Middeleeuwse tandheelkunde in de Lage Landen 7. “Van den huve ende datter toe behoert"

Open PDF (3.93 MB)

Aan problemen van de huig zullen tegenwoordig niet veel colleges zijn gewijd. Hoe anders was dat in de middeleeuwen. De 4 leermeesters wijden zeer veel aandacht aan ziekten van de uvula. In de middeleeuwen dacht men dat de huig niet massief was en de afvoer vormde voor het “overvloedig vocht” dat de hersenen afscheiden. Die vochtstroom had weer een grote invloed op de 4 humoren, die in de middeleeuwen altijd in evenwicht moesten zijn. Reden dus om voor zo’n belangrijk orgaan als de huig alles uit de kast te halen.

Aan problemen van de huig zullen tegenwoordig niet veel colleges zijn gewijd. Hoe anders was dat in de middeleeuwen. De 4 leermeesters wijden zeer veel aandacht aan ziekten van de uvula. Men lijkt bovenmatig gefascineerd te zijn door de huig. Een voorzichtige verklaring hiervoor kan wel worden gegeven, maar eerst een korte verhandeling over de curatieve mogelijkheden in die tijd voor het behandelen van een uveitis.

De eenvoudigst te behandelen stoornis van de huig was, wanneer deze niet was opgezet maar gewoon te dun en te lang en op de tong lag “ghelic den start van een muus". Deze muizenstaart moest natuurlijk worden afgesneden, maar men moest er niet teveel van afsnijden, want dan dreigden volgens de chirurgijns vreselijke complicaties, zoals het levenslang verlies van de stem. De huig vond men een belangrijk maar erg kwetsbaar orgaan, want in de huig kwamen soms “vervuilende humoren" terecht. Hier stuiten we op de humorenleer van Galenus die alle aandoeningen verklaarde uit een disbalans van de 4 humoren: gele en zwarte gal, bloed en slijm. Meestal was het moeilijk om uit te maken om welke humor het ging, maar bij de huig was dat eenvoudig: als de huig rood en dik was, dan kwam dat door teveel bloed en als hij bleek en gezwollen was, dan kwam dat door teveel slijm. Weinig zwelling met stekende pijn wees op zwarte gal als boosdoener.

Afb. Een fluitvormig instrument om poeder op een ontstoken huig te blazen, uit ‘Chirurgia’ van J. Yperman (met toestemming van Master en Fellows van St John’s College, Cambridge).

Maar wat viel er aan zulke ontstekingen van de huig te doen? Allereerst het hele lichaam schoonmaken met laxantia en aderlaten. Daarna gorgelen met bijvoorbeeld een aftreksel van linzen, granaatappelbloesem, ossengal, rozen en zaad van een pruikenboom. Ook kon men daarvan een poeder maken en dat op de huig blazen met een daarvoor geschikt blaaspijpje (afb.). Als dat ook niet hielp, wilde de middeleeuwse arts graag naar het mes grijpen. Met één uitzondering: als de huig groot en dik was en bijna zwart van kleur dan bleef hij er vanaf. Als het echter (in de ogen van de middeleeuwse chirurg) niet anders kon, dan moest de ontstoken huig worden geamputeerd. Dat deed de chirurgijn wel met kloppend hart, want de beroemde Avicenna had al vastgelegd dat hierbij 10 soorten complicaties konden optreden. Het veiligste was voor de operatie een apart hulpmiddel te maken. Dat was een buis met een groot gat erin geboord. Dan kon de huig in dat gat zakken en door de buis kon men de huig, die dan was gefixeerd, af snijden. Guy de Chauliac bedacht nog 2 alternatieven: “steek door de buis geen mes, maar een scherp en gloeiend brandijzer. De huig wordt afgesneden en in één moeite door wordt het bloed gestremd." Nog geavanceerder: “breng door de buis een bijtend medicijn op de huig aan dat de huig chemisch cauteriseert."

Waarom toch al die moeite? In de middeleeuwen dacht men dat de huig niet massief was (want de huig leek immers op de tepel van een vrouw) en de afvoer vormde voor het “overvloedig vocht" dat de hersenen afscheiden (zogenoemde reuma). Die vochtstroom had weer een grote invloed op de 4 humoren, die altijd in evenwicht moesten zijn. Reden dus om voor zo’n belangrijk orgaan als de huig alles uit de kast te halen.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

(met toestemming van Master en Fellows van  St John's College, Cambridge)
(met toestemming van Master en Fellows van St John's College, Cambridge)
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd juli en augustus 2015; 122: 376
rubriek
Geschiedenis en tandheelkunde
serie
Middeleeuwse tandheelkunde in de Lage Landen
Bronnen
  • E.J. Jonkman, M.A.J. Eijkman
  • Datum van acceptatie: 21 september 2014
  • Adres: em prof. dr. E.J. Jonkman (klinisch neurofysioloog), Raaphorstlaan 11d, 2245 BG Wassenaar
  • joostjonkman@casema.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd