(in print verschenen: Ned Tijdschr Tandheelkd 2014; 121: 139)

Onder de loep! Anneloes E. Gerritsen

Anneloes E. Gerritsen is promovenda aan de Radboud Universiteit Nijmegen en verricht sinds mei 2009 onderzoek bij de afdeling Orale Functieleer van het Radboudumc. Promotor van haar onderzoek is prof. dr. N.H.J. Creugers en dr. D.J. Witter en dr. P.F. Allen begeleiden het onderzoek als copromotoren. De redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde stelde 8 vragen over het onderzoek.

Wat onderzoek je?

In de jaren ’80 van de vorige eeuw introduceerde A.F. Käyser het verkorte tandboogconcept. Tot die tijd werd een vrij-eindigende frameprothese als standaard prothetische oplossing gezien ter vervanging van molaren. Uit onderzoek bleek echter dat een verkorte tandboog met 3-4 occlusale eenheden voldoende functie en stabiliteit kan bieden. Daarbij wordt bij patiënten met een vrij-eindigende frameprothese een verhoogd risico op cariës en parodontitis gezien en is het comfort voor de patiënt matig. Bij toepassing van het verkorte tandboogconcept worden de molaren in principe niet vervangen. Ik onderzoek hoe lang een verkorte tandboog meegaat en hoeveel restauratieve behandelingen nodig zijn om een verkorte tandboog te onderhouden. Daarnaast onderzoek ik of met de komst van behandelalternatieven voor een frameprothese, zoals implantaten en vrij-eindigende adhesiefbruggen, patiënten met een verkorte tandboog wél de voorkeur geven aan vervanging van molaren.

Wat is je drijfveer om onderzoek te doen?

Tijdens een promotieonderzoek gaat het niet alleen om de beantwoording van de onderzoeksvragenn, maar krijg je ook de kans om je als academicus verder te ontwikkelen, wat ik als erg stimulerend en motiverend ervaar. Daarnaast is onderzoek een prettige afwisseling met doceren en het behandelen van patiënten.

Waarom is juist dit onderwerp interessant om te onderzoeken?

Hoewel het verkorte tandboogconcept in Nederland ondertussen wel is geaccepteerd en wordt toegepast, vind ik het interessant om te onderzoeken of het concept nog wel van deze tijd is. Niet alleen zijn er nieuwe behