatietermijn van 1 tot 4 jaar zal bij een vervolgonderzoek worden verlengd tot 10 jaar om ook langetermijndata te kunnen presenteren. Ook een vergelijking met andere gehanteerde protocollen bij immediaat implanteren is aan te bevelen.

Conclusie

Uit dit onderzoek, waarin bij 16 patiënten aansluitend aan extractie een implantaat werd geplaatst in combinatie met een aangebracht botsubstituut, blijkt dat direct-postoperatief de botlameldikte gemiddeld met 1,5 mm toeneemt tot 2,4 mm, waarna in een periode van een 1 tot en met 4 jaar de dikte afneemt tot gemiddeld 1,8 mm. Verrassend neemt de buccale botlamel in hoogte toe met gemiddeld 1,6 mm tot gemiddeld 1,2 mm boven de schouderrand van het implantaat.Tabel 2. Overzicht van betrouwbaarheid, duplofout en structurele meetfout (met significantie bij p < 0,05 (zie*) en 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) bij de controle op de interbeoordelaarsfout tijdens dikte- en hoogtebepalingen op de conebeamcomputertomogrammen.

Literatuur

• Atieh MA, Payne AG, Duncan WJ, Cullinan MP. Immediate restoration/loading of immediately placed single implants: is it an effectivebimodal approach? Clin Oral Implants Res 2009; 20: 645–659.
Araújo M, Linder E, Wennström J, Lindhe J. The influence of Bio-Oss Collagen on healing of an extraction socket: an experimental studyin the dog. Int J Periodontics Restorative Dent 2008; 28: 123-135.
Becker W. Immediate implant placement: diagnosis, treatmentplanning and treatment steps/or successful outcomes. J Calif Dent Assoc 2005; 33: 303-310.
Becker W. Immediate implant placement: treatment planning andsurgical steps for successful outcomes. Br Dent J 2006; 201: 199-205.
Block MS, Mercante DE, Lirette D, Mohamed W, Ryser M, Castellon P. Prospective evaluation of immediate and delayed provisional single tooth restorations. J Oral Maxillofac Surg 2009; 67: 89-107.
Botticelli D, Berglundh T, Lindhe J. Hard-tissue alterations following immediate implant placement in extraction sites. J Clin Periodontol 2004; 31: 820-828.
Chen ST, Darby IB, Reynolds EC. A prospective clinical study of non-submerged immediate implants: clinical outcomes and esthetic results. Clin Oral Implants Res 2007; 18: 552-562.
Cooper LF, Raes F, Reside GJ, et al. Comparison of radiographic and clinical outcomes following immediate provisionalization of single-tooth dental implants placed in healed alveolar ridges and extraction sockets.Int J Oral Maxillofac Implants 2010; 25: 1222-1232.
Cordaro L, Torsello F, Roccuzzo M. Clinical outcome of submerged vs. non-submerged implants placed in fresh extraction sockets. Clin Oral Implants Res 2009; 20:1307-1313.
Ferrus J, Cecchinato D, Pjetursson EB, Lang NP, Sanz M, Lindhe J. Factors influencing ridge alterations following immediate implantplacement into extraction sockets. Clin Oral Impl Res 2010; 21: 22–29.
Huynh-Ba G, Pjetursson BE, Sanz M, et al. Analysis of the socket bone wall dimensions in the upper maxilla in relation to immediate implant placement. Clin Oral Implants Res 2010; 21: 37-42.
Miyamoto Y, Obama T. Dental cone beam computed tomography analyses of post-operative labial bone thickness in maxillary anterior implants: comparing immediate and delayed implant placement.Int J Periodontics Restorative Dent 2011; 31: 215-225.
Nevins M, Camelo M, De Paoli S, et al. A study of the fate of thebuccal wall of extraction sockets of teeth with prominent roots.Int J Periodontics Restorative Dent 2006; 26: 19-29.
Quirynen M, Van Assche N, Botticelli D Berglundh T. How does the timing of implant placement to extraction affect outcome? Int J Oral Maxillofac Implants 2007; 22: 203-223.
Sanz M, Cecchinato D, Ferrus J, Pjetursson EB, Lang NP, Lindhe J. A prospective, randomized-controlled clinical trial to evaluate bone preservation using implants with different geometry placed into extraction sockets in the maxilla. Clin Oral Implants Res 2010; 21: 13–21.
Schwartz-Arad D, Chaushu G. The ways and wherefores of immediate placement of implants into fresh extraction sites: a literature review.J Periodontol 1997; 68: 915-923.
Spin-Neto R, Stavropoulos A, Dias Pereira LA, Marcantonio E jr, Wenzel A. Fate of autologous and fresh-frozen allogeneic block bone grafts used for ridge augmentation. A CBCT-based analysis. Clin Oral Implants Res 2013; 24: 167-173.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd maart 2015; 122: 156-161
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2015.03.14181
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • F.E.J. Graauwmans(1), T.A. Staas(2), E. Groenendijk(3), L.Verhamme(4), T. Maal(5), G.J. Meijer(1,5)
  • Uit (1)de vakgroep Implantologie & Parodontologie van de afdeling Tandheelkunde van het Radboudumc in Nijmegen, (2)de implantologie­verwijspraktijk Staas & Bergmans in ’s-Hertogenbosch, (3)de implantologie­verwijspraktijk Implantologie Den Haag, (4)het 3D-laboratorium van het Radboudumc in Nijmegen en (5)de afdeling Mond-, Kaak- en Aangezichts­chirurgie van het Radboudumc in Nijmegen.
  • Datum van acceptatie: 25 september 2014
  • Adres: prof. dr. G.J. Meijer, Radboudumc, Philips van Leydenlaan 25, 6525 EX Nijmegen
  • Gert.Meijer@radboudumc.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd