Peri-implantaire gezondheid bij 75-plussers met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak

View the english summary Open PDF (3.98 MB)

Het aantal ouderen met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak neemt toe. Onvoldoende is bekend hoe ouderen daarmee functioneren en hoe hun peri-implantaire gezondheid is. Derhalve werd een groep van 60 75-plussers uit een algemene tandartspraktijk met een overkappingsprothese op implantaten gescreend op zelfredzaamheid, algehele gezondheid en peri-implantaire gezondheid. De zelfredzaamheid was hoog, ondanks de gezondheidsproblemen van veel 75-plussers. De patiënten gaven hun prothetische constructie een gemiddeld cijfer van 8,9 ± 1,1. Plaque rond de implantaten (73%) en bloeding na sonderen (68%) werd bij veel patiënten gezien. Voort­geschreden peri-implantair botverlies werd weinig gezien. Er was geen verband tussen plaquescores en zelfredzaamheid. Behoudens mondhygiëne-instructies en/of professionele peri-implantaire reiniging waren geen interventies noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat deze groep ouderen goed functioneert met een overkappingsprothese op implantaten. Plaque en bloeding na sonderen zijn vaak aanwezig, maar voortgeschreden botverlies komt weinig voor.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel weet u over de gemiddelde 75-plusser met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak:
- hoe hij zijn gebitsprothese beoordeelt;
- wat zijn zelfredzaamheid is met betrekking tot de mondhygiëne;
- wat de relatie is tussen zijn algemene en tandheelkundige gezondheid;
- wat de relatie is tussen zijn mondhygiëne en peri-implantaire gezondheid.

Wat weten we?
Een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak is een betrouwbare en succesvolle behandelmodaliteit. Er komen steeds meer ouderen met deze prothetische constructie.
Wat is nieuw?
Ouderen (75-plus) functioneren goed met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak en zijn erg tevreden met deze prothetische constructie. Hun zelfredzaamheid is hoog ondanks de gezondheidsproblemen van veel 75-plussers. Wat de peri-implantaire gezondheid betreft, zijn de plaquescores hoog en komt bloeding na sonderen veelvuldig voor. De incidentie van voortgeschreden botverlies is laag.
Praktijktoepassing
Gezien de hoge plaquescores en het frequent voorkomen van bloeding na sonderen bij ouderen (75-plus), moet de mondverzorging en peri-implantaire conditie van de implantaten regelmatig worden gecontroleerd. Ouderen met implantaten mogen daarom niet uit het oog worden verloren. Doorgaans kan worden volstaan met het bijsturen van de mondhygiëne en/of professioneel reinigen van de mesostructuur en de implantaten.

Inleiding

De laatste decennia hebben geleerd dat een overkappings­prothese op implantaten in de onderkaak een betrouwbare behandelmodaliteit is met een hoge patiënttevredenheid (Heydecke et al, 2003; Emami en Thomason, 2013). De kauwfunctie en het orale comfort zijn vaak sterk verbeterd in vergelijking met een conventionele mandibulaire gebitsprothese (Heydecke et al, 2003; Stellingsma et al, 2005; Emami en Thomason, 2013). Bovendien is gebleken dat implantaten ten behoeve van een over­kappingsprothese op implantaten in de onderkaak tot op hoge leeftijd kunnen worden geplaatst; hiervoor is veelal slechts een beperkte chirurgische behandeling noodzakelijk (Muller et al, 2013). Het is dus niet verwonderlijk dat steeds meer edentate ouderen zijn voorzien van implan­taten in de onderkaak als steun voor de mandibulaire gebitsprothese (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2009).

In Nederland worden jaarlijks circa 125.000 implan­taten geplaatst, waarvan veel bij ouderen met een edentate onderkaak (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2009). Hoewel deze behandelmodaliteit in het algemeen als zeer succesvol wordt gezien met een 10-jaars implantaat­overleving van circa 98%, worden ook complicaties gemeld (Visser et al, 2006; Vahidi en Pinto-Sinai, 2015). Gewoonlijk betreft dit het losgaan van clipjes en schroefjes, maar breuk van de gebitsprothese of (onderdelen van) de suprastructuur komt ook met enige regelmaat voor. Voorts is gebleken dat het professioneel reinigen van de suprastructuur en/of het bijsturen van de mondhygiëne, om peri-implantaire problemen te voor­komen, bij veel patiënten noodzakelijk is (Visser et al, 2006). Peri-implantaire mucositis en peri-implantitis zijn veel voorkomende fenomenen (Meijer et al, 2014; Daubert et al, 2015). Over het risico op het ontwikkelen van klinisch relevante peri-implantaire mucositis en peri-implantitis onder specifiek ouderen is weinig bekend. Inzicht in deze fenomenen is van groot belang omdat vooral voortgeschreden botverlies met uiteindelijk verlies van implantaten grote gevolgen heeft voor de patiënten (Meijer et al, 2003; Visser et al, 2011). Verlies van implantaten betekent doorgaans ook verlies van kauwfunctie en/of het ontstaan van esthetische problemen. Patiënten die implantaten hebben, moet men daarom niet uit het oog verliezen. Levenslange nazorg is van groot belang (Visser et al, 2006; Daubert et al, 2015).

De groep ouderen met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak neemt toe en daarmee ook de zorgvraag. Wanneer peri-implantaire mucositis en peri-implantair botverlies kunnen worden voorkomen of tijdig worden gesignaleerd, kunnen de gevolgen worden beperkt. Dit is van groot belang aangezien het ontstaan vanperi-implantaire mucositis and peri-implantitis geen uit­zon­dering is. Meijer et al (2014) rapporteerden dat peri-implantaire mucositis (52% na 5 jaar, 57% na 10 jaar) en peri-implantitis (17% na 5 jaar, 30% na 10 jaar) veelvuldig voorkomen rond implantaten geplaatst in het inter­foraminale deel van de edentate onderkaak. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat strenge definities voor peri-implantaire mucositis en peri-implantitis werden gebruikt: er is sprake van peri-implantaire mucositis in geval van bloeding bij sonderen (botverlies < 2 mm) en van peri-implantitis in geval van bloeding bij sonderen in combinatie met botverlies ≥ 2 mm (Lang en Berglundh, 2011). Met andere woorden, veel patiënten lopen risico op het ontwikkelen van peri-implantaire ontstekingen. Het is onbekend of 75-plussers die langere tijd geleden voorzien werden van een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak, een groter risico op deze complicaties hebben dan tot nu toe is gerapporteerd. Ouderen kampen immers vaker dan jongeren met gezondheidsproblemen en afnemende motorische vaardigheden waardoor de zelfzorg afneemt (Van der Putten et al, 2014). Ook gebruiken ouderen meer dan jongeren medicatie, die onder andere monddroogheid en een verminderd zelfreinigend vermogen van de mond tot gevolg hebben (Singh en Papas, 2014). Deze feiten in ogenschouw nemend en met de wetenschap dat het aantal ouderen (met implantaten) in Nederland sterk toeneemt (vergrijzing), evenals hun levensverwachting (dubbele vergrijzing), is een onderzoek opgezet met als doel inzicht te krijgen in hoe 75-plussers met een over­kappingsprothese op implantaten in de onderkaak functio­neren en welke peri-implantaire zorg zij nodig hebben.

Materiaal en methoden

Voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag werd de patiëntenpopulatie met een leeftijd van 75 jaar en ouder in een algemene tandartspraktijk onderzocht. Bij aanvang van het onderzoek werd de patiëntenopbouw van de ouderen (75-plus) in deze tandartspraktijk geïnventariseerd (intermezzo 1). Vervolgens werden alle patiënten van 75 jaar en ouder die minimaal 5 jaar geleden waren voorzien van een overkappingsprothese op implantaten in de onder­kaak en die voor controle kwamen gescreend op de peri-implantaire gezondheid in relatie tot hun tevredenheid met de prothetische constructie, hun algehele gezondheid en hun zelfredzaamheid. De orale screening werd gedaan door 2 tandartsen-geriatrie met veel ervaring op het gebied van de implantologie. Als de laatste röntgenopname langer dan 1 jaar geleden was gemaakt, werd een panoramische röntgenopname gemaakt. Omdat alle gegevens routine­matig werden verzameld, valt dit onderzoek niet onder de reikwijdte van de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO).

Intermezzo 1. Patiëntenopbouw in onderzochte algemene tandartspraktijk
De patiëntenopbouw van de ouderen (75-plus) in de onderzochte algemene tandartspraktijk was geïnventariseerd bij aanvang van het onderzoek. Er stonden toen 382 ouderen (57% vrouwen, 43 % mannen) ingeschreven die 75 jaar of ouder waren. Van deze ouderen had 27% een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak (afb. a). Het aantal ouderen (75-plus) dat nog eigen dentitie had, al dan niet aangevuld met een prothetische constructie, was hoog (53%). Wanneer de groep 75-plussers werd onderverdeeld in subgroepen naar leeftijd was een opvallende verschuiving in de orale status gezien. Het percentage patiënten met een partiële eigen dentitie en/of implantaten was hoger naarmate de cohort jonger was. Deze inventarisatie toont aan dat zowel het aantal ouderen dat nog een eigen dentitie heeft als het aantal ouderen met een overkappingsprothese op implantaten naar alle waarschijnlijkheid verder zal toenemen onder 75-plussers. Naar verwachting zal de zorgvraag daarom veranderen van zorg voor edentate patiënten naar zorg voor patiënten met een eigen dentitie en/of implantaten. Inzage in hoe de 75-plussers functioneren met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak is daarom van belang.

a. Volledige groep vanaf 75 jaar (382)
b. Groep 75 t/m 79 jaar (205)
c. Groep 80 t/m 84 jaar (112)
d. Groep 85 t/m 89 jaar (44)
e. Groep 90 jaar en ouder (21)

Afb. Opbouw patiëntenpopulatie van een algemene tandartspraktijk in Noord Nederland (pijldatum 2013) (a). Er is sprake van een verschuiving naar betande patiënten enerzijds en patiënten met een overkappingsprothese anderzijds naarmate men jonger is (b t/m e).

Er werden 4 vragenlijsten afgenomen: 1. een vragenlijst over mobiliteit en mondverzorging, 2. de Katz-vragenlijst betreffende Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen, de zogenoemde Katz-ADL (Katz et al, 1963), 3. een gezond­heidsvragenlijst (De Jong et al, 1994), en 4. een lijst waar op een schaal van 1-10 kon worden aangegeven hoe tevre­den men was met zijn of haar overkappingsprothese en de reden waarom dit cijfer werd gegeven.

De eerste vragenlijst bestond uit vragen over de afhan­kelijkheid van de patiënt van anderen ten aanzien van het reizen naar de tandartspraktijk, het wonen, of zij nog regulier voor gebitscontrole kwamen en of zij problemen ervoeren met hun mondverzorging (appendix).

De Katz-ADLscore werd gebruikt om te beoordelen in hoeverre mensen zelfredzaam zijn ten aanzien van hun eigen verzorging. De vragenlijst behelst 6 vragen waarvoor per item 1 punt kan worden gescoord. Er wordt gevraagd of mensen zichzelf (dus zonder hulp van anderen) redden met wassen, aankleden, toiletbezoek, opstaan uit stoel of bed en door het huis lopen en eten. Tot slot wordt gevraagd of men incontinent is. Een maximale score (6) betekent dat men zeer zelfredzaam is. Hoe lager de score, hoe meer hulp men nodig heeft.

Bij de orale screening werden geregistreerd de plaque­scores volgens Mombelli et al (1987) (afb. 1), de aanwezig­heid van tandsteen, de gingiva-index volgens Loë en Silness (1964), de bloedingsindex volgens Mombelli et al (1987) en ten slotte werd met een pocketsonde op 4 plaatsen rondom het implantaat de pocketdiepte gemeten. Voor de röntgenologische analyse werd de meest recente panoramische röntgenopname (maximaal 1 jaar oud) van iedere patiënt beoordeeld conform de methodiek beschreven door Meijer et al (1993). Zie tabel 1 voor een overzicht van deze screeningsmethoden.

a
b
c
d
Afb. 1. Plaquescores volgens Mombelli (1987). Opmerkelijk is dat er ondanks de accumulatie van plaque bij veel implantaten geen duidelijke tekenen van peri-implantaire gingivitis zijn te zien. Plaquescores 2 en 3 (afb. 1c en d) komen vaak voor. a. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 0: geen plaque. b. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 1: plaque wordt zichtbaar op een sonde wanneer deze langs de hals van het implantaat wordt gehaald. c. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 2: plaque is duidelijk zichtbaar. d. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 3: veel plaque.

 

  0 1 2 3 4
Plaquescores volgens Mombelli et al (1987) Geen plaque Plaque wordt zichtbaar op een sonde wanneer deze langs de hals van het implantaat wordt gehaald. Plaque is duidelijk zichtbaar. Veel plaque n.v.t.
Aanwezigheid tandsteen Geen tandsteen Ja, er is tandsteen n.v.t. n.v.t. n.v.t
Gingiva-index volgens Loë en Silness (1964) Gezonde peri-implantaire gingiva Lichte ontsteking: de gingiva is iets hyperaemisch. Milde ontsteking: de gingiva is hyperaemisch en iets gezwollen. Forse ontsteking: de gingiva is hyperaemisch, gezwollen met (enige) pusvorming. n.v.t.
Bloedingsindex volgens Mombelli et al (1987) Geen bloeding bij sonderen Puntbloeding na sonderen Een rode lijn bloed wordt zichtbaar na sonderen. Forse bloeding na sonderen n.v.t.
Röntgenanalyse Geen zichtbaar botverlies Botverlies tot een derde van het implantaat Botverlies van een derde tot de helft van het implantaat Botverlies meer dan de helft van het implantaat Botverlies rondom het hele implantaat

Tabel 1. Orale screening en röntgenologische analayse van de geselecteerde patiëntenpopulatie.

De statistische kenmerken van de populatie werden gerapporteerd met behulp van beschrijvende statistiek. Spearman Rank-correlaties werden berekend tussen de variabele zelfredzaamheid volgens Katzs-ADL en de varia­belen: plaque, pocketdiepte en botverlies. De absolute waarden van deze correlaties werden geïnterpreteerd als: 0,8-1,0 erg sterke relatie; 0,6-0,8 sterke relatie; 0,4-0,6 matige relatie, 0,2-0,4 zwakke relatie; 0-0,2 zeer zwakke of geen relatie (tab. 5).

Resultaten

Alle patiënten van 75 jaar en ouder die minimaal 5 jaar geleden waren voorzien van een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak en die voor controle werden gezien tussen januari 2013 en september 2013 waren bereid mee te doen aan het onderzoek. Dit betroffen in totaal 60 patiënten (tab. 2). Van deze 60 patiënten kwam 90% (n = 54) nog jaarlijks voor implantaatcontroles. De overige 10% (n = 6) kwam alleen op eigen initiatief voor controle.

Demografie Leeftijd gemiddeld (jaar) 81 ± 4 sd
  Vrouw/man-verhouding 37/23 (62%/38%)
Leefsituatie Volkomen zelfstandig 38 (63%)
  Zelfstandig met enige mantelzorg 6 (10%)
  Zelfstandig met professionele zorg 15 (25%)
  Zorgafhankelijk in verzorgingshuis 1 (2%)
Chronische ziekten/Comorbiditeiten 0 chronische ziekten 7 (12%)
  1 chronische ziekte 15 (25%)
  ≥ 2 chronische ziekten 38 (63%)
Soort suprastructuur 2 knopjes 5 (8%)
  2 implantaten met steg 50 (83%)
  4 implantaten met steg 5 (8%)

Tabel 2. Groepskarakteristieken van het totaal aantal patiënten (n), met tussen haakjes de percentages van de groep.

De overgrote meerderheid van de patiënten (80%) was in staat om zelfstandig naar de tandartspraktijk te komen. Qua zelfredzaamheid bleek dat 63% van de patiënten zelfstandig leefde zonder aanvullende hulp of zorg, 10% aanvullende hulp nodig had van mantelzorgers (bijvoor­beeld voor boodschappen en huishoudelijke taken), 25% deels afhankelijk was en thuiszorg had en 2% geheel zorg­afhankelijk was en leefde in een verpleeghuis.

In tabel 3 wordt een overzicht gegeven van de Katz-ADL-score per leeftijdsgroep en per score-item. Het over­grote merendeel van de patiënten was erg zelfredzaam. Eén patiënt had een Katz-score van 2, maar kwam deson­danks regulier voor controle naar de tandartspraktijk.

Katz-leeftijd (jaar) Groeps-groote Gemiddelde Katz-score (sd) Mediaan (bereik) Zichzelf wassen Aankleden Toileteren Opstaan bed/stoel Inconti­nentie Eten
75-80 n = 29 5,9 (0,2) 6 (5-6) 0% 0% 0% 0% 10% 0%
80-85 n = 20 5,3 (1,2) 6 (2-6) 20% 20% 5% 5% 15% 0%
85-90 n = 10 5,7 (0,7) 6 (4-6) 10% 0% 0% 0% 20% 0%
90-95 n = 1 6,0 (nvt) 6 (6-6) 0% 0% 0% 0% 0% 0%
Totaal n = 60 5,7 (0,83) 6 (2-6) 8% 6% 2% 2% 13% 0%

Tabel 3. Relatie tussen Katz-score en leeftijd. Per leeftijdsgroep en per score-item wordt het percentage patiënten weergegeven dat scoort op het betreffende item.

Tien procent van de patiënten was redelijk gezond en had geen comorbiditeiten, 25% had 1 chronische ziekte en 65% had 2 chronische ziekten of meer comorbiditeiten. De meest voor­komende comorbiditeiten waren cardio­vasculaire en/of cerebrovasculaire aandoeningen (68%), reumatische aan­doeningen en/of aandoeningen van de wervelkolom (52%), longziekten (35%) en nierfalen (20%). Voor veel van deze aandoeningen werd medicatie gebruikt (aantal verschil­lende medicamenten was 5,4 ± 0,7 perpatiënt, mediaan 6, bereik 1-18).

De patiënten gaven vrijwel allemaal aan dat ze het niet moeilijk vonden om de suprastructuur en de prothetische constructie te reinigen. Dit gegeven is in tegenspraak tot de gevonden plaque en tandsteenscores (tab. 4). Een verband tussen het aantal gebruikte medicamenten en de plaquescores kon niet worden aangetoond. Ook kon er geen duidelijke relatie worden gelegd tussen de plaque­scores, pocketdieptes en peri-implantair botverlies en de Katzscores (zelfredzaamheid) (tab. 5).

Bloedingsindex n (%)
Bloeding score 0 19 (32%)
Bloeding score 1 26 (43%)
Bloeding score 2 14 (23%)
Bloeding score 3 1 (2%)
Gingiva-index  
Index 0 47 (78%)
Index 1 9 (15%)
Index 2 4 (7%)
Plaquescore  
Score 0 16 (27%)
Score 1 18 (30%)
Score 2 21 (35%)
Score 3 5 (8%)
Pocketdiepte in mm  
Pocket 0 mm 1 (2%)
Pocket 1 mm 3 (5%)
Pocket 2 mm 12 (20%)
Pocket 3 mm 20 (33%)
Pocket 4 mm 13 (22%)
Pocket 5 mm 11 (18%)
Pocket 6 > mm 0 (0%)
Tandsteen  
Tandsteen aanwezig 30 (50%)
Botverlies  
Score 0 13 (22%)
Score 1 42 (70%)
Score 2 5 (8%)
Score 3 0 (0%)
Score 4 0 (0%)

Tabel 4. Overzicht uitkomsten klinische metingen: aantal mensen (n), met tussen haakjes het percentage van de groep.

Variabelen Katzscore R1 Plaque R1 Pocketdiepte R1 Botverlies R1
Plaque 0,01 - 0,26 0,02
Pocketdiepte 0,20 0,26 - 0,31
Botverlies 0,25 0,02 0,31 -
R1 = Spearman Rank-correlatie in absolute waarden    

Tabel 5. Spearman Rank-correlatie tussen Katz-ADL-score en plaque, pocketdieptes en peri-implantair botverlies.

Opmerkelijk was dat hoge plaquescores niet gerelateerd waren aan de ernst en mate van aanwezigheid van ontste­kings­verschijnselen als roodheid en zwelling (afb. 1c en 1d). Ook de pockets waren gewoonlijk niet verdiept: bij 60% van de patiënten was de pocketdiepte rondom de implantaten 3 mm of minder. De diepst gemeten pocket was 5 mm, dit betrof 18% van de patiënten. Behoudens mondhygiëne-instructies en professionele reiniging was geen andere peri-implantaire interventie noodzakelijk.

De panoramische röntgenopnamen toonden dat bij een groot deel van de patiënten sprake was van enig peri-implantair botverlies. Bij 70% van de patiënten bleef dit beperkt tot gering botverlies (tot een derde van het implantaat). Een kleine groep (8%) had voortgeschreden botverlies. Bij geen van de patiënten werd echter botverlies van meer dan een half implantaatlengte gezien.

Van de patiënten was 95% (n = 57) erg tevreden over de prothetische constructie. Zij gaven een gemiddeld cijfer van 8,9 ± 1,1 (bereik 3-10). De 3 patiënten die een onvol­doende gaven, deden dit vanwege een losse clip, een prothetische constructie die irriteerde in de droge mond en voedselimpactie onder de prothetische constructie.

Discussie

Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat vrijwel alle 75-plussers die met enige regelmaat worden gezien voor controle in een algemene tandartspraktijk goed functioneren met een overkappingsprothese op implan­taten in de onderkaak en zeer tevreden zijn over deze gebitsprothese. Bovendien is de peri-implantaire conditie doorgaans klinisch zeer acceptabel bij deze groep patiënten, ondanks dat bij veel patiënten plaque rond de implantaten aanwezig is (afb. 1).

Hoewel het merendeel van de patiënten zelfredzaam is en vitaal oogt, kampen veel van hen toch met gezond­heidsproblemen en is het medicatiegebruik hoog (90% 1 of meer chronische ziekten, 5,4 ± 0,7 geneesmiddelen). Een hoog medi­catiegebruik is geassocieerd met monddroogheid, vooral wanneer meer dan 3 medicijnen worden gebruikt (Singh en Papas, 2014). Het hoge medicatiegebruik van de meeste patiënten ligt vermoedelijk (mede) aan de basis van de accumulatie van plaque die bij veel ouderen zichtbaar is. In een drogere mond is het zelfreinigend vermogen vermin­derd, waardoor plaque kan accumuleren op structuren in de mond. Een directe relatie tussen het gebruik van medi­catie en de plaquescores kon in dit onderzoek echter niet worden aangetoond. Dit kan samenhangen met het gegeven dat patiënten vaak hun mond extra reinigen voordat zij de tandarts bezoeken voor controle.

Het is opmerkelijk dat de aanwezigheid van plaque geen relatie heeft met de aanwezigheid van ontstekings­verschijnselen als roodheid en zwelling. Afbeeldingen 1c en d zijn exemplarisch voor veel van de patiënten in dit onderzoek en laten zien dat een hoge plaquescore niet perdefinitie gelijk staat aan het optreden van ontstekings­­verschijnselen.

Peri-implantair botverlies van meer dan een halfimplantaatlengte is in dit onderzoek niet gezien. Peri-implantair botverlies van een derde tot een half implantaat­lengte daarentegen wel, maar bij geen van deze patiënten gaf dit klachten. Als klinisch geen of hooguit milde ont­stekings­verschijnselen worden gezien, ook bij patiënten met enig botverlies of hoge plaquescores, moeten patiënten met implantaten toch regelmatig worden gecontroleerd. Peri-implantaire ontstekingen kunnen immers resulteren in voort­schrijdend botverlies met alle gevolgen van dien (Costa et al, 2012).

In dit onderzoek kon geen verband worden aangetoond tussen de plaquescores, mobiliteitsproblemen en/of gezondheidsproblemen. Er waren veel gezondheids­problemen, maar de zelfredzaamheid bleef desondanks hoog. De 75-plussers met implantaten in het onderzoek konden al dan niet met hulp van anderen naar de tandarts­praktijk komen en kwamen gewoonlijk nog op reguliere basis voor zorg. Het is denkbaar dat de ouderen die niet meer in staat zijn om naar de tandartspraktijk te komen, meer moeite hebben met het verzorgen van hun prothe­tische constructie en suprastructuren dan de hier onder­zochte groep ouderen. Nader onderzoek is geboden, onder andere onder zorgafhankelijke ouderen met implantaten die thuis wonen met hulp van mantelzorgers en/of thuis­zorg, en onder ouderen die in verpleeghuizen wonen.

Conclusie

Ouderen (75-plus) met een overkappingsprothese op implantaten in de onderkaak die nog regulier tandheel­kundige zorg ontvangen zijn erg tevreden over hun prothetische constructie. Zij zijn doorgaans zelfredzaam, niettegenstaande de veelheid aan chronische ziekten waarmee zij kampen en het daaraan gerelateerde hoge gebruik van medicijnen. De benodigde nazorg beperkt zich tot moni­toring en hulp bij de mondhygiëne en het professioneel reinigen van de implantaten in verband met de alom aanwezige, klinisch beschouwd veelal milde, peri-implan­taire ontstekingsverschijnselen zoals bloeding na sonderen. Gesteld kan worden dat zolang de oudere zelf nog kan poetsen en professionele mondzorgontvangt, de kans op het ontstaan van voortgeschreden bot­verlies zeer gering is.

Literatuur

• Centraal Bureau voor de Statistiek. 800 duizend volwassenen met tandimplantaat. Webmagazine CBS, 12 januari 2009. http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2009/2009-2646-wm.htm (geraadpleegd mei 2015).
Costa FO, Takenaka-Martinez S, Cota LOM, Ferreira SD, Silva GLM, Costa JE. Peri-implant disease in subjects with and without preventive maintenance: a 5-year follow-up. J Clin Periodontol 2012; 39: 173-181.
Daubert DM, Weinstein BF, Bordin S, Leroux BG, Flemming TF. Prevalence and predictive factors for peri-implant disease and implant failure: a cross-sectional analysis. J Periodontol 2015; 3: 337-347.
Emami E, Thomason JM. In individuals with complete tooth loss, the mandibular implant-retained overdenture increases patient satisfaction and oral health related quality of life compared to conventional dentures. J Evid Based Dent Pract 2013; 3: 94-96.
Heydecke G, Locker D, Awad MA, Lund JP, Feine JS. Oral and general health-related quality of life with conventional and implant dentures. Community Dent Oral Epidemiol 2003; 31: 161-168.
Jong KJ de, Abraham-Inpijn L. A risk-related patient-administered medical questionnaire for dental practice. Int Dent J 1994; 44: 471-479.
Katz S, Ford AB, Moscowitz RW, Jackson BA, Jaffe MW. Studies of illness in the aged. Index of ADL: a standardized measure of biological and psychosocial function. JAMA 1963; 21: 914-919.
Lang NP, Berglundh T. Working Group 4 of Seventh European Workshop on Periodontology. Periimplant diseases: where are we now? Consensus of the Seventh European Workshop on Periodontology. J Clin Periodontol 2011; 38: 178-181.
Meijer HJ, Raghoebar GM, Visser A. Mandibular fracture caused by peri-implant bone loss: report of a case. J Periodontol 2003; 74: 1067-1070.
Meijer HJA, Raghoebar GM, Waal YC de, Vissink A. Incidence of peri-implant mucositis and peri-implantitis in edentulous patients with an implant-retained mandibular overdenture during a 10 year follow-up period. J Clin Periodontol 2014; 12: 1178-1183.
Meijer HJA, Steen WHA, Bosman F. A comparison of methods to asses marginal bone height around endosseous implants. J Clin Periodontol 1993; 20: 250-253.
Mombelli A, Oosten MAC van, Schürch E, Lang N. The microbiota associated with successful or failing osseointegrated titanium implants. Oral Microbiol Immunol 1987; 4: 145-151.
Müller F, Duvernay E, Loup A, Vazquez L, Herrmann FR, Schimmel M. Implant-supported mandibular overdentures in very old adults: a randomized controlled trial. J Dent Res 2013; 92: 154-160.
Putten GJ van der, Baat C de, De Visschere L, Schols J. Poor oral health, a potential new geriatric syndrome. Gerodontology 2014; 31: 17-24.
Silness J, Löe H. Periodontal disease in pregnancy. II. Correlation between oral hygiene and periodontal condtion. Acta Odontol Scand 1964; 22: 121-135.
Singh ML, Papas A. Oral implications of polypharmacy in the elderly. Dent Clin North Am 2014; 58: 783-796.
Stellingsma K, Slagter AP, Stegenga B, Raghoebar GM, Meijer HJA. Masticatory function in patients with an extremely resorbed mandible restored with mandibular implant-retained overdentures: comparison of three types of treatment protocols. J Oral Rehabil 2005; 32: 403-410.
Vahidi F, Pinto-Sinai G. Complications associated with implant-retained removable prostheses. Dent Clin North Am 2015; 59: 215-226.
Visser A, Baat C de, Hoeksema AR, Vissink A.
Oral implants in dependent elderly persons: blessing or burden? Gerodontology. 2011; 1: 76-80. Visser A, Meijer HJA, Raghoebar GM, Vissink A. Implant-retained mandibular overdentures versus conventional dentures: 10 years of care and aftercare. Int J Prosthodont 2006; 19: 271-278.

Verantwoording

Dit onderzoek werd gesteund door een beurs van de Stichting Bevordering Tandheelkundige Kennis.

Appendix

Vragen: Wilt u het antwoord dat voor u het meest van toepassing is omcirkelen?

1. Bent u zelfstandig naar de praktijk gekomen?
a. Ja, geheel zelfstandig, dus u heeft zelf auto/motor/brommer gereden, gefietst of gewandeld.
b. Ja, u bent zelfstandig met het openbaar vervoer gekomen.
c. Nee, u bent met anderen meegekomen, maar bent goed in staat om zelfstandig het ziekenhuis te bezoeken.
d. Nee, anderen, zoals familie partners of vrienden, hebben u gebracht of begeleid om hier te komen omdat u zelf niet meer in staat bent zelfstandig te komen.

2. Hoe woont u?
a. Zelfstandig zonder hulp van anderen
b. Zelfstandig met hulp van partner, familie, vrienden (zogenaamde mantelzorger)
c. Zelfstandig met professionele hulp van bijvoorbeeld de thuiszorg d. U woont in een verzorgingshuis. e. U woont in een verpleeghuis.

3. Komt u nog regelmatig voor controle bij de tandarts?
a. Ja, ik kom jaarlijks voor controle
b. Nee, ik kom niet jaarlijks voor controle heb omdat ..........

4. Poetst u zelf uw prothese en implantaten?
a. Ja (ga verder naar vraag 5)
b. Nee (ga verder naar vraag 6)

5. Zo ja vindt u het moeilijk om uw gebit en implantaten te poetsen?
a. Ja
b. Nee

6. Zo nee, wie doet dit voor u?
a. Uw partner, huisgenoot of mantelzorger
b. Verzorgende van thuiszorg of verzorgings/verpleeghuis
c. Anders, namelijk ................

7. Hoe vaak poetst u of poetsen anderen de prothese en implantaten?
a. 1 x per dag
b. 2 x per dag
c. Vaker dan 2 x per dag
d. Minder dan 1 x per dag

8. Welke poetshulpmiddelen gebruikt u of worden gebruikt? (meerdere antwoorden mogelijk)
a. Gewone tandenborstel
b. Elektrische tandenborstel
c. Ragers
d. Veters of superfloss

En tot slot:
Hoe tevreden bent u op dit moment met uw prothese? Kunt u uw implantaatprothese een rapportcijfer geven op de schaal van 1 tot 10 waarbij 10 heel goed is en 1 heel slecht. Cijfer dat u geeft voor uw implantaatprothese: .............................
Kunt u ook verwoorden waarom u dit cijfer geeft?..................................................................................................

 

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Afb. 1c. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 2.
Afb. 1c. Voorbeeld van klinisch beeld bij plaquescore 2.
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd juli en augustus 2015; 122: 383-390
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2015.07/08.15117
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • A.R. Hoeksema (1,2), A. Vissink (1), L.L. Peters (1), H.J.A. Meijer (1,3), G.M. Raghoebar (1), A. Visser (1)
  • Uit (1)de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van de Rijksuniversiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen, (2)Mondzorg Centrum Winschoten, (3)het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van de Rijksuniversiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Datum van acceptatie: 24 januari 2015
  • Adres: mw. dr. A. Visser, UMC Groningen, postbus 30 001, 9700 RB Groningen
  • a.visser@umcg.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd