Een evaluatie van de implementatie van de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’

View the english summary Open PDF (208.53 KB)

Bij 75% van de ouderen wordt bij opname in een verpleeghuis onbehandelde mondzorgproblemen gezien. Bovendien rapporteert de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat de mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen onvoldoende is. De in 2007 ontwikkelde ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ blijkt onvoldoende te zijn geïmplementeerd. Het onderzoeksdoel was het verkrijgen van inzicht in de implementatie van deze richtlijn in zorginstellingen. Daartoe werd een vragenlijst verspreid onder medewerkers van 74 verpleeghuizen verspreid over Nederland. Data-analyse leerde dat men bekend is met de richtlijn en dat mondzorgverleners vaak wel beschikbaar zijn. Echter, de mondzorgverleners hebben veelal geen toegang tot redelijke tandheelkundige faciliteiten. Voorts worden patiënten doorgaans niet conform de richtlijn gescreend en/of onder controle gehouden. Ten slotte bleek de scholing van verpleegkundigen en verzorgenden onvoldoende. Geconcludeerd kan worden dat de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ bij medewerkers in verpleeghuizen goed bekend is, maar dat de implementatie van de richtlijn in de dagelijkse praktijk sterk te wensen overlaat.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel bent u:
- bekend met de betekenis en noodzakelijkheid van de ­multidisciplinaire ‘Richtlijn mondzorg voor zorg­afhankelijke cliënten’;
- op de hoogte van het functioneren van deze richtlijn in de praktijk.

Wat weten we?
Uit rapportages van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is gebleken dat de mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in 30 verpleeghuizen die onder verscherpt toezicht waren gesteld, niet goed is geregeld. Vooral de in 2007 ontwikkelde ’Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ blijkt veelal onvoldoende in de Nederlandse verpleeghuizen te zijn geïmplementeerd. Uit andere rapportages van de IGZ en TNO blijkt dat slechts een aantal lokale, niet overkoepelende, initiatieven is ontwikkeld en dat een succesvolle, adequate zorg maar in enkele zorginstellingen is geregeld.

Wat is nieuw?
Aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst is onderzocht hoe de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ in 74 verpleeghuislocaties verspreid over Nederland is verzorgd en geïmplementeerd.

Praktijktoepassing
Voor een adequate geriatrische mondzorg en mondverzorging door mondzorgverleners is kennis van de richtlijn en de verpleeghuiszorg noodzakelijk. Begrip van elkaars doelstellingen en een goede communicatie tussen de verschillende betrokken zorgverleners zijn essentieel om tot een effectieve samenwerking te komen.

Inleiding

Een eigen gebit of een goede gebitsprothese is essentieel voor kauwen, bijten, spreken en sociaal functioneren. Uit diverse onderzoeken is echter naar voren gekomen dat bij ouderen (75+) de mondgezondheid veelal niet goed is. Bovendien is gebleken dat een goede mondgezondheid bijdraagt aan een algemene gezondheid (Jokstad et al, 1996). Een slechte mondgezondheid is onder andere geassocieerd met een slechter gereguleerd diabetes mellitus type 2, nierinsufficiëntie, cardiovasculair accident, een verhoogde kans op aspiratiepneumonie, ondervoeding, het ontwikkelen van en de activiteit van reuma en hersenaandoeningen (Teeuw et al, 2010; Van der Maarel-Wierink, 2011; Iwasaki et al, 2012; De Smit et al, 2012; Tada en Miura, 2012; Saarela et al, 2013; Asai et al, 2015; Kamer et al, 2015).

Een voorname onderliggende reden waardoor de mondgezondheid van ouderen verslechtert, is de afname van de aandacht voor dagelijkse mondhygiëne en het periodiek bezoeken van een tandarts zodra de algemene gezondheid, de motoriek of de cognitie verslechteren. Bovendien zijn veel ouderen als een gevolg van normale verouderingsprocessen vaak niet meer goed in staat hun gebit goed te verzorgen en tevens ontbreekt bij hen vaak de kennis over de importantie van een adequate mondzorg, vooral bij toenemende gezondheidsproblemen gevolgd door een hogere graad van kwetsbaarheid (Chen et al, 2013). Ook verzorgenden geven vaak onvoldoende prioriteit aan de mondzorg en als die zorg nodig is hebben zij ook onvoldoende kennis en vaardigheden om een goede mondzorg te leveren (Van der Putten et al, 2010; Catteau et al, 2016). Ten slotte lijkt de beroepsgroep van tandartsen en mondhygiënisten zelf nog onvoldoende in staat om mondzorgproblemen in deze groep ouderen adequaat aan te pakken (Bots-van ’t Spijker et al, 2014).

De huidige achterstand in het op peil houden van de mondgezondheid van kwetsbare ouderen leidt mogelijk tot een scala aan gezondheidsproblemen en heeft een negatieve invloed op de levenskwaliteit (Niesten et al, 2012). Uit recent onderzoek is gebleken dat bij meer dan 75% van ouderen met complexe gezondheidsproblemen ook sprake is van onbehandelde mondzorgproblemen op het moment dat deze ouderen worden opgenomen in een verpleeghuis (Gerritsen et al, 2014; Hoeksema et al, 2014; Khanagar et al, 2015). In een verpleeghuis verbetert dit veelal niet aangezien verpleeghuizen daarvoor onvoldoende zijn toegerust (Bots-van ’t Spijker et al, 2014). Om dit probleem aan te pakken is in 2007 de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ opgesteld (intermezzo 1) (Beroepsvereniging van verpleeghuisartsen en sociaal geriaters, 2015).

Intermezzo 1. Richtlijn mondzorg voor ­zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen
- De belangrijkste aanbevelingen van de richtlijn .
- Schema voor dagelijkse en systematische mondzorg van ouderen in verpleeghuizen.
- Indicatoren voor de implementatie, de uitvoering en de evaluatie van de richtlijn.

 In de richtlijn voor zorgafhankelijke cliënten is beschreven waarom de mondgezondheid op peil moet worden gebracht bij ouderen die in een verpleeghuis verblijven en hoe dit dagelijks zou moeten worden aangepakt. Ook is een onderbouwing gegeven waarom de mondgezondheid en de levenskwaliteit met elkaar in verband staan, vooral bij deze kwetsbare cliënten. Tevens wordt de noodzaak voor scholing in de mondzorg verwoord en wordt aangegeven dat een tandheelkundig team aanwezig moet zijn. Daarnaast wordt beschreven op welke wijze de aanwezige cliënten moeten worden gescreend, hoe zij van adequate mondzorg kunnen worden voorzien en hoe de richtlijn moet worden geborgd en geëvalueerd. In de richtlijn staat tevens een scala aan indicatoren voor de implementatie, de uitvoering en de evaluatie van de richtlijn door de instelling. Uit een recente rapportage van de Inspectie voor de Gezondheidzorg (IGZ) is echter helaas gebleken dat de richtlijn onvoldoende lijkt te worden toegepast in verpleeghuizen (IGZ, 2014). Deze rapportage was echter niet gebaseerd op een objectieve steekproef, maar betrof 30 vanwege andere dan mondzorgproblemen onder toezicht gestelde verpleeghuizen. Met andere woorden, aanvullend onderzoek was dringend gewenst voor het verkrijgen van een goed inzicht in de toepassing van de richtlijn.

Het doel van het onderhavige onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de implementatie van de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ in regionale zorginstellingen. Hiertoe werd een gestandaardiseerde, op de richtlijn gebaseerde vragenlijst uitgezet onder medewerkers uit alle geledingen van een groot aantal, geografisch over Nederland gespreide, verpleeghuislocaties.

Materiaal en methode

In Nederland wonen momenteel ongeveer 149.000 mensen in meer dan 860 verpleeghuizen (Zorginstituut Nederland, 2015). Dit onderzoek is uitgevoerd in 74 verpleeghuislocaties die een regionaal karakter kennen, verspreid over Nederland (afb. 1). Alle verpleeghuislocaties van 9 regionaal opererende zorginstellingen met het oogmerk langdurige zorg werden benaderd vanuit een overkoepelend bestuursorgaan, waarin de zorginstellingen samenwerken op diverse terreinen.

Afb. 1. Regionale spreiding van deelnemende zorginstellingen, het aantal responderende locaties per zorginstelling en het aantal bedden van deze locaties.

Aan de hand van de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ werd een vragenlijst opgesteld (tab. 1). Deze vragenlijst werd voorgelegd aan diverse professionele zorgverleners, zoals medewerkers met managementtaken, specialisten ouderengeneeskunde (SOG), (verpleeg)huisartsen, basisartsen, verpleegkundig specialisten (voorheen ‘nurse practioners’), medewerkers van het tandheelkundige team en verpleegkundigen en verzorgenden binnen de aangesloten zorginstellingen. De vragenlijst werd, op verzoek van het landelijke bestuursvoorzittersoverleg, per e-mail door de regionale zorginstellingen zelf verspreid binnen de aangesloten verpleeghuizen. De vragenlijsten werden rechtstreeks aan de onderzoekers via e-mail of per post teruggestuurd.

Vragen/stellingen  Domein
1. Weet u van het bestaan af van de richtlijn ‘Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ Domein 1 ‘Toepassen van richtlijn’
2. De richtlijn ‘Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ wordt in mijn organisatie ­toegepast Domein 1 ‘Toepassen van richtlijn’
3. Mondverzorging en professionele mondzorg vormen binnen de instelling waar ik werk een integraal ­onderdeel van het zorgplan en het zorgdossier van de cliënt Domein 1 ‘Toepassen van richtlijn’
4. De verzorgenden en de verpleegkundigen worden minimaal eens per anderhalf jaar bijgeschoold op het gebied van mondverzorging Domein 4 ‘Scholing’
5. Er is in onze organisatie een tandarts/mondhygiëniste beschikbaar voor de behandeling van onze cliënten Domein 2 ‘Tandheelkundig team’
6. Met de tandarts/mondhygiëniste zijn formele afspraken vastgelegd omtrent de implementatie van de richtlijn Domein 2 ‘Tandheelkundig team’
7. Er is voor de tandarts/mondhygiëniste een ruime en toegankelijke werkruimte beschikbaar binnen de instelling, voorzien van de benodigde apparatuur en het benodigde instrumentarium Domein 2 ‘Tandheelkundig team’
8. Er is een (of meerdere) coördinerend zorgverlener(s) naast de tandarts/mondhygiëniste aangesteld als duidelijk aanspreekpunt bij problemen en klachten op het gebied van mondgezondheid Domein 2 ‘Tandheelkundig team’
9. Binnen 48 uur na opname van een nieuwe cliënt wordt er door de verpleging een eerste mondzorg­screening uitgevoerd en calamiteiten worden gemeld aan de SOG/verpleeghuisarts Domein 3 ‘Screening’
10. Ik ben mij ervan bewust dat er een directe relatie bestaat tussen de mondgezondheid en de algehele ­gezondheid van de cliënt Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
11. Binnen 6 weken na opname van een nieuwe cliënt wordt de mondgezondheid van de cliënt geïnventariseerd door een tandarts/mondhygiëniste en wordt er een individueel mondzorgplan opgesteld Domein 3 ‘Screening’
12. Dentate (betande) en gebitsprothese dragende zorgafhankelijke cliënten ontvangen een individueel ­ingestelde periodieke controle, ook als er geen pijnklachten bekend zijn Domein 3 ‘Screening’
13. Wanneer uitvoering van reguliere mondzorg onmogelijk is door fysieke en/ of gedragsproblemen van de cliënt, wordt er gespoeld met chloorhexidine of wordt er dagelijks chloorhexidinegel geappliceerd Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
14. Ik heb scholing ontvangen op het gebied van mondzorg Domein 4 ‘Scholing’
15. De richtlijn is duidelijk Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
16. De richtlijn is goed hanteerbaar Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
17. Er moet vaak afgeweken worden van de richtlijn Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
18. Er is voldoende tijd beschikbaar om de richtlijn uit te voeren Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
19. Bij aandoeningen in de mond van zorgafhankelijke cliënten kijk ik naar de voorgeschreven ­geneesmiddelen Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’
20. Ik ben van mening dat de mondzorg goed is geregeld binnen onze organisatie voor de zorgafhankelijke cliënten en zie een inspectie van dit onderdeel door de IGZ met vertrouwen tegemoet Domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’

Tabel 1. Vragenlijst met de domeinen waarin de vragen vielen. De respondenten konden antwoorden met ‘Ja’, ‘Weet ik niet’ of ‘Nee’.

De vragenlijst bevatte 5 domeinen: 4 met vragen over de werkwijze en de implementatie van de aanbevelingen uit de richtlijn en 1 met vragen over het uitvoeringsniveau van de aanbevelingen. In domein 1 ‘Toepassen van de richtlijn’ werd onderzocht of de richtlijn bekend is, toegepast wordt en vervolgens is geborgd binnen de eigen organisatie. In domein 2 ‘Tandheelkundig team’ werden door de respondenten vragen beantwoord met betrekking tot de al dan niet aanwezige mondzorgverleners en mondzorgcoördinerende verpleegkundigen. In domein 3 ‘Screening’ werd de 48-uurs screening en de professionele tandartsscreening, die binnen 6 weken na opname van een cliënt zou moeten plaatsvinden, getoetst en tevens werd gevraagd naar een individueel recall-systeem voor iedere bewoner. In domein 4 ’Scholing’ werd scholing op het gebied van mondzorg getoetst. In domein 5 ‘Uitvoeringsniveau’ werden vragen gesteld over de mate van uitvoering van de aanbevelingen en of dat voldoende werd geacht.

De analyse werd uitgevoerd op geleide van de 5 domeinen in de vragenlijst. Voor elk domein werden de frequenties van antwoorden (in percentages) berekend van het totale aantal respondenten. In domein 5, bij vraag 20, werden de respondenten tevens per functie en locatie opgesplitst, zodat inzicht kon worden verkregen in de mening van de verschillende categorieën medewerkers van de verschillende locaties.

Resultaten

In de periode september-december 2014 werden in totaal 273 vragenlijsten retour ontvangen uit de diverse verpleeghuislocaties. Het was niet bekend hoeveel vragenlijsten binnen alle instellingen waren verzonden, dus een responsemeting kon niet betrouwbaar worden gemaakt. Drie locaties werden geëxcludeerd voor analyse omdat maar 1 respondent had gereageerd. Een indeling naar functie van de respondenten is weergegeven in afbeelding 2. Alle functies die te maken hebben met mondzorg bij ouderen (zowel organisatorisch als uitvoerend) hebben de vragenlijst ingevuld.

Afb. 2. Verdeling van de respondenten naar functie (n = 270).

Uit de analyse van domein 1 bleek dat meer dan 75% van de respondenten zegt de richtlijn toe te passen (afb. 3). De bekendheid van de richtlijn is dus groot, bovendien geeft de overgrote meerderheid (> 90%) aan dat de richtlijn een integraal onderdeel is van het zorgplan. De resultaten van domein 2 geven aan dat in de meeste organisaties (> 90%) een externe tandarts of mondhygiënist beschikbaar is (afb. 3). Bij ongeveer 70% van de respondenten is tevens in het verpleeghuis een mondzorgcoördinator aangesteld. Wel is gebleken dat in 50% van de locaties er geen formele afspraken zijn vastgelegd met de externe tandartsen en mondhygiënisten.

Analyse van de antwoorden in domein 3 laat zien dat een meerderheid van respondenten aangaf dat er geen tandheelkundige screening van cliënten door een verzorgende binnen 48 na opname in het verpleeghuis plaatsvond (afb. 3). Ook de screening door een tandarts of mondhygiënist binnen de 6-wekenaanbeveling van de richtlijn, vond volgens de respondenten bij meer dan de helft van de instellingen niet plaats, of het personeel was daarvan niet op de hoogte. Ten slotte gaf ongeveer een derde van de respondenten aan dat er geen individuele recall-periode is ingesteld bij hun instelling.

