Imago van huisartsen versus tandartsen in Nederland

View the english summary Open PDF (237.98 KB)

Het imago van de beroepsgroepen huisarts en tandarts in Nederland werd met een vragenlijst onderzocht. Deze werd in 4 steden en online afgenomen. In totaal zijn 270 vragenlijsten geanalyseerd. Tandartsen werden meer gezien als zakenmensen, als solisten, die de belangen van de patiënt minder vooropstelden, communicatief minder goed waren, meer met pijn werden geassocieerd, afstandelijker waren, minder open stonden voor inspraak en men minder kon vertrouwen dan huisartsen. Ook voelden de ondervraagden zich minder veilig bij een tandarts dan bij een huisarts. De respondenten geven huisartsen gemiddeld een significant hoger cijfer dan tandartsen. De beroepsgroep tandarts scoort slechter dan de beroepsgroep huisarts op 11 van de 12 stellingen. Alleen op de professionaliteit scoorde de beroepsgroep tandarts niet significant anders dan de beroepsgroep huisarts. Dit betekent dat het imago van de beroepsgroep tandarts slechter is dan dat van de beroepsgroep huisarts.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel hebt u inzicht in het imago van de tandarts bij de bevolking, in de factoren die dit imago bepalen en in het verschil met het imago van de huisarts.

Wat weten we?
De beroepsgroep tandarts heeft een negatief imago en tandartsen lijden hieronder. Patiënten zijn echter positiever over hun eigen tandarts.

Wat is nieuw?
Vergeleken met het imago van huisartsen scoren tandartsen slechter dan huisartsen. Alleen op professionaliteit scoorden tandartsen niet significant anders dan huisartsen.

Praktijktoepassing
Tandartsen zouden het imago van de beroepsgroep kunnen verbeteren door duidelijker te communiceren over wat ze gaan doen, de patiënt gelegenheid geven tot inspraak en opener te zijn over de kosten.

Inleiding

Tandartsen geven aan dat ze onder imagostress lijden en hebben hier meer last van dan huisartsen. Daarnaast neemt de werkdruk van alle zorgverleners toe door de toenemende vraag naar zorg en maatregelen vanuit de overheid. Veel tijd gaat zitten in het volgen van regels en uitvoeren van administratieve handelingen, in plaats van naar de daadwerkelijke verlening van patiëntenzorg. Hierdoor kunnen de zorgverleners het plezier in hun werk verliezen en ‘opbranden’. Vooral huisartsen bezwijken onder deze hoge druk. Van de huisartsen in dienstverband heeft 20,7% burn-outklachten en is minder productief. Bij tandartsen is 26,2% blij met hun beroep en heeft 16,2% last van burn-outklachten. Het plezier in het werk wordt behouden door de waardering van patiënten. Tandartsen voelen zich meer gewaardeerd dan huisartsen, waardoor tandartsen tevredener zijn over hun beroep dan huisartsen. Toch blijken tandartsen meer imagostress te ervaren dan huisartsen (Schaufeli en VvAA, 2015).

Beeld: KNMT

In het Nederlands Tandartsenblad werd in 2014 aangegeven dat de beroepsgroep tandarts vaak negatief in beeld komt (Gosselink, 2014). Desondanks scoorde de individuele tandarts goed. In onderzoek onder de Nederlandse bevolking scoorde sinds 2010 de tandarts namelijk een 7,9 op tevredenheid (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015). In tandheelkundige bladen wordt beweerd dat de recente media-aandacht voor het experiment met de vrije tarieven en frauderende tandartsen het imago van de beroepsgroep niet ten goede zijn gekomen (Gosselink, 2014). Door het werk van collega’s af te kraken kunnen tandartsen zelf ook het imago beschadigen. Veel patiënten zijn echter van mening dat hun eigen tandarts nooit een misstap maakt of iets verkeerd doet. Waarschijnlijk omdat de patiënt zich kwetsbaar en afhankelijk voelt bij een tandarts (Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, 2008). In kinderfilms en stripverhalen worden tandartsen vaak als beul of een gemene man neergezet (Wolf en Ramseier, 2012a). Ook in films voor volwassenen worden zij vaak als een beul, moordenaar en vreemdganger neergezet (Brand, 2011). Het imago van tandartsen is in het algemeen dus negatief, maar de reputatie van de individuele tandarts is positief.

In 2008 heeft de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) onderzocht wat het imago van de tandarts is. De termen waarmee de Nederlandse bevolking een tandarts omschrijft zijn mythische geneesheer, zakkenvuller, solist, elitaire autoriteit, beul en gadgetman. Hij zou golf spelen en in een vrijstaand wit huis wonen met een oprijlaan (NMT, 2009). Abu-Serriah et al (2015) beschreven het imago als een alleen werkende, witte man met vrouwelijke assistenten. In het onderzoek van Hill et al (2003) omschreven patiënten een tandarts als een persoon die veel geld verdient, patiënten afstandelijk benadert, weinig tijd heeft om de behandeling uit te leggen en vooral alleen interesse heeft in de mond.

In eerder onderzoek naar het beeld van de ideale tandarts wordt deze beschreven als vriendelijk, iemand die de tijd neemt om de behandeling uit te leggen en de kosten te bespreken, om zijn patiënt geeft, goede technische vaardigheden heeft en vertrouwen uitstraalt (Hill et al, 2003). De NMT voegde hieraan toe dat de ideale tandarts in Nederland flexibel is, je op je gemak stelt en pijn voorkomt zonder een verdoving (KNMT, 2009). Patiënten vinden het ook van belang dat de instrumenten schoon zijn, de tandarts paraat staat bij een spoedgeval, de telefoon snel opneemt, doorstudeert en Nederlands spreekt (Andela, 2001; Sonneveld et al, 2013a).

Van huisartsen wordt verwacht dat ze toegankelijk zijn, goed communiceren, naar de sociale en emotionele kanten van hun patiënten kijken en continuïteit in de zorg waarborgen (Braunack-Mayer, 2005). Ook is het van belang dat er een dokter-patiëntrelatie is waarin goed wordt gecommuniceerd, ieder zijn verantwoordelijkheid neemt en beslissingen samen worden genomen (Buetow, 1995). Een goede arts kan door goed communiceren bijdragen aan het helend vermogen van zijn patiënt (Greysen en Detsky, 2015). Daarnaast wordt van huisartsen verwacht dat ze goed samenwerken en de rol van organisator, gezondheidsbevorderaar, academicus en medisch beroepsbeoefenaar goed kunnen uitoefenen (Warris et al, 2010).

Bij (huis)artsen is er eveneens een negatieve verandering in het imago zichtbaar. Volgens Eddy Houwaart, hoogleraar medische geschiedenis aan het VUmc, komt dit door de overheid (Ploeger, 2009). De negatieve verandering zou het gevolg kunnen zijn van marktwerking, bezuinigingen, efficiëntie en de kritiek op de hoge salarissen van medische specialisten. Toch werd in 2006 de huisarts nog op nummer 5 gezet als het gaat om beroepen met het meeste aanzien (Ploeger, 2009). In de eigen spreekkamer merken de artsen weinig van hun reputatieschade (Van Tilburg, 2009). Ook voor deze beroepsgroep geldt dat het algemene imago is verslechterd, terwijl de individuele reputatie niet merkbaar is veranderd.

Volgens Abu-Serriah et al (2015) is een slecht imago een probleem voor zorgaanbieders en zorgvragers. Een goede reputatie zorgt namelijk voor vertrouwen en minder angst, verbetert de communicatie tussen zorgverlener en patiënt en draagt bij aan sneller herstel.

Het doel van dit onderzoek was het imago van de beroepsgroepen huisarts en tandarts in Nederland te beschrijven en te achterhalen hoe Nederlanders dé ideale huisarts en tandarts zouden zien. Daarnaast werd gekeken of er een verschil was in het imago van de beroepsgroepen en of er verschillen waren tussen de beroepsgroep en de individuele huisarts/tandarts.

Materiaal en methode

Voor het onderzoek werd een vragenlijst opgesteld die uit 4 delen bestond. In totaal omvatte de vragenlijst 36 vragen, verdeeld over 24 vragen op een 5-punten Likertschaal; 4 dichotome vragen en 8 open vragen. Het eerste deel van de vragenlijst bestond uit 12 vragen over het imago van huisartsen gevolgd door 12 vragen over het imago van tandartsen. Het derde deel bestond uit algemene vragen over de respondent. Hierbij werd naar het opleidingsniveau van de respondent gevraagd, waarbij onderscheid werd gemaakt in 4 categorieën: universiteit (wo), hbo, mbo/havo/vwo, mavo/vmbo/primair onderwijs (po). Het laatste deel van de vragenlijst bestond uit vragen over bezoeken aan zowel huisarts als tandarts, en de criteria waaraan de ideale huisarts en de ideale tandarts volgens de respondent zou moeten voldoen.

In Groningen, Amsterdam, Eindhoven en Apeldoorn werd op openbare plaatsen, zoals de markt en het station, de vragenlijst afgenomen. Per stad werden 50 vragenlijsten afgenomen. Daarnaast is de vragenlijst verspreid als online enquête. Hiertoe werden de vragen ingevoerd in het programma Cognito Forms en werd een link naar de enquête via sociale media verspreid.

In totaal werden 200 vragenlijsten ingevuld in de 4 steden en via de online enquête werden 109 vragenlijsten ingevuld. Hierdoor bestond de uiteindelijke steekproef uit 309 deelnemers. Elke vragenlijst werd voorzien van een code die aangaf uit welke stad of bron deze afkomstig was. Categorale data werden ingevoerd in een spreadsheet (Microsoft Excel). De antwoorden op de open vragen zijn in een tekstbestand verzameld (Microsoft Word) en vervolgens werd vastgesteld of antwoorden in een van de volgende categorieën vielen: deskundigheid/professionaliteit, communicatie, empathie/vriendelijkheid, bereikbaarheid, betrouwbaarheid/vertrouwen, angst/pijn, kosten, hygiëne en de snelheid van de behandeling.

Alle gegevens werden weergegeven als percentages of als gemiddelden ± standaarddeviatie en werden met behulp van IBM SPSS Statistics 23 verwerkt. Bij de statistische analyse werd gebruikgemaakt van de testen Kruskal-Wallis, Wilcoxon signed-rank en de Mann-Whitney U. P-waarden kleiner dan 0,05 werden als statistisch significant beschouwd.

Resultaten

De onderzoekspopulatie (n = 309) bestond uit 132 mannen (42,7%) en 177 vrouwen (57,3%). De gemiddelde leeftijd was 38,8 ± 15,7 jaar, variërend van 15 tot 90. Hiervan waren 23 personen in opleiding voor arts en 16 waren in opleiding voor tandarts. Deze groepen werden bij de analyse buiten beschouwing gelaten, waardoor de uiteindelijke onderzoekspopulatie uit 270 personen bestond.

De meeste respondenten hadden een opleiding op hbo-niveau of hoger, 12 personen hadden het opleidingsniveau niet aangegeven (tab. 1). In 2015 had 74,8% een huisarts bezocht en 84,8% een tandarts. Gemiddeld bezochten de respondenten zowel een huisarts als een tandarts 1 keer per jaar. Van de respondenten bezocht 20,4% afgelopen jaar vaker dan 2 keer een huisarts en 13% vaker dan 2 keer een tandarts. Het aantal verschillende huisartsen dat men tot op heden heeft gehad is gemiddeld 3,0 ± 1,7; variërend van 0 tot 12. Bij de tandartsen ligt dit gemiddelde op 3,0 ± 1,5; variërend van 1 tot 11.

Tabel 1. Verdeling van de onderzoekspopulatie op basis van het opleidingsniveau (n = 270).

De mening van de respondenten over huisartsen en tandartsen in het algemeen is weergegeven in tabel 2. Hieruit blijkt dat huisartsen het hoogst scoren op professionaliteit, gevolgd door vriendelijkheid en de mate waarin zij kunnen worden vertrouwd. De huisartsen scoorden het laagst op pijnbeleving. Tandartsen scoorden het hoogst op professionaliteit, vriendelijkheid en het vertrouwen in hen. Tandartsen werden als meer afstandelijk beschouwd. Voor alle meningen, met uitzondering van de professionaliteit, gold dat de mening over tandartsen significant verschilde van de mening over huisartsen: tandartsen werden meer gezien als zakenmensen, die de belangen van hun patiënt minder vooropstelden, minder goed communiceerden, meer met pijn geassocieerd werden, als minder veilig werden ervaren, afstandelijker waren, minder open stonden voor inspraak en minder te vertrouwen waren dan huisartsen. De respondenten gaven huisartsen gemiddeld een significant hoger cijfer dan tandartsen. Geslacht had geen significant effect op de mening over huisartsen, maar vrouwen vonden tandartsen afstandelijker dan mannen.

Tabel 2. Mening van respondenten over huisartsen en tandartsen in het algemeen (n = 270).

Het opleidingsniveau had invloed op de mening over beide beroepsgroepen. Huisartsen werden door wo’ers meer als een solist gezien dan door hbo’ers en mavo/vmbo/po’ers (tab. 3). Wo’ers en hbo’ers zagen tandartsen meer als solisten (tab. 4). Zowel huisartsen als tandartsen werden door wo’ers minder vriendelijk gevonden en respondenten met dit opleidingsniveau vonden eveneens dat er minder gelegenheid was voor inspraak bij een bezoek aan een tandarts of een huisarts (tab. 3 en 4). Huisartsen werden meer vertrouwd door mbo/havo/vwo’ers en mensen met mavo/vmbo/po-opleiding dan door wo’ers (tab. 3). Respondenten op hbo- en mbo/havo/vwo-niveau vonden de communicatie van tandartsen significant beter dan wo-opgeleide respondenten (tab. 4).

Tabel 3. Mening van respondenten over huisartsen in het algemeen, verdeeld onder het opleidingsniveau.
Tabel 4. Mening van respondenten over tandartsen in het algemeen, verdeeld onder het opleidingsniveau.

Bezocht een respondent meer dan 2 keer per jaar een tandarts, dan werd deze significant meer gezien als een persoon die de belangen van de patiënt vooropstelde, vriendelijk was, communicatief goed was en openstond voor inspraak. Tandartsen werden door deze groep respondenten ook minder als solisten beschouwd en minder afstandelijk gevonden dan personen die 2 keer of minder per jaar een tandarts bezochten.

Volgens de respondenten moest een huisarts ten eerste deskundig en professioneel zijn, gevolgd door heldere communicatie, advies geven en doorverwijzen. Daarnaast moest een huisarts empathisch en vriendelijk zijn (tab. 5). Een goede tandarts moest ook deskundig en professioneel zijn, waarbij van een tandarts vooral werd verwacht dat de vaardigheden en het technisch materieel op orde waren. Het empathisch vermogen kwam op de tweede plaats, gevolgd door de communicatie. Bij tandartsen was er 34 keer over de omgang met angsten gerapporteerd en 16 keer over openheid en uitleg van de kosten. Voor huisartsen werden beide categorieën geen enkele keer genoemd.

Tabel 5. Kenmerken van een goede huisarts/tandarts in frequentie en percentage weergegeven. Als een respondent meerdere antwoorden binnen één categorie heeft genoteerd, zijn deze alle meegeteld.

Discussie

In dit onderzoek scoorde tandartsen als beroepsgroep op 11 van de 12 stellingen significant lager dan huisartsen, in tegenstelling tot andere onderzoeken waarin het imago van de individuele huis- of tandarts is onderzocht. Dit zou kunnen komen doordat patiënten een positiever beeld over hun eigen tandarts hebben dan over tandartsen in het algemeen en het huidige onderzoek gericht was op het imago van de beroepsgroep in het algemeen (NMT, 2009).

Als beroepsgroep worden tandartsen meer als zakenmensen gezien dan huisartsen. Dit zou kunnen komen doordat tandartsen in de algemene opinie ook wel als zakkenvullers wordt neergezet (NMT, 2009). De rekeningen zijn niet te begrijpen en er is weinig uitleg over de kosten (Van Harten en Mulder, 2016). Daarnaast wordt de tandheelkundige zorg tegenwoordig niet meer uit de basisverzekering vergoed en het huisartsbezoek wel. Hierdoor wordt een patiënt wel met een rekening van zijn tandarts geconfronteerd, maar heeft hij geen zicht op de kosten van het bezoek aan zijn huisarts.

Volgens de respondenten stellen tandartsen de belangen van hun patiënt minder voorop dan huisartsen. Een behandeling bij een tandarts wordt niet altijd in goed overleg met de patiënt uitgevoerd. Van de patiënten verneemt 43% wat de voor- en nadelen van een behandeling zijn, maar bij 16% wordt dit niet verteld. Eventuele alternatieve behandelingen worden bij 25% van de ondervraagden wel besproken met de patiënt maar in 20% van de gevallen niet (Van Harten en Mulder, 2016). Doordat soms een behandeling wordt uitgevoerd zonder overleg of eventuele andere opties te bespreken, is het mogelijk dat patiënten menen dat hun belangen niet voorop worden gesteld.

Een tandarts wordt meer als een solist gezien dan een huisarts. Dit zou gerelateerd kunnen zijn aan het feit dat een tandarts patiënten minder vaak verwijst en dus minder een brugfunctie vervult in vergelijking met andere eerstelijns zorgverleners (NMT, 2009). Verschuiving van eenmanspraktijken naar groepspraktijken zou ervoor kunnen zorgen dat tandartsen minder als solisten worden gezien (Bronkhorst, 2001).

Een andere bevinding van dit onderzoek was dat tandartsen minder communicatief vaardig worden beschouwd dan huisartsen. Uit onderzoek van de Patiëntenfederatie (2016) komt deze vaardigheid op nummer 1 van verbeterpunten voor tandartsen. Van de patiënten gaf 40% aan dat men onvoldoende over de behandeling was geïnformeerd. Dit betrof voornamelijk het gebrek aan uitleg over de kosten en mogelijke alternatieven voor de behandeling. Dat tandartsen tijdens de behandeling een mondkapje voor hebben beperkt de communicatie ook, net als het praten wanneer de handen nog in de mond van de patiënt zitten. Ook is de patiënt een stuk mondiger geworden en informeert deze zich beter over gezondheidsvragen via het internet (Andela, 2001), waardoor een groter beroep op de communicatieve vaardigheden van tandartsen wordt gedaan. Daarnaast is 13,7% van de in Nederland werkende tandartsen buiten Nederland afgestudeerd, en onvoldoende kennis van de Nederlandse taal kan de communicatie bemoeilijken (Tubantia, 2016). Het is al langer bekend dat patiënten de communicatie van tandartsen als onvoldoende ervaren. In de opleiding is er daarom meer tijd voor gereserveerd (Bronkhorst, 2001; Sonneveld et al, 2013b).

Een verklaring voor de associatie van tandartsen met meer pijn zou kunnen zijn dat een bezoek aan een huisarts zich meestal beperkt tot een gesprek, terwijl een tandarts vaak een behandeling uitvoert. De tandarts veroorzaakt hierdoor pijn, terwijl de huisarts patiënten van pijnklachten afhelpt (NMT, 2009). Pijn kan wellicht ook verklaren waarom een tandartsenpraktijk als een minder veilige omgeving wordt gezien dan een huisartsenpraktijk. In Nederland is 40% van de bevolking angstig voor de tandheelkundige behandeling (De Jongh, 2012). Dit kan er ook voor zorgen dat meer pijn wordt ervaren: hoe meer angst hoe groter de pijnbeleving (De Jongh, 2012).

De respondenten gaven aan dat tandartsen minder openstaan voor inspraak dan huisartsen. Dit komt overeen met eerder onderzoek naar het imago van de beroepsgroep tandarts, waarin deze werd gezien als een elitair en autoritair persoon wiens oordeel men niet in twijfel trekt (NMT, 2009). Dat tandartsen als afstandelijker en minder toegankelijk dan huisartsen worden beschouwd, zou ook gerelateerd kunnen zijn aan de media. Series, boeken en kranten laten vaak zien wat een huisarts doet en wat er in een huisartsenpraktijk gebeurt, terwijl een tandarts in de media vaak als een slechterik wordt neergezet (NMT, 2009; Brand, 2011; Wolf en Ramseier, 2012b). Mogelijk verbetert dit beeld met de toename van het aantal vrouwelijke tandartsen, doordat zij als meer empathisch worden ervaren (NMT, 2009).

Dat tandartsen op professionaliteit vergelijkbaar scoren met huisartsen kwam ook naar voren in het onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit (2012) waarin 57% tevreden was over de deskundigheid van tandartsen en 31% zelfs zeer tevreden. Aangezien 65,8% van de respondenten uit het huidige onderzoek aangaf dat de mening over de beroepsgroep tandarts wordt bepaald door de eigen ervaringen, is het mogelijk dat dit de uitkomsten van het onderzoek in positieve zin heeft beïnvloed, want patiënten hebben een positiever beeld over hun eigen tandarts dan tandartsen in het algemeen (NMT, 2009).

Het hier beschreven onderzoek kent enkele mogelijke beperkingen. Zo lijkt de wijze waarop proefpersonen werden gerekruteerd tot selectie van deelnemers te hebben geleid, wat wordt gesuggereerd door de lage deelname van mensen met een laag opleidingsniveau. Ook het feit dat veel deelnemers zijn geworven in 4 grote steden kan tot selectie hebben geleid. Wellicht dat mensen in kleinere plaatsen een nauwer contact met hun zorgverleners hebben, wat hun beeld over huisartsen en tandartsen beïnvloedt. Ondanks deze beperkingen suggereert het onderzoek dat het imago van de beroepsgroep tandarts kan worden verbeterd. Tandartsen zouden het imago van de beroepsgroep kunnen verbeteren door duidelijker te communiceren over wat ze gaan doen, de patiënt gelegenheid geven tot inspraak en opener te zijn over de kosten.

Literatuur

  • Abu-Serriah M, Dhariwal D, Martin G. Reputation of oral and maxillofacial surgery in the UK: the patients’ perspective. Br J Oral Maxillofac Surg 2015; 53, 321-325.
  • Andela MG. Wat verwacht de patiënt van de tandarts nu en in de toekomst? Ned Tijdschr Tandheelkd 2001; 108: 335-337.
  • Brand HS. Beeldvorming van tandartsen in film. Ned Tijdschr Tandheelkd 2011; 118: 351.
  • Braunack-Mayer A. What makes a good GP? An empirical perspective on virtue in general practice. J Med Ethics 2005; 31: 82-87.
  • Bronkhorst EM. Menskrachtproblematiek in de tandheelkunde. Ned Tijdschr Tandheelkd 2001; 108: 306-308.
  • Buetow SA. What do general practitioners and their patients want from general practice and are they receiving it? A framework. Soc Sci Med 1995; 40: 213-221.
  • Centraal Bureau voor de Statistiek. Medische contacten, ziekenhuisopname, medicijnen; pers. kenmerken (2010-2013). 10 juli 2015. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/81027ned/table?dl=E45B. Geraadpleegd op 29 augustus 2017.
  • Gosselink K. Reputatieverbetering vergt een structurele aanpak. Nederlands Tandartsenblad 2014; 1: 36-39.
  • Greysen SR, Detsky AS. Solving the puzzle of posthospital recovery: What is the role of the individual physician? J Hosp Med 2015; 10: 697-700.
  • Harten C van, Mulder JW. Rapport meldactie ‘mondzorg’. Patiëntenfederatie NPCF. Utrecht, 2016.
  • Hill KB, White DA, Morris AJ, Goodwin N, Burke FJT. National evaluation of personal dental services: a qualitative investigation into patients' perceptions of dental services. Br Dent J 2003; 195, 654-656.
  • Jongh A de. Angst voor de tandarts. Een praktische handleiding. Assen: Van Gorcum, 2012.
  • Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Tandheelkunde. De ideale tandarts stelt je op je gemak en voorkomt pijn zonder verdovingsspuit. In: Klaar voor de start. Nieuwegein: Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Tandheelkunde, 2009: 31-33.
  • Nederlandse Zorgautoriteit. Marktscan mondzorg-Juni. Weergave van de markt tot en met maart 2012. Utrecht: Nederlandse Zorgautoriteit, 2012.
  • Ploeger D. Van het voetstuk gevallen. Medisch contact 2009; 64: 660-663.
  • Schaufeli W, VvAA. Bezieling in de zorg onder druk. Vereniging van Arts en Auto (VvAA): Nieuws, 21 mei 2015.
  • Sonneveld RE, Brands WG, Bronkhorst EM, Welie JVM, Truin GJ. Patients' priorities in assessing organisational aspects of a general dental practice. Int Dent J 2013a; 63: 30-38.
  • Sonneveld RE, Brands WG, Bronkhorst EM, Welie JVM, Truin GJ. Organisational aspects of dental practices: do dental students think like patients or like general dental practitioners? Eur J Dent Educ 2013b; 17: 181-188.
  • Tilburg L van. Authenticiteit gaat boven alles. Medisch Contact 2009; 64: 624-628.
  • Tubantia. Buitenlandse tandartsen boren steeds vaker de gaatjes in Twente. Tubantia: 11 mei.
  • Warris L, Walhout R, Radhakishun N, Konings L. Superdokter in de spiegel. Arts in spe 2010; 1: 27-29.
  • Wolf CA, Ramseier CA. Das Image der Zahnmedizin: Ergebnisse einer Literaturrecherche. Schweiz Monatsschr Zahnmed 2012a; 122: 121-126.
  • Wolf CA, Ramseier CA. Das Image der Zahnmedizin: Der ideale Zahnartz. Schweiz Monatsschr Zahnmed 2012b; 122: 219-224.

Verantwoording

  • W.G. Brands is voorzitter van de KNMT en voormalig hoofdredacteur van het NTvT. H.S. Brand is redacteur van het NTvT.
  • De cartoon is met toestemming van de KNMT overgenomen uit het imago-onderzoek: NMT, R.Poldervaart, M. Pijzel, K. Slootman. De tandarts, vriend of vijand? Een onderzoek naar het individuele en collectieve imago van de tandarts. Nieuwegein: NMT, december 2008.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Beeld: KNMT
Beeld: KNMT
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd september 2018; 125: 455-460
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2018.09.17128
rubriek
Onderzoek en wetenschap
Bronnen
  • A. de Vries1, W.G. Brands2, H.S. Brand1
  • Uit de 1afdeling Orale Biochemie van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 2een tandartspraktijk in Vaassen.
  • Datum van acceptatie: 22 juni 2018
  • Adres: dr. H.S. Brand, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • hbrand@acta.nl
Gerelateerd