Behandeling van collum mandibulaefracturen

Academisch proefschrift

Open PDF (156.75 KB)

B. van den Bergh
Aspects of maxillofacial trauma care with emphasis on closed treatment of mandibular condyle fractures in an era of open reduction and internal fixation
Amsterdam: Vrije Universiteit, 2016
149 bl., geïll.
ISBN 978 60 6464 941 7

 

 

 

In dit proefschrift wordt een retrospectieve analyse beschreven van de etiologie, de behandeling en de langetermijnresultaten van behandelingen van aangezichtsfracturen onder algehele anesthesie ge­durende de periode 2000-2010. De meeste fracturen werden veroorzaakt door verkeers­ongevallen en op de tweede plaats stonden fracturen ontstaan bij mannen door onderling geweld. Van de mandibulafracturen was dat respectievelijk 40% en 25%, overeenkomstig met de internationale onderzoeksliteratuur.

Vervolgens keek de promovendus naar de behandeling van collum mandibulaefracturen en vooral naar de resultaten van de gesloten behandeling door middel van intermaxillaire fixatie met schroeven of Winterse spalken. Tevens analyseerde hij de langetermijnresultaten van 71 behandelde patiënten met bilaterale condylusfracturen; hiervan waren er 41 beschikbaar voor na-onderzoek met de Research Diagnostic Criteria for Temporomandibular Disorders. Er presenteerden zich 5 patiënten met een anterieure open beet, maar er waren geen functionele of pijnklachten. Onder de 30 niet beschikbare patiënten bleken er 4 behandeld te zijn voor malocclusie. Zodoende vertoonde een vrij hoog percentage (13%) van de behandelde groep een openfrontrelatie. De occlusie na fixatie met schroeven of spalken bleek niet verschillend, maar de schroeven gaven wel meer comfort, minder pijn en een kortere operatieduur. Nadeel is dat zij permanente beschadiging van een radix van een gebitselement kunnen opleveren.

Het proefschrift besluit met een retrospectieve analyse naar de zin- of onzin van postoperatieve beeldvorming. Van 599 patiënten met 646 fracturen bleek dat 2,8% opnieuw geopereerd diende te worden vanwege een onvoldoende repositie en fixatie. De beslissing daartoe was voornamelijk gebaseerd op klinische bevindingen, dus stelt de auteur dat de routinematige postoperatieve radiografie niet nodig is bij aangezichtsfracturen. Intraoperatieve analyse van de reductie van de fractuur gevolgd door een postoperatieve klinische beoordeling zou een betere nazorg zijn. Postoperatieve beeldvorming zou alleen noodzakelijk zijn bij patiënten met symptomen van een ongunstige postoperatieve uitkomst. Tot slot stelt de auteur voor nader te onderzoeken welke factoren bijdragen aan het ontstaan van de suboptimale occlusie. De promovendus heeft geen nadere analyse gedaan van het soort collumfracturen en of dat nog van invloed is op het behaalde resultaat. Mogelijk dat dit ook in de toekomst kan worden onderzocht.

 

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.