Mondgezondheid bij erosieve en niet-erosieve gastro-oesofageale reflux

Open PDF (164.02 KB)

Algemene ziektenleer

Ongeveer 10-20% van de westerse bevolking heeft te maken met gastro-oesofageale reflux, die doorgaans medicamenteus wordt behandeld met een protonpompremmer. Bij endoscopisch onderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen een type dat erosie van het slijmvlies van de oesofagus veroorzaakt en een niet-erosief type. Relaties zijn gevonden met zuurgerelateerde orale slijmvliesafwijkingen en chronische parodontitis. De doelstelling van dit onderzoek was nagaan of deze relaties per type verschillen.

Potentiële proefpersonen waren 201 patiënten met de diagnose gastro-oesofageale reflux. Selectie voor het onderzoek vond plaats als een patiënt minimaal 2 molaren, 2 premolaren en 4 frontelementen per kaak had en minimaal 1 jaar een protonpompremmer gebruikte. Exclusie vond plaats bij een voorgeschiedenis van respectievelijk radiotherapie in het hoofd-halsgebied, medicatie met een bisfosfonaat en/of alcohol- of drugsmisbruik. Dit leverde 71 proefpersonen op, 41 vrouwen en 30 mannen met een gemiddelde leeftijd van bijna 50 jaar, van wie 29 het erosieve en 42 het niet-erosieve type hadden. Hun palatum-, wang- en tongslijmvlies werd beoordeeld op afwijkingen met als onderscheidende kenmerken: geen ontsteking, erytheem en ulceratie. Elk gebitselement werd beoordeeld met indices voor plaqueaccumulatie, bloeding van de gingiva bij sonderen en verlies van parodontale aanhechting. Als minimaal 1 gebitselement meer dan 5 mm aanhechtingsverlies vertoonde, werd de diagnose gevorderde parodontitis gesteld.

Tussen de proefpersonen met erosieve en niet-erosieve gastro-oesofageale reflux werd geen statistisch significant verschil gevonden in aantal gebitselementen en rook­gewoonten. Erythemateuze slijmvliesafwijkingen hadden 8 (28%) proefpersonen met erosieve en 11 (26%) met niet-erosieve gastro-oesofageale reflux, een niet statistisch significant verschil. Van de parodontale variabelen kwam alleen gevorderde parodontitis statistisch significant meer voor bij proefpersonen met erosieve dan bij proefpersonen met niet-erosieve gastro-oesofageale reflux.

De beperkingen van dit onderzoek in ogenschouw nemend, wordt door de onderzoekers geconcludeerd dat gevorderde parodontitis vermoedelijk meer voorkomt bij erosieve dan bij niet-erosieve gastro-oesofageale reflux. Het lijkt verstandig ook in toekomstige vergelijkbare onderzoeken het onderscheid tussen de 2 typen gastro-oesofageale reflux te maken.

Bron

Deppe H, Mücke T, Wagenpfeil S, et al. Erosive esophageal reflux vs. non erosive esophageal reflux: oral findings in 71 patients. BMC Oral Health 2015; 15: 84.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.