Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheel­kunde: mej. Jans Gretha Schuiringa (1887-1975)

View the english summary Open PDF (599.74 KB)

Als eerste vrouwelijke lector in de prothetische tandheelkunde aan het Tandheelkundig Instituut in Utrecht moest Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) zich een plaats veroveren in een vakgebied dat sterk in ontwikkeling was. Het is onmiskenbaar dat zij een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het tandheel­kundig onderwijs en meer specifiek aan het vakgebied Tandheelkundige Chirurgische Prothetiek. Zeer toegewijd aan haar patiënten zette zij zich steeds in voor betere behandelingsmogelijkheden. Echter, haar strijdbare karakter leverde van tijd tot tijd veel weerstand op bij zowel haar collega’s, de curatoren van de medische faculteit en de studenten. Nadat in 1947 de tandheelkunde het ius promovendi had verkregen, voelde zij zich, nadat ze werd gepasseerd bij de benoemingen van de hoogleraren, niet erkend. Archiefonderzoek toont dat haar persoonlijkheid hierbij een grote rol heeft gespeeld.

Inleiding

Tijdens de internationale conferentie van de Vereniging voor Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) in augustus 1926 te Amsterdam, gaven verschillende geleerde vrouwen een lezing over hun beroep en het academische leven. Onder hen was Jans Gretha Schuiringa (1887-1995 intermezzo 1), de eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde in Nederland (afb. 1), met een verhaal over de vrouw in de tandheelkunde (De Tijd, 1926). Zij liet haar toehoorders weten dat van de 708 tandartsen er 132 vrouwelijke collegae waren (18,6%). Dit in tegenstelling tot de medici, van wie slechts 5% vrouw was (Mulder en De Jong, 2002). Schuiringa vond dat vrouwelijke tandartsen niet ontevreden mochten zijn, want zij hadden evenveel kans om een praktijk te verwerven als de mannelijke collegae.


Afb. 1. Mej. J. G. Schuiringa voor haar kast met de door haar verzamelde onderwijscollectie (1953) (Bron: Universiteitsmuseum Utrecht).

Schuringa’s stellige mening was dat vrouwen die tandarts wilden worden over een doorzettingsvermogen en technische talenten moesten beschikken. Deze kwaliteiten, die Schuiringa zelf in ruimte mate bezat, zouden haar leven sterk beïnvloeden, in positieve en negatieve zin. Zij zou haar leven lang strijden voor wat in haar ogen het goede was. Of, zoals ze in een interview aangaf, “strijden voor alles wat bijdraagt aan het heil van de medemens” (Haarlems Dagblad, 1953).

Intermezzo 1. Jans Gretha Schuiringa (1887-1975)
9 juli 1887 Geboren in Balmahuizen, provincie Groningen, als oudste dochter in een gezin met 7 kinderen. Haar vader was herenboer van een familieboedrij.
1899 Woonachtig in een pleeggezin in Groningen om onderwijs te volgen aan de Hogere Burgerschool (HBS). Na het behalen van haar diploma volgde zij een privéopleiding bij een tandarts.
1909 Behalen van theoretisch tandheelkundig examen bij een geneeskundige commissie van de Universiteit Groningen. Voor haar praktische examen diende ze naar Utrecht af te reizen. Daar kwam zij in een jaar met 30 tandheelkundestudenten, van wie er 8 vrouw waren.
27 juni 1913 Behalen van tandartsdiploma (afb. 2). Jans Schuiringa was een van de eersten die, na de wetswijziging van 1913, de ­titel ­tandarts mocht gebruiken. Hierna was ze werkzaam als assistent orthodontie en als assistent prothetiek op het ­Tandheelkundig Instituut.
1920 Aanstelling als lector prothetische tandheelkunde aan het Tandheelkundig Instituut te Utrecht.
3 februari 1921 Openbare les ‘Belangrijke factoren uit de ontwikkelingsgeschiedenis der prothetische tandheelkunde’ wegens lectoraat.
1924-1932 Lid van het hoofdbestuur van de Vereniging voor vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO). Tevens sloot Schuiringa zich aan en raakte zelfs actief betrokken bij de oprichting van de Nederlandse tak van de serviceclub de Soroptimisten, die zich vooral inzette voor de rechten van de vrouw.
1927 Kritisch artikel over de stand van zaken in het tandheelkundig onderwijs in Tijdschrift voor Tandheelkunde.
1929 Voorstel stop op de behandeling van tandheelkundig chirurgische prothetiek-patiënten.
1936 Affaire Van Dorssen: studenten eisten aftreden van Schuiringa.
1945-1946 Plaatsvervangend directeur Tandheelkundig Instituut.
Juni 1957 Afscheid en pensionering.
1 augustus 1975 Overleden in Utrecht, begraven In Niehove ( Groningen).


Afb. 2. Tandartsdiploma van Jans Gretha Schuiringa 1913. Het woord tandmeester is doorgestreept en vervangen voor tandarts (Bron: Collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

Dat haar na de Tweede Wereldoorlog geen hoogleraarschap in de prothetische tandheelkunde werd gegund, raakte Schuiringa diep (Schuiringa, 1976). Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Een vrouw die zich ogenschijnlijk haar hele leven inzette voor het Tandheelkundig Instituut te Utrecht, haar studenten wetenschappelijk wilde scholen en zelf een reeks publicaties op haar naam had staan? In dit artikel wordt aan de hand van verschillende opmerkelijke momenten uit haar carrière een indruk gegeven van Schuiringa als persoon.

Studententijd

In het begin van de twintigste eeuw steeg het aantal vrouwen dat ging studeren, maar algemeen geaccepteerd was het niet. Volgens enkele bekende hoogleraren zou “ …de wetenschap door het overheerschende gevoelsleven onzuiver gemaakte vrouwelijke denken slechts schade ondervinden” (De Indische Courant,1925). F.A.F.C. Went, hoogleraar botanie (1863-1935), betoogde ruim 10 jaar na het afstuderen van Schuiringa, dat 70% van de universitair geschoolde vrouwen in het huwelijk zou treden en hij vroeg zich daarbij af of de universiteit wel de beste leerschool was voor een zo groot aantal aanstaande huisvrouwen (De Indische ­Courant, 1925).

Ook binnen de tandheelkundige wereld waren gezaghebbende tandmeesters van mening dat vrouwen misschien wel tandmeester konden worden, maar zeker niet geschikt waren voor het beoefenen van de wetenschap als zodanig. Het opstel ‘De vrouw en de studie der tandheelkunde’ van C. Witthaus (1886-1950) uit 1899 is daar een welbekend voorbeeld van.

Voor Jans Schuiringa was de studententijd een relatief rustige periode. Zij had haar theoretische examen al in Groningen afgelegd en hoefde alleen nog het praktisch onderwijs te volgen. Schuiringa werd omringd door een groep vrouwen die van mening was dat door hard te werken de kritiek op hun aanwezigheid in de academische wereld wel zou verstommen (Schreuder et al, 1993). Ze sloot zich aan bij de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging, (UVSV) en dit lidmaatschap moet haar sterk hebben beïnvloed in haar visie op de verhoudingen tussen man en vrouw in de academische wereld. Net voor haar komst bij de UVSV was de latere juriste Clara Wichmann afgestudeerd en afgetreden als praeses. Wichmann was al tijdens haar studie actief in de strijd voor gelijke rechten van man en vrouw en haar feministische ideeën zullen zeker een stempel op de vereniging hebben gedrukt.

De situatie binnen het Tandheelkundig Instituut veranderde gedurende de studententijd van Schuiringa drastisch. De grondlegger van het instituut, dr. Theodore Dentz, was net met pensioen gegaan en werd opgevolgd door lector-directeur John E. Grevers (1855-1933). Grevers regeerde met ijzeren hand. Hij separeerde de vrouwelijke studenten van de mannen. De mannen mochten niet in de kamer komen waar de vrouwen practica hadden, zodat zij elkaar niet zouden afleidden. Tevens werd Grevers willekeur verweten bij het examineren, want hij bepaalde aan de hand van zijn eigen criteria wie wel en niet werd toegelaten voor een examen. Grevers’ beleid resulteerde in 1910 in een opstand onder de studenten, waarbij zij weigerden nog langer colleges te volgen. Ook Schuiringa moet hieraan hebben deelgenomen, omdat uit de bronnen blijkt dat slechts 1 student, J. van Veen, om religieuze redenen niet deelnam aan deze staking (Van Wiggen, 1987). Zij maakte bij deze gelegenheid ongetwijfeld kennis met een man waarmee ze later nog veel te maken zou krijgen, namelijk Charles F. L. Nord (1887-1978). Hij leidde als student de staking en vond het onderwijs in de tandheelkunde ver beneden peil. Een standpunt dat hij ook in zijn latere leven, als voorzitter van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (NMT) en als hoofredacteur van het Tijdschrift voor Tandheelkunde (TvT, nu NTvT), bleef innemen. Opvallend is dat Jans Schuiringa in haar memoires ‘Naar de erkenning’ (1976) met geen woord rept over de studentenstaking en over Nord.

Aanstelling als lector

Na het behalen van het tandartsdiploma op 27 juni 1913 bleef Schuiringa verbonden aan het Tandheelkundig Instituut als assistent orthodontie bij lector J.A.W. van Loon (1876-1940) en als assistent prothetiek bij I.J.E. de Vries. Nadat De Vries in 1918 ontslag nam vanwege onenigheid over de invulling van het prothetisch onderwijs, werd Schuiringa gevraagd de onderwijstaken prothetische tandheelkunde waar te nemen. Hoewel Grevers de curatoren van de medische faculteit had laten weten Schuiringa niet geschikt te achten voor deze functie, was zijn invloed beperkt van­wege zijn op handen zijnde pensioen. Lector Van Loon sprak bij de curatoren juist de waardering uit voor zijn assistent Schuiringa. Hij liet de keus aan de curatoren, maar gaf aan dat als Schuiringa niet zou worden aangesteld, hij haar wilde behouden als assistent orthodontie (Van Loon, 1918). Bij de definitieve invulling van het lectoraat, 2 jaar later, werd opnieuw getwijfeld aan Schuiringa. Op 24 juli 1920 ontving de toenmalige directeur van het Tandheelkundig Instituut, de kno-arts Hendrik de Groot (1881-1931), een brief waarin de curatoren van de ­medische faculteit stelden dat “…docenten van een superieure betekenis niet te verkrijgen zijn. De benoeming van Schuiringa is daarom doeltreffend…” Haar aanstelling als lector prothetische tandheelkunde werd daarmee een feit (Curatoren medische faculteit, 1920).

Tekenend voor haar karakter was dat zij bij haar benoeming eiste gebruik te kunnen maken van het recht om een openbare les te houden, zoals De Groot zelf als lector mondheelkunde in 1919 had gedaan. De Groot was echter van mening dat Schuiringa dat niet ook hoefde te doen, omdat hij het al gedaan had (Schuiringa, 1976). In de ogen van De Groot was een tandarts strikt genomen geen academicus en kon daarom geen openbare les geven. Schuiringa vond daarentegen dat zij op gelijke voet stond met elke andere wetenschapper die een lectoraat toebedeeld kreeg. Zij hield daarom voet bij stuk en ondanks de weerzin van De Groot, hield zij op 3 februari 1921 haar openbare les (Schuiringa, 1921). Haar voordracht gaf een historisch overzicht van de prothetiek. Voor de toekomst voorzag zij voor tandartsen een zwaartepunt op het gebied van mondhygiëne. Een gaaf gebit noemde zij toen nog een illusie.

Ook in de jaren daarna moest Schuiringa zich noodgedwongen strijdbaar opstellen. Tegelijk met haar was tandarts J.W. Switters (1884-1930) aangesteld als lector conserverende tandheelkunde. Omdat hij kostwinner was, verdiende hij 500 gulden meer. Schuiringa vond dit onrechtvaardig. De vele brieven die zij naar de curatoren stuurde kregen aanvankelijk geen gevolg. Pas toen zij een brief schreef aan het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OK&W) en dreigde met ontslag als haar salaris niet gelijk gesteld werd met dat van haar mannelijke collega, kreeg ze haar zin en werd haar inkomen verhoogd naar 6.500 gulden per jaar (Van de Broek, 1925).

Jaren 1920: Schuiringa laat haar tanden zien

In de jaren 1920 was er in het Tandheelkundig Instituut te weinig ruimte voor het groeiend aantal studenten en ook ontbrak het aan genoeg hulpmiddelen om goed onderwijs te geven. Toen Schuiringa in 1927 werd gevraagd een artikel te schrijven voor het Tijdschrift voor Tandheelkunde ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het tandheelkundig onderwijs, reageerde ze venijnig dat er niets te vieren viel. Toch schreef ze het artikel, getiteld ‘Een Herdenking’, waarin zij een metafoor gaf voor het onderwijs als was zij te vergelijken met een woestijn waar de vermoeide docenten doorheen trekken als leiders van een karavaan en die ook nog eens belast waren met het doen van wetenschappelijke waarnemingen (Schuiringa, 1927). In het tandheelkundig onderwijs kwam volgens Schuiringa herhaaldelijk een fata morgana op; men beloofde veel, maar het bleek telkens een luchtspiegeling. In een volgende editie van het TvT diende Charles Nord, op dat moment al voorzitter van de NMT en hoofdredacteur van het TvT, Schuiringa van repliek. Hij betoogde, met dezelfde metaforen, dat Schuiringa alleen achter zou blijven in de woestijn, … want een groot leger marcheert rustig door... (Nord, 1927). Daarmee doelde hij op de studenten die toch wel hun pad zouden gaan vinden. Nord stelde dat Schuiringa “door de boomen het bosch niet meer ziet en - boomziek geworden - er voortdurend onnoodig tegen één aanloopt” (Nord, 1927). In zijn ogen ‘jammerde’ Schuiringa teveel en was ze te weinig opbouwend. Nord en Schuiringa bleken in hun opvatting diametraal tegenover elkaar te staan.

Al vroeg in haar loopbaan had Schuiringa interesse in de tandheelkundige chirurgische prothetiek (TCP) (afb. 3). Dat er voor mensen met kaak- en aangezichtsdefecten in Nederland nauwelijks expertise was om tandheelkundig behandeld te worden, ervoer zij als onrechtvaardig. Schuiringa zag het als haar taak de belangen van deze mensen te behartigen en hen prothetisch te behandelen. Echter, toen zij in 1929 terugkeerde na een ziekteperiode werd haar gesommeerd haar werkzaamheden met de TCP-patiënten te staken. Deze maatregel was het gevolg van de opdracht van de curatoren van de medische faculteit dat het Instituut meer zelfvoorzienend moest worden (Tandheelkundig Instituut, 1928). Men probeerde verschillende manieren te bedenken om goedkoper te werken. De prothetische tandheelkunde en zeker de chirurgische prothetiek leek een makkelijke keuze omdat het vaak zeer arbeidsintensieve en bovendien kostbare behandelingen waren vanwege de gebruikte materialen. Dankzij haar vasthoudendheid en doorzettingsvermogen lukte het Schuiringa de beslissing ongedaan te maken (Schuiringa, 1976).


Afb. 3. Een gipsafgietsel van een patiënt met Lupus vulgaris uit de verzameling van J.G Schuiringa (1952-1957) (Bron: Collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

In diezelfde periode was een verhuizing van het Tandheelkundig Instituut naar een ruimer gebouw op handen. De door haar collega B.R. Bakker gemaakte ruimtelijke indeling was voor Schuiringa aanleiding hem te verwijten dat hij, zonder dat hij daarvoor de ervaring had, zich bemoeide met de indeling van alle ruimtes voor de prothetische tandheelkunde. Dit zette bij Schuiringa zoveel kwaad bloed, dat Bakker zich niet meer op haar afdeling mocht begeven (De Maar, 1977).

Jaren 1930: techniek versus wetenschap

Meermalen had Schuiringa zich uitgelaten over het in haar ogen beperkte niveau van de studenten (afb. 4). In 1936 leidde Schuiringa’s opstelling tot een affaire waarbij zij in opspraak kwam. De aanleiding was een brief van dr. G. van Dorssen aan minister Slotemaker de Bruine van OK&W. Van Dorssen beklaagde zich erover dat zijn zoon al 2 jaar lang de dure studie tandheelkunde volgde, maar om weinig transparante redenen niet werd toegelaten tot het derde jaar. Om de eigenschappen van materialen te leren kennen, moesten studenten een aantal werkstukken met verschillende soorten metaal maken. De beoordeling van deze werkstukken lag bij lector Bakker die het propedeutische onderwijs verzorgde, maar Schuiringa wilde mee beslissen. Haar eisen lagen veel hoger dan die van Bakker. Volgens vader Van Dorssen werden de studentenwerkstukken te willekeurig beoordeeld en mochten er daardoor te weinig studenten door naar het derde jaar.


Afb. 4. Foto uit 1930 van de lectoren van het Tandheelkundig Instituut Utrecht: (v.l.n.r.) J.W.A. Tjebbes, dr. J.A.W. van Loon, P.J.J. Coebergh en mej. J.G. Schuiringa (Bron: collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

Evenals in 1910 mengde Charles Nord zich in dit conflict. In een brief aan de minister verwoordde hij zijn commentaar. Zijn schrijven alsmede de brief van vader dr. Van Dorssen werden door Nord, als hoofdredacteur, in het TvT gepubliceerd (Nord, 1936). Nord onderschreef de slechte situatie in het tandheelkundig onderwijs. Hij pleitte onder andere voor een krachtige leiding voor het Tandheelkundig Instituut en vond dat een docent niet tegelijk als examinator mocht optreden.

Naast deze publicatie, die zeer negatief was over Schuiringa, werden tandheelkundestudenten via een anoniem pamflet opgeroepen te staken, maar daar kwam het uiteindelijk niet toe (afb. 5) (Anoniem, 1936). Nadat de affaire ook de landelijke pers haalde, waarin de oorzaken werden gezien in de slechte omstandigheden in het tandheelkundig onderwijs, de grote hoeveelheid studenten en de slechte onderlinge verstandhouding tussen de lectoren, vroeg de minister advies aan hoogleraar histologie J. Boeke. Hij oordeelde vervolgens dat het allemaal wel mee viel. De ontstane situatie werd uiteindelijk eerder geweten aan de enorme toename van het aantal studenten en de beperkte personele bezetting. De felheid van de aanval van Nord tegen het slechte onderwijs keerde zich tegen hem. Er werd hem opruiend gedrag verweten. In zijn proefschrift van 1987 betoogde Van Wiggen dat dit conflict vooral een uiting was van de discours tussen tandartsen zoals Nord, die zich op een meer wetenschappelijk manier wilden onderscheiden, en tandartsen als Schuiringa, die stelden dat de technische handvaardigheid van wezenlijk belang was voor het goed uitoefenen van de tandheelkunde (Van Wiggen, 1987).


Afb. 5. Pamflet oproep tot staking van studenten (1936) (Bron: collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

Voor Schuiringa liep de zaak Van Dorssen met een ­sisser af, maar uit verslagen van het Tandheelkundig Instituut uit de jaren 1930 komt duidelijk naar voren dat Schuiringa het niveau van de studenten bedenkelijk vond (Tandheelkundig Instituut, 1930-1936; Tandheelkundig Instituut, 1937). Het is dus niet ondenkbaar dat de vermeende aantijgingen van vader Van Dorssen terecht waren. De geschetste gesprekken tussen de studenten en Schuiringa in de brief van Van Dorssen passen bij de in de notulen opgetekende geuite denkbeelden en soms morsige uitspraken van Schuiringa (Tandheelkundig Instituut, 1930-1936; Nord, 1936). In een periode waarin de oorlogsdreiging de overhand kreeg, leek het conflict snel vergeten, maar het zou toch nog een staartje krijgen in de naoorlogse periode.

De oorlogsjaren 1940-45

Tot op heden is er geen gedegen onderzoek verricht naar de situatie op het Tandheelkundig Instituut en het onderwijs gedurende de Tweede Wereldoorlog, alsmede over de rol van Schuiringa in deze periode. Bekend is dat ze na de oorlog werd geridderd in de Orde van Oranje-Nassau vanwege haar inzet en dat zij door tijdsgenoten vanwege haar opstelling in de oorlogsjaren alom werd geprezen. In deze moeilijke jaren heeft ze zich steeds daadkrachtig getoond. Haar vastberadenheid om in Utrecht te blijven, hoewel haar anders was gesommeerd, en haar doortastendheid door de materialen en het inventaris van het Tandheelkundig Instituut zo veel mogelijk veilig te stellen, bevestigen haar karaktereigenschappen. In haar huis in de Parkstraat te Utrecht werd de brandspiritus onder de bloemkool begraven, het kunsthars onder de rozenstruik en het goud, ingepakt in gips, naast de vijver (De Boer, 1953).

De naoorlogse jaren 1945-1957

Na de Tweede Wereldoorlog heerste er volledige chaos op het Tandheelkundig Instituut. Door het ontslag van 3 lectoren door de zuiveringscommissie, waren alleen lector J.W.A. Tjebbes (1903-1997) en Schuiringa over. Omdat de arts Tjebbes lector mondheelkunde was geworden en vooral de kaakchirurgie beoefende, viel het tandheelkundige onderwijs onder de verantwoordelijkheid van Schuiringa. Met haar benoeming als plaatsvervangend directeur van het Tandheelkundig Instituut, kreeg ze te maken met tal van problemen: een tekort aan docenten, een toevloed van studenten (waaronder degenen die gedurende de oorlogsjaren hun studie hadden moeten afbreken) en het tekort aan materialen. Er ontstonden zogenaamde particuliere stoomcursussen tandheelkunde, waarna de praktische examens afgelegd dienden te worden via de Universiteit Utrecht. Schuiringa was hiervan absoluut geen voorstander. In haar ogen waren de normale 4 jaren voor de studie tandheelkunde al veel te kort en was het niet de bedoeling om halverwege de opleiding in te stappen, ook al had men het theoretische gedeelte met goed gevolg afgerond. Haar weigering hieraan mee te werken, lokte vooral felle reacties van ouders van studenten uit, waaronder een brief van boze ouder Kruisheer aan de minister van OK&W (Kruisheer, 1945).

Om Schuiringa en Tjebbes te ontlasten werden 3 tandartsen aangesteld door de medische faculteit, waaronder de heer A. Van Nieuwenhoven Helbach, met wie Schuiringa een slechte verstandhouding had (De Maar, 1977). Tevens adviseerde de medische faculteit op 17 januari 1946 de minister dat er zo spoedig mogelijk moest worden overgegaan tot het benoemen van een nieuwe directeur, die voldoende tijd ter beschikking had en vooral voldoende tact zou bezitten. Vanwege zijn enorme verdiensten binnen de tandheelkunde en zijn sociale vaardigheden werd tandarts P.H. Buisman uit Tiel hiervoor voorgesteld en vervolgens benoemd (intermezzo 2) (Kenswil et al, 1946).

Intermezzo 2. P.H. Buisman
P.H. Buisman werd in 1910 tandarts en vestigde zich in Tiel. Hij was actief voor het Nederlandsch Tandheelkundig Genootschap en in de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de tandheelkunde. Bovenal was hij met grote frequentie auteur in het Tijdschrift voor Tandheelkunde. Vanaf 1922 zat hij in de redactie van dat tijdschrift en was van 1942 tot 1966 hoofdredacteur. In 1946 werd Buisman vanwege zijn enorme verdiensten binnen de tandheelkunde en zijn sociale vaardigheden de meest geschikte kandidaat bevonden voor het hoogleraarschap prothetische ­tandheelkunde en tijdelijk voor de functie van directeur van het Tandheelkundig Instituut. In 1949 werd deze laatste taak over­genomen door dr. H.M.J. Scheffer.

Binnen de naoorlogse reorganisatie van het tandheelkundig onderwijs was het recht tot promoveren verleend en daarmee was de academische status van de tandheelkunde een feit geworden. Voor Schuiringa moet dit ongetwijfeld de hoop hebben gegeven hoogleraar te worden. Echter, directeur Buisman werd hoogleraar Prothetiek. Hoewel Schuiringa het anders ervaren zal hebben, valt op te maken uit de brieven van het college van curatoren van de medische faculteit aan Jhr. de Ranitz over de benoeming van hoogleraren, dat de curatoren zich veel moeite hebben gegeven deze kwestie zorgvuldig te behandelen. Diverse mensen werden geraadpleegd, waaronder M. Hut, die in 1948 was benoemd tot hoogleraar kaakchirurgie in Groningen. Hij meende dat Schuiringa wel degelijk professorabel was. Hoewel bekend was dat zij slecht lesgaf, vond hij dit geen bezwaar voor een professoraat (De Ranitz, 1947). De curatoren van de medische faculteit oordeelden echter dat Schuiringa niet benoemd kon worden, omdat de medische faculteit haar wetenschappelijk werk niet hoog aansloeg en vond dat Schuiringa niet geschikt was voor teamwork (Des Tombe, 1948a). Schuiringa accepteerde de afwijzing aanvankelijk niet en eiste bovendien dat haar opdracht als lector prothetische tandheelkunde gewijzigd zou worden in lector partiële en totale prothesen (Des Tombe 1948b). De brief van 2 assistenten die het voor Schuiringa opnamen, werd door de curatoren ter zijde gelegd omdat curatoren geen verantwoording hoefden af te leggen aan assistenten (Stork en Van Putten, 1948; Des Tombe, 1949a). Niet langer had Schuiringa het gezag dat ze voor de Tweede Wereldoorlog bezat en meer en meer werd ze door de curatoren afgeschilderd als iemand die haar klaagzang uitstortte.

In augustus 1949 werd de situatie onhoudbaar en schreef de tandheelkundige sectie een zeer lange brief met hierin een lange lijst van klachten over Schuiringa’s gedrag. Zo weigerde zij hoogleraren te begroeten en bezocht zij geen docentenvergaderingen meer. Het geduld van de curatoren raakte op en zij verzochten haar om zelf ontslag te nemen, met behoud van haar jaarloon (Buisman, 1949; Des Tombe, 1949b). Dit verzoek werd door haar met kracht afgewezen (Schuiringa, 1950). Schuiringa bleef en wijdde zich de laatste 7 jaar van haar werkzame leven aan het vakgebied waarin ze als enige in Nederland excelleerde: de tandheelkundige chirurgische prothetiek (afb. 3).

Bij haar afscheid in juni 1957 sprak prof. J.W.A. Tjebbes Jans Schuiringa toe. In een getypte versie van zijn toespraak, vol met doorhalingen en strepen schreef hij: “U hebt het onderwijs en het behartigen van de belangen van uw afdeling vaak moeilijk gevonden en het is zelden geweest, dat wij u echt blij en optimistisch en vrolijk gezien hebben. U heeft het leven altijd ernstig en zwaar opgevat en heeft hier altijd uiting aan gegeven” (Tjebbes, 1957).

Slot

Jans Schuiringa was een vrouw van controversen: enerzijds gedreven, betrokken en vastberaden, anderzijds iemand waarmee het moeilijk samenwerken was, nors en verongelijkt. De grote nadruk die zij op het vakmanschap legde veroorzaakte veel wrevel tussen de lectoren onderling en later ook tussen haar en de studenten. Na de Tweede Wereldoorlog wilde iedereen binnen de Universiteit vernieuwing en het oude achter zich laten. Schuiringa paste niet meer in die nieuwe start. Zelfs als ze een sociaalvaardige vrouw was geweest, valt het nog te betwijfelen of de curatoren van de Rijksuniversiteit Utrecht haar op een leeftijd van 58 jaar een leerstoel hadden gegund.

Na een leven lang strijden, tekende ze haar eigen belevenissen op in haar memoires getiteld ‘Naar de erkenning’ (Schuiringa, 1976). Op 1 augustus 1975 stierf zij in Utrecht.

Literatuur

  • Anoniem. Pamflet oproep tot staking. 1936. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Boer M de. Toespraak mej. Schuiringa op papier, Do-3-28. 27 juni 1953. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Broek AJW van de. Brief ‘jaarwedde mej. Schuiringa’ aan minister van OK&W. 7 december 1925. Het Utrechts Archief.
  • Buisman PH, et al. Brief aan de heer J.H. des Tombe. 8 augustus 1949. Het Utrechts Archief.
  • Curatoren medische faculteit (Rijksuniversiteit Utrecht). Brief aan H. de Groot. 24 juli 1920. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • De Indische Courant. Vrouwenbeweging. XVII. De Studeerende vrouw. Soerabaia: 03-01-1925. http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010277680:mpeg21:a0173.
  • De Tijd (godsdienstig-staatkundig dagblad). CONGRESSEN. Internationaal Congres voor academisch gevormde vrouwen. ‘s-Hertogenbosch: 31-07-1926.
  • Haarlems Dagblad. Schuiringa jubileert. Haarlem 26-06-1953. Geraadpleegd: http://nha.courant.nu/issue/HD/1953-06-26/edition/null/page/2?query=.
  • Kenswil R, Nieuwenhoven Helbach A van, Molen MR van der. Brief aan minister van OK&W. 17 januari 1946. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Kruisheer CL. Brief aan ministerie van OK&W, nr. 5823. 11 december 1945. Het Utrechts Archief.
  • Loon JAW van. Brief aan het college van curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht. 10 juli 1918. Het Utrechts Archief.
  • Maar FER de (red). 1877-1977 Van tandmeesters en tandartsen; 100 jaar tandheelkundig onderwijs in Nederland. Amsterdam: ‘T Koggeschip, 1977.
  • Mulder W, Jong E de. Vrouwen in de heelkunde. Een cultuurhistorische beschouwing. Overveen/Alphen aan de Rijn: Belvédere/Medidact 2002.
  • Nord ChFL. Redactioneel gedeelte. Fata Morgana. Tijdschr Tandheelkd 1927; 34: 861-867.
  • Nord ChFL. Beroepsbelangen [inclusief brief van Van Dorsen]. Tijdschr Tandheelkd 1936; 43: 1226-1243.
  • Ranitz CJA de. Brief aan Mr J.H. des Tombe, secretaris van het college van Curatoren. 6 november 1947. Het Utrechts Archief.
  • Schuiringa JG. Enkele belangrijke factoren uit de ontwikkelingsgeschiedenis der prothetische tandheelkunde. Openbare les. Utrecht: 1921.
  • Schuiringa JG. De Herdenking. Tijdschr Tandheelkd 1927; 34: 809-813.
  • Schuiringa JG. Naar de erkenning: gevarieerde bijzonderheden uit een halve eeuw ontwikkeling in oorlogs- en vredestijd van de tandheelkundige chirurgische prothetiek temidden van het groeiende tandheelkundige onderwijs aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Utrecht: J.G. Schuiringafonds 1976.
  • Schreuder A, Teeuwen N, Wilde I de., Een verbond van gestudeerde vrouwen: 75 jaar Nederlandse Vereniging van vrouwen met een academische opleiding 1918-1993. Hilversum: Verloren, 1993.
  • Stork JH, Putten ACLM van. Brief aan het college van curatoren der Rijksuniversiteit. 29 juni 1949. Het Utrechts Archief.
  • Tandheelkundig Instituut. Notulen lectorenvergadering 17 mei 1928. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Tandheelkundig Instituut. Notulen lectoren vergaderingen 1930-1936. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Tandheelkundig Instituut. Verslag van de besprekingen van de voorzitter en de secretaris van het College van Curatoren der Rijksuniversiteit Utrecht betreffende het tandheelkundig Instituut te Utrecht met de lectoren: B.R.Bakker, Mej. J.G. Schuiringa, P.J.J. Coebergh (Directeur), dr. J.A.W. Van Loon, Dr. J.W.A. Tjebbes en de heren Ch. Nord, J. Sanders en C Verloop Pzn, 1937. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Tombe JH des. Brief aan Jhr. CJA de Ranitz. 14 oktober 1948a. Het Utrechts Archief.
  • Tombe JH des. Brief ‘reorganisatie tandheelkundig onderwijs’ aan minister van OK&W van de secretaris van de curatoren van de Rijksuniversiteit Utrecht. 21 december 1948b. Het Utrechts Archief.
  • Tombe JH des. Brief van secretaris curatoren aan voorzitter H. Berkelbach vd Sprenkel. 23 juli 1949a. Het Utrechts Archief.
  • Tombe JH des. Brief aan faculteit der geneeskunde der Rijksuniversiteit Utrecht. 15 december 1949b. Het Utrechts Archief.
  • Tjebbes JWA. Uitgeschreven toespraak bij vertrek Mej. Schuiringa. juni 1957. Universiteitsmuseum Utrecht.
  • Wiggen GJ van. In meer eerbare banen. De ontwikkeling van het tandheelkundig beroep in Nederland van 1865-1940. Amsterdam: Rodopi 1987.
  • Witthaus C. De vrouw en de studie der tandheelkunde. Tijdschr Tandheelkd 1899; 6: 38-81.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Afb. 1. Mej. J.G. Schuiringa (1953).
Afb. 1. Mej. J.G. Schuiringa (1953).
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd november 2017; 124: 541-547
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17150
rubriek
Thema
thema
Vrouwen in de tandheelkunde
Bronnen
  • R. de Raat
  • Uit het Universiteitsmuseum van de Universiteit Utrecht
  • Datum van acceptatie: 8 september 2017
  • Adres: mw. R. de Raat, Universiteitsmuseum, Lange Nieuwstraat 10, 63512 PN Utrecht
  • r.deraat@uu.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd