Hora est 5. Levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen

View the english summary Open PDF (114.94 KB)

De factoren die van invloed kunnen zijn op de levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen zijn in een promotieonderzoek onderzocht, waarbij vooral de voornaamste oorzaken van falen – fractuur en secundaire cariës – zijn bestudeerd. In situ werd een onderzoek uitgevoerd om de invloed van restauratiematerialen te evalueren bij het ontstaan van secundaire cariës. Om het effect van patiënt-, materiaal- en gebitselement- gerelateerde variabelen op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen te beoordelen, werden 2 klinische langetermijnonderzoeken met een retrospectieve onderzoeksopzet verricht. Ook werden patiëntgerelateerde risicofactoren bestudeerd in een systematisch literatuuronderzoek, waarbij een meta-analyse is uitgevoerd van 12 klinische onderzoeken. De uitkomsten van de onderzoeken laten zien dat niet materiaalfactoren, maar het type gebitselement, het aantal gerestaureerde oppervlakken en patiëntgerelateerde factoren van invloed zijn op de overleving van composietrestauraties in posterieure gebitselementen.

Inleiding

Composieten zijn algemeen geaccepteerd als materiaal van eerste keus voor restauraties van posterieure gebitselementen, waarbij jaarlijks gemiddeld 1% tot 6% van deze restauraties falen. In posterieure gebitselementen falen de meeste restauraties, zowel van amalgaam als van composiet, door breuk en secundaire cariës. In vergelijking met amalgaam lijken restauraties met composiet gevoeliger voor falen door secundaire cariës.

Veel onderzoek richt zich op het verbeteren van materiaaleigenschappen en behandeltechnieken. Dit zijn meestal in vitro-onderzoeken of gecontroleerde klinische onderzoeken met een korte observatieperiode. Bij de ultieme vraag over de klinische levensduur van restauraties zouden echter ook andere factoren, zoals variabelen betreffende dentitie en patiënt, in ogenschouw moeten worden genomen.

Dit proefschrift heeft als doel juist die andere factoren te onderzoeken die van invloed kunnen zijn op de levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen. In een in situ-onderzoek werd het effect van directe restauratiematerialen op de vorming van secundaire cariës bestudeerd. Twee langetermijnonderzoeken met een retrospectieve onderzoeksopzet werden verricht om de invloed van patiënt-, materiaal- en gebitselementgerelateerde variabelen op de levensduur van posterieure composietrestauraties te onderzoeken. Ook werd een een meta-analyse van primaire data uit diverse klinische onderzoeken uitgevoerd. Bovendien werd een systematisch literatuuronderzoek gedaan naar klinische onderzoeken waarin de levensduur van restauraties en patiëntfactoren werd geëvalueerd.

Het promotieonderzoek

Het effect van directe restauratiematerialen op het ontstaan van secundaire cariëslaesies werd onderzocht in een in situ-onderzoek gedurende 8 weken volgens het ‘split mouth’-ontwerp, waarin bij 9 proefpersonen proefstukjes werden aangebracht op onderprothesen. Niet-gerestaureerde proefstukjes fungeerden als controlegroep (primaire cariës).

De proefstukjes bestonden uit dentine dat was voorzien van een restauratie met amalgaam, een microhybride composiet, een nanohybride composiet of een op siloraan gebaseerd composiet. Voor de composieten werden bondingsystemen gebruikt die al dan niet waren samengesteld met een antibacteriële monomeer. Met microradiografie werd het mineraalverlies berekenend, dat vervolgens werd geanalyseerd met een meervoudig lineair regressiemodel. Hieruit volgde dat wanneer een antibacteriëel adhesief of een nanohybride composiet werd gebruikt, een statistisch significant geringer mineraalverlies was waar te nemen dan bij amalgaam, en een vergelijkbaar verlies in de controlegroep. Amalgaam, de microhybride composiet zonder antibacteriëel adhesief en de composiet gebaseerd op siloraan vertoonden een groter mineraalverlies vergeleken met de controlegroep. Afgezien van het effect van de materialen op het mineraalverlies kon 30% van het effect worden gerelateerd aan de patiënt.

Om de invloed van patiënt-, materiaal- en gebits­elementgerelateerde variabelen op de levensduur van posterieure composietrestauraties te onderzoeken, werden 2 klinische onderzoeken uitgevoerd. Bij het eerste onderzoek lag de focus op de behandeltechniek (n = 632) en bij het tweede onderzoek op patiëntfactoren (n = 306).

De voorgeschiedenis van de restauraties werd geïnventariseerd op basis van tandheelkundige patiëntendossiers. Gerestaureerde gebitselementen die nog in situ waren, werden door de onderzoekers klinisch geëvalueerd. De techniek van het plaatsen van een onderlaag van glasionomeercement onder de composietrestauraties werd bestudeerd, waarbij werd gekeken naar levensduur, jaarlijkse cijfers voor het falen van restauraties en oorzaken van falen. Overige factoren die werden vastgelegd betroffen het geslacht van de patiënt, de boven- of onderkaak, het gebits­element, het aantal gerestaureerde oppervlakken en de toegepaste composieten.

Na een follow-upperiode van 18 jaar lagen de cijfers voor falen op 1,9% en 2,1% per jaar voor restauraties respectievelijk met en zonder glasionomeer onderlaag. Er was geen significant verschil in levensduur tussen restauraties met en zonder glasionomeer onderlaag, maar bij het falen van restauraties met een glasionomeer onderlaag was breuk de belangrijkste oorzaak (57,8%). Factoren die van significant belang bleken voor de levensduur van een restauratie waren het type gebitselement (molaar Hazard Ratio 2,57) en het aantal gerestaureerde vlakken van het gebitselement (3 of meer oppervlakken Hazard Ratio 2,06).

Afb. 1. Levensduur van restauraties naargelang de risicostatus van patiënten.

Voor het onderzoek naar de patiëntfactoren die een rol kunnen spelen bij de levensduur van een restauratie, werden 306 patiënten gecategoriseerd naar risicoprofiel. Met behulp van bitewing-opnamen werd het cariësrisico bepaald op basis van de cariëslaesies die hadden geleid tot restauraties. Het risico op occlusale gebitsslijtage gerelateerd aan bruxisme werd bepaald op basis van een door de patiënten ingevulde vragenlijst en de klinische beoordeling van gebitsoppervlakken. De variabelen die werden geïncludeerd in de multivariate Cox-regressieanalyse waren gerelateerd aan de patiënt (leeftijd, geslacht, risico status), gebitselementen (type, vitaliteit, kaak, aantal gerestaureerde oppervlakken) en aan de typen composieten. Van de restauraties in dit retrospectieve onderzoek had er in totaal 30% gefaald (jaarlijks faalpercentage 2,3-3,2%), waarvan 82% werd aangetroffen bij patiënten met 1 of beide risicofactoren. Secundaire cariës was de voornaamste reden voor falen bij patiënten met een groot cariësrisico, terwijl breuk de voornaamste reden voor falen was bij patiënten met een groot risico op occlusale gebitsslijtage. De Hazard Ratio bij de verhoogde risicofactoren voor occlusale gebitsslijtage en cariës bedroeg respectievelijk 2,78 en 4,40 in vergelijking met een laag risico op restauratiefalen. De verschillen in levensduur van restauraties naar de risicostatus van de patiënten worden getoond in tabel 1. Restauraties in molaren, in de onderkaak en in endodontisch behandelde gebits­elementen lieten een groter risico zien op falen.

Tabel 1. Gegevens uit de meta-analyse met de jaarlijkse percentages gefaalde restauraties na follow-up perioden van 5 en 10 jaar.

De invloed van de patiënt, de materiaalkeuze en de toestand van het te restaureren gebitselement op de over­leving van restauraties in posterieure gebitselementen werd beoordeeld in een meta-analyse van 12 onderzoeken (n = 2.816). Geïncludeerd werd longitudinaal onderzoek naar directe composietrestauraties in posterieure gebitselementen met een follow-upperiode van ten minste 5 jaar. Een database van alle restauraties werd opgezet met daarin opgenomen:

  • patiëntgebonden factoren: leeftijd, geslacht, cariësrisico;
  • gebitselementgebonden factoren: aantal gerestaureerde vlakken en plaats in de tandboog;
  • en de materiaalgebonden factoren: type composiet of glasionomeer en gebruik van onderlagen

Jaarlijkse faalcijfers werden berekend per subgroep en ook de soorten falen met de tijd. Voornamelijk klasse II-restauraties (2.585) maakten deel uit van de analyse en hiervan faalden er 569 (20%) gedurende de onderzoeksperiode. In het jaar volgend op de restauratie was vrijwel elk falen toe te schrijven aan endodontische complicaties, terwijl in de jaren daarna cariës en breuk de belangrijkste redenen waren voor falen. De kans op falen van restauraties in molaren was groter dan in premolaren. Na het analyseren van alle onderzoeken bleek een 1,6 maal verhoogd risico te bestaan bij hooggevulde composietrestauraties in molaren. Het faalpercentage was bij hooggevulde en mediumgevulde composieten niet significant verschillend (2,2 resp. 2,3% per jaar). Over de totale tienjaarsperiode van de regressieanalyse was een significant grotere kans op falen bij patiënten met een hoog cariësrisico en bij restauraties met een groter aantal gerestaureerde vlakken.

Ten slotte werd een systematisch literatuuronderzoek verricht om te zien wat de invloed was van patiëntfactoren op de levensduur van restauraties in posterieure blijvende gebitselementen en om de onderzoeksmethoden waarmee deze factoren werden verzameld te registreren. Geïncludeerd werden longitudinale klinische onderzoeken over de levensduur van posterieure restauraties (met uitzondering van kronen en tijdelijke restauraties) met een follow-up van minimaal 3 jaar en waarbij patiëntfactoren aan het begin van het onderzoek waren vastgelegd. Het literatuuronderzoek is in 2 delen beschreven: 1. De wijze waarop de patiëntfactoren in de onderzoeken zijn geëvalueerd en 2. een presentatie van de cijfers over de statistische significantie en de grootte van het effect van deze factoren op de levensduur van de restauraties. De patiëntfactoren betroffen onder meer leeftijd, geslacht, cariësrisico, aantal restauraties, mondhygiëne en bruxisme.

In 7 van de 16 onderzoeken bleek de leeftijd of de leeftijdscategorie van de patiënt significant voor de levensduur van de restauraties. Ten aanzien van geslacht werd er in 4 van 17 onderzoeksverslagen een significant effect gevonden op de levensduur, met meer falen bij mannen in 3 van de onderzoeken. In de analyse van 15 onderzoeken werden het cariësrisico of daaraan gerelateerde variabelen geïncludeerd, waarbij uit 10 onderzoeken een significant effect op de levensduur naar voren kwam bij patiënten met een hoog cariësrisico (of daaraan gerelateerde variabelen). Ook bruxisme had een negatief effect op de levensduur van restauraties, wat in 3 van de 6 onderzoeken naar voren kwam. Met het oog op de in het literatuuronderzoek verzamelde informatie zouden naast de gebruikelijke variabelen ook de patiëntfactoren deel moeten gaan uitmaken van klinisch onderzoek naar de levensduur van restauraties, aangezien werd aangetoond dat zij van invloed zijn op de levensduur van restauraties, ongeacht het gebruikte restauratiemateriaal. In de geanalyseerde onderzoeken zijn echter onvolkomenheden gevonden, zodat nader onderzoek nodig is.

Conclusie

In het algemeen zijn het type gebitselement, het aantal gerestaureerde oppervlakken en patiëntfactoren van invloed op de levensduur van composietrestauraties in posterieure gebitselementen, maar materiaalfactoren blijken daarentegen niet consistent van invloed te zijn op het resultaat.

Voor een langere levensduur van een restauratie door het aanbrengen van een onderlaag van glasionomeercement onder een composietrestauratie is geen bewijs gevonden. Toepassing van conventioneel glasionomeercement, waarbij het dentine met een tussenlaagje volledig is afgesloten, is gerelateerd aan meer falen ten gevolge van breuk.

Restauraties in molaren en een groter aantal gerestaureerde oppervlakken zijn tevens gerelateerd aan een verhoogd risico op falen.

Het effect van het soort composiet op de levensduur van posterieure gebitselementen blijkt gering en is alleen aangetoond bij de evaluatie van een grote steekproef in molaren. Echter, ook dan verschilt de levensduur op de lange termijn nauwelijks.

Het beschreven klinisch onderzoek naar patiëntfactoren toont aan dat een verhoogd cariësrisico en occlusale gebitsslijtage de levensduur van posterieure composietrestauraties in negatieve zin beïnvloeden.

Een verband tussen secundaire cariës en restauratiematerialen is niet gevonden. Composiet laat in vergelijking met amalgaam geen grotere mate van demineralisatie aan de buitenzijde van de oppervlakken van gebitselementen zien. Falen als gevolg van secundaire cariës bij composiet­restauraties is in het promotieonderzoek voornamelijk aangetroffen bij patiënten met een verhoogd cariësrisico.

Literatuur

  • Sande FH van de. Restoration survival in the composite resin age. Nijmegen: Radboud Universiteit Nijmegen. 2016. Academisch proefschrift.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Plaats in de onderprothese waarin de proefstukjes werden aangebracht.
Plaats in de onderprothese waarin de proefstukjes werden aangebracht.
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd september 2016; 123: 429-431
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2016.09.16182
rubriek
Onderzoek en wetenschap
serie
Hora est
Bronnen
  • F.H. van de Sande
  • Uit de afdeling Tandheelkunde van het Radboudumc, Nijmegen
  • Datum van acceptatie: 14 juli 2016
  • Adres: mw. dr. F.H. van de Sande, Morom, 1185, 602, CEP 99010-031, Passo Fundo RS, Brazil
  • vandesandefh@gmail.com
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd