Vergelijking van MRI en röntgenopnamen bij atypische odontalgie

Open PDF (3.83 MB)

Gnathologie

Patiënten die aanhoudend kiespijn ervaren na een tandheelkundige interventie zoals een endodontische behandeling of een endodontische apicale chirurgische behandeling, zijn verdacht voor atypische odontalgie: kiespijn met een neuropatische achtergrond. Deafferentiatie van perifere sensibele neuronen wordt gezien als het onderliggend mechanisme. Richtinggevend is het afwezig zijn van radiologische afwijkingen. De gebruikelijke intraorale en panoramische röntgenopnamen hebben echter diagnostische beperkingen. Conebeamcomputertomografie (CBCT) is beter in staat periapicale pathologie aan te tonen. Maar ook dan biedt het radiologisch beeld geen uitsluitsel of de betreffende afwijking littekenweefsel, een cyste, of een ontsteking representeert. Beeldvorming door MRI kan vocht of sclerose aantonen. MRI en röntgenopnamen (periapicaal intraoraal, panoramisch en CBCT) van de pijnlijke gebieden bij 20 patiënten met atypische odontalgie werden vergeleken op de kenmerken signaalverandering (MRI) en botdefect (röntgenopnamen) (tab.). Bij 75% (15/20) van de patiënten kwam de radiologische bevinding overeen met de MRI: 9 patiënten met afwezigheid van pathologie en 6 patiënten met een afwijkend beeld. Bij de 5 resterende patiënten waren er 3 bij wie de röntgenopnamen botdefecten vertoonden en de MRI geen signaalverandering, terwijl bij 2 patiënten het radiologisch beeld normaal was en op de MRI wél veranderingen aantoonbaar waren. Van de 30 gebitelementen die bij de 20 patiënten pijnlijk werden ervaren, waren er 21 endodontisch behandeld.

 

Röntgenologisch botdefect  n (%)

MRI-signaalverandering  n (%)

Aanwezig

Afwezig

Totaal

Aanwezig

6 (30)

2 (10)

8 (40)

Afwezig

3 (15

9 (45)

12 (60)

Totaal

9 (45)

11 (55)

20 (100)

Tabel. Correlatie tussen röntgenologische botdefecten en MRI-signaalveranderingen bij 20 patiënten.

Uit eerder onderzoek is bekend dat patiënten met aantoonbare periapicale aandoeningen op basis van ontsteking afwijkende MRI-bevindingen hebben. Als aantoonbare periapicale aandoeningen ontbreken is de kans op ontsteking beduidend kleiner. Bij patiënten die worden verdacht op een atypische odontalgie is het ontbreken van een afwijkende bevinding op de MRI van grote betekenis, omdat er in die situatie geen redenen zijn voor tandheelkundige vervolgbehandeling van het betrokken gebitselement. Het ontbreken van bevindingen kan de uitleg omtrent niet-tandheelkundig behandelen aan de patiënt ondersteunen. Indien er wél bevindingen zijn, moet de betekenis daarvan goed worden gewogen in de context van de voorgeschiedenis om het vervolgbeleid vast te stellen. Een lokale tandheelkundige behandeling is dan meer aangewezen dan bij ontbreken van MRI-bevindingen. Ofschoon MRI bij kiespijn niet een gebruikelijke diagnostische test is, zou bij sterke aanwijzingen voor atypische odontalgie het inzetten van deze test tandheelkundig overbehandelen kunnen voorkomen.

Bron

Pigg M, List T, Abul-Kasim K, Maly P, Petersson A. A comparative analysis of magnetic resonance imaging and radiographic examinations of patients with atypical odontalgia. J Oral Facial Pain Headache 2014; 28: 233-242.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.