Uit de resultaten van domein 4 bleek dat ongeveer de helft van de respondenten scholing had ontvangen op het gebied van mondgezondheid (afb. 3). Minder dan de helft van de verzorgenden/verpleegkundigen krijgt minimaal een maal per 1,5 jaar bijscholing op het terrein van de mondzorg.

afb3_domein_tekst.jpg

Afb. 3. Resultaten van de 20 vragen in de 5 domeinen.

Uit analyse van de vragen uit domein 5 blijkt dat de richtlijn als hanteerbaar en duidelijk wordt ervaren, maar dat voor de uitvoering ervan te weinig tijd beschikbaar is (afb. 3). Voorts kwam uit de resultaten naar voren dat de kennis omtrent het gebruik van chloorhexidine ontoereikend is, hoewel deze toepassing een prominente plaats kent binnen de richtlijn. De relatie tussen een gezonde mond en de algehele gezondheid was onder bijna alle respondenten bekend (95%), maar dat het gebruik van medicatie hier een invloed op heeft, was minder bekend (60%). Ten slotte gaf ongeveer de helft van de respondenten aan dat uitvoering van de richtlijn binnen de eigen organisatie goed is geregeld en men daardoor een inspectie van dit onderdeel door de IGZ met vertrouwen tegemoet zou zien. Dit gevoel was breed gedragen onder de diverse medewerkers van de zorginstellingen, ongeacht hun functie (afb. 4).

 afb4_igzproof_tekst.jpg

Afb. 4. Resultaten van vraag 20, onderverdeeld in de verschillende functies van de respondenten.

Discussie

De belangrijkste bevinding uit het onderzoek is dat de richtlijn wel bekend is, maar de implementatie hiervan te wensen overlaat. Blijkbaar stuiten medewerkers bij de toepassing van de richtlijn op problemen.

Aangezien de verspreiding van de vragenlijsten onder de medewerkers in verpleeghuizen, conform de afspraken met de koepelorganisatie, door de zorginstellingen zelf werd uitgevoerd, is er geen informatie beschikbaar over het totaal aantal personen dat de vragenlijsten heeft ontvangen (en dus had kunnen invullen). Het aantal respondenten (n = 270) lijkt voldoende te zijn om inzicht te krijgen in de implementatie van de ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’. Wel moet hierbij rekening worden gehouden met de mogelijkheid van incorporatie bias (die kan voorkomen wanneer het onderwerp dat wordt geëvalueerd zelf als referentiestandaard wordt gebruikt). De respondenten lijken tevens een goede weerspiegeling van de verschillende functies binnen verpleeghuizen weer te geven. Verpleegkundigen en verzorgenden waren, net als in de doorsnee personeelsopbouw van verpleeghuizen, ruim vertegenwoordigd onder de respondenten.

Hoewel uit het onderzoek blijkt dat de bekendheid van de richtlijn erg groot is en dat mondzorg een integraal onderdeel vormt van het zorgplan, gaf 75% van de respondenten aan dat de richtlijn ook daadwerkelijk wordt toegepast. Desondanks stuit de uitvoering van de richtlijn blijkbaar ergens in het verdere traject op problemen. In de meeste verpleeghuizen was een tandarts of mondhygiënist beschikbaar en veelal ook een mondzorgcoördinator, maar opmerkelijk is dat er vaak geen formele afspraken waren vastgelegd met de tandarts of mondhygiënist. In het algemeen kan worden gesteld dat het afwezig zijn van een tandarts of mondhygiënist en/of een mondzorgcoördinator de invoering van adequate mondzorg voor een individuele cliënt niet bevordert. Ook het ontbreken van formele afspraken over wederzijdse plichten en rechten met tandheelkundige zorgverleners kan ertoe leiden dat uitvoering en continuïteit van de mondzorg onvoldoende is geborgd. Het uit dit onderzoek verkregen gegeven dat juist in bijna alle onderzochte verpleeghuizen een mondzorgverlener beschikbaar was, zou bij uitstek de kans zijn om de richtlijn beter te implementeren dan tot nu lijkt te zijn gebeurd.

De antwoorden op de vragen over de screening van de cliënten, vertellen veel over de implementatie van de onderzochte richtlijn. Wat opvalt, is dat de 48-uurs mond­screening door een verzorgende en de screening binnen 6 weken door een tandarts vaak niet werden uitgevoerd. Tevens scoorde het toepassen van de individuele recall-periode slecht. Het lijkt erop dat al bij binnenkomst van een nieuwe cliënt de mondzorg geen integraal deel uitmaakt van het totale zorgplan.

Ten aanzien van het kennisniveau van de verzorgenden en verpleegkundigen in de zorginstellingen stelde de IGZ in haar rapportage in 2014 dat deze over het algemeen ontoereikend is (IGZ, 2014). Dat beeld wordt in dit onderzoek bevestigd. Scholing en bij- en nascholing worden onvoldoende uitgevoerd. Dit kan mogelijk verband houden met het feit dat in het werkveld geen goed netwerk voor scholing voorhanden is. De primaire opleidingen MBO-v en HBO-v geven wellicht onvoldoende invulling aan de mondzorgscholing, terwijl er wel vanaf 2007 een richtlijn ligt die dat van de beroepsopleidingen vraagt. Tevens zijn er weinig nascholingsactiviteiten voor verzorgenden, verpleegkundigen en artsen op het gebied van mondzorg voor deze groep cliënten. Een en ander wordt bevestigd in een rapportage van TNO, die in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd op het vlak van de mondzorg voor kwetsbare ouderen (Verlinden et al, 2014). Gezien de verwachte veranderingen in zorgbehoefte en zorgcomplexiteit van deze patiëntengroep dient ook binnen de huidige opleidingen van tandartsen en mondhygiënisten substantieel aandacht te worden besteed aan geriatrie, aan specifieke mondzorg voor cliënten in een verpleeghuis en in thuiszorgsituaties, en aan de samenwerking met andere zorgverleners rondom zorgafhankelijke ouderen.

Op dit moment lijkt het erop dat voor de uitvoering van de richtlijn in de praktijk onvoldoende tijd is (zie vraag 18 van vragenlijst en afb. 3). Voor alle cliënten van een verpleeghuis is een goede mondzorg vanaf het begin belangrijk. Dat hiervan geen sprake is voor alle cliënten mag zorgelijk genoemd worden. In de IGZ-rapportage is duidelijk verwoord dat de eindverantwoordelijkheid voor de mondzorg primair ligt bij het bestuur van de zorginstellingen en dat de medische staf (SOG’s, huis- en basisartsen) een sturende en motiverende rol heeft in de uitvoering en ervoor moet zorgdragen dat de richtlijn wordt uitgevoerd (IGZ, 2014).

Wellicht wordt de bekostiging van het uitvoeren van de richtlijn door veel zorginstellingen als een struikelblok gezien. De overheid heeft ervoor gekozen de bekostiging van de mondzorg niet apart te labelen als mondzorgbudget. Dat heeft ertoe geleid dat de vele jaren van ontoereikende implementatie, gecombineerd met bezuinigende maatregelen in de verpleeghuissector, de gelden bestemd voor mondzorg mogelijk elders zijn ingezet. Een heldere mondzorgbudgettering, per locatie of zorginstelling, al dan niet extra gefinancierd op basis van een plan van aanpak, is zeer wenselijk. Op die manier kunnen voor de mondzorg bestemde gelden ook daadwerkelijk daar terechtkomen. Ook het omvormen van grote verpleeghuizen naar het zogenoemde ‘kleinschalig wonen’ werkt in de hand dat voorzieningen zoals een tandheelkundig team, bestaande uit een tandarts en/of mondhygiënist met affiniteit voor ouderen en met een adequate uitrusting, nog schaarser worden. Voor een groot verpleeghuis is het plaatsen van tandartsapparatuur immers kostenefficiënter dan bij kleinschalige locaties.

Aan de andere kant bestaat op basis van het onderhavige onderzoek de indruk dat ook de aan het verpleeghuis verbonden mondzorgverleners steken laten vallen. Dit is opmerkelijk, omdat het succes van mondzorg in een verpleeghuis is gebaseerd op het gestructureerd leveren van integrale mondzorg door 1 of meerdere ambitieuze mondzorgverleners met voldoende geriatrische kennis conform de richtlijn. De instelling en de mondzorgverleners dienen ervoor te zorgen dat gemaakte afspraken helder binnen de organisatie en administratie zijn geborgd op locatieniveau, en zeker ook op cliëntniveau. Mogelijk is een grotere verantwoordelijkheid voor mondzorgverleners in het gehele proces een oplossing om de richtlijn beter te implementeren.

Met het oog op de toekomst en de tendens dat veel ouderen thuis verpleegd gaan worden is de getoetste richtlijn ook toepasbaar in thuissituaties. Derhalve zullen ook de eerstelijns tandartsen zich bewust moeten worden van het blijven leveren van geriatrische mondzorg bij deze (zeer) kwetsbare cliënten. De eigen tandarts zou primair, net als de eigen huisarts, het eerste aanspreekpunt van een thuiswonende oudere met intensieve thuiszorg moeten blijven. Van deze cliënten of cliënten die tijdelijk in een verpleeghuis verblijven, moet de keuzevrijheid voor een eigen tandarts of mondhygiënist gerespecteerd blijven. De eigen tandarts dient daarin de verantwoordelijkheid te nemen zijn eigen cliënten zolang mogelijk te blijven behandelen. Mondzorgbedrijven die regionaal en landelijk opereren en die (preventieve) mondzorg collectief overnemen van lokale mondzorgverleners, al dan niet gestuurd door de zorginstelling, dienen zich bewust te zijn van de behandelrelatie van de cliënt met de eigen tandarts en mondhygiënist.

Conclusie

De ‘Richtlijn mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen’ is onder medewerkers van verpleeghuizen goed bekend, de implementatie van de richtlijn laat echter sterk te wensen over. Interventies op het gebied van nascholing, contractering mondzorgverleners op basis van een integraal zorgmodel (dus niet alleen klachten gestuurd leveren), mondzorgbudgetering en communicatie zijn nodig om de een effectieve uitvoering van de richtlijn mogelijk te maken.

Literatuur

  • Asai K, Yamori M, Yamazaki T, et al. Tooth loss and atherosclerosis: the Nagahama study. J Dent Res 2015; 94 (3 Suplle): 52-58.
  • Beroepsvereniging verpleeghuisartsen en sociaal geriaters. Richtlijn Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen. http://www.verenso.nl/assets/Uploads/Downloads/Richtlijnen/Richtlijnmondzorg.pdf. Geraadpleegd: 30 oktober 2015.
  • Bots-van ’t Spijker PC, Bruers JJ, Bots CP, et al. Opinions of dentists on the barriers in providing oral health care to community-dwelling frail older people: a questionnaire survey. Gerodontology 2014; Nov 12: 10.1111/ger12155.
  • Catteau C, Piaton S, Nicolas E, Hennequin M, Lassauzay C. Assessment of the oral health knowledge of healthcare providers in geriatric nursing homes: additional training needs required. Gerodontology 2016; 33: 11-16.
  • Chen X, Naorungroj S, Douglas CE, Beck JD. Self-reported oral health and oral health behaviors in older adults in the last year of life. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2013; 68: 1310-1315.
  • Gerritsen PF, Schrijvers AJ, Cune MS, Bilt A van der, Putter C de. Assessment of the oral health condition of nursing home residents by primary care nurses. Spec Care Dentist 2014; 34: 260-264.
  • Hoeksema AR, Vissink A, Raghoebar GM, et al. Mondgezondheid van kwetsbare ouderen: een inventarisatie in een verpleeghuis in Noord-Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2014; 121: 627-633.
  • Inspectie voor de Gezondheidszorg.Kwaliteit mondzorg in verpleeghuizen onvoldoende. Een inventariserend onderzoek in 29 verpleeghuizen. Utrecht: IGZ, november 2014.
  • Iwasaki M, Taylor GW, Nesse W, Vissink A, Yoshihara A, Miyazaki H. Periodontal disease and decreased kidney function in Japanese elderly. Am J Kidney Dis 2012; 59: 202-209.
  • Jokstad A, Ambjørnsen E, Eide KE. Oral health in institutionalized elderly people in 1993 compared with in 1980. Acta Odontol Scand 1996; 54: 303-308.
  • Kamer AR, Pirraglia E, Tsui W, et al. Periodontal disease associates with higher brain amyloid load in normal elderly. Neurobiol Aging 2015; 36: 627-633.
  • Khanagar S, Naganandini S, Rajanna V, Naik S, Rao R, Madhuniranjanswamy MS. Oral hygiene status of institutionalised dependent elderly in India - a cross-sectional survey. Can Geriatr J 2015; 18: 51-56.
  • Maarel-Wierink CD van der, Vanobbergen JN, Bronkhorst EM, Schols JM, Baat C de. Risk factors for aspiration pneumonia in frail older people: a systematic literature review. J Am Med Dir Assoc 2011; 12: 344-354.
  • Niesten D, Mourik K van, Sanden W van der. The impact of having natural teeth on the QoL of frail dentulous older people. A qualitative study. BMC Public Health 2012; 12: 839.
  • Putten GJ van der, De Visschere L, Schols J, Baat C de, Vanobbergen J. Supervised versus non-supervised implementation of an oral health care guideline in (residential) care homes: a cluster randomized controlled clinical trial. BMC Oral Health 2010; 2: 10-17.
  • Saarela RK, Soini H, Muurinen S, Suominen MH, Pitkälä KH. Oral hygiene and associated factors among frail older assisted living residents. Spec Care Dentist 2013; 33: 56-61.
  • Smit M de, Westra J, Vissink A, Doornbos-van der Meer B, Brouwer E, Winkelhoff AJ van. Periodontitis in established rheumatoid arthritis patients: a cross-sectional clinical, microbiological and serological study. Arthritis Res Ther 2012; 14: R222.
  • Tada A, Miura H. Prevention of aspiration pneumonia (AP) with oral care. Arch Gerontol Geriatr 2012; 55: 16-21.
  • Teeuw WJ, Gerdes VE, Loos BG. Effect of periodontal treatment on glycemic control of diabetic patients: a systematic review and meta-analysis. Diabetes Care 2010; 33: 421-427.
  • Verlinden DA, Schuller AA, Verrips GHW. Mond gezond, een leven lang. Een onderzoek naar de potentiële effectiviteit van interventies ter bevordering van de mondgezondheid van ouderen in Nederland. Den Haag: TNO, november 2014.
  • ZorgInstituut Nederland. Opvragen kwaliteitsgegevens. https://www.zorginstituutnederland.nl/kwaliteit/opvragen+kwaliteitsgegevens#Openbaredatabestanden. Geraadpleegd: 19 januari 2016.

Verantwoording

Dit onderzoek werd gesteund door een beurs van de Stichting Bevordering Tandheelkundige Kennis.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Beeld: Shutterstock
Beeld: Shutterstock
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd mei 2016; 123: 257-263
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2016.05.16123
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • A.R. Hoeksema1, H.J.A. Meijer1,2, A. Vissink1, G.M. Raghoebar1, A. Visser1
  • Uit 1de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van de ­Rijksuniversiteit Groningen/het Universitair Medisch Centrum Groningen en 2het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van de Rijks­universiteit Groningen/Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Datum van acceptatie: 21 maart 2016
  • Adres: mw. dr. A. Visser, huispost BB70, UMC Groningen, postbus 30.001, 9700 RB Groningen
  • a.visser@umcg.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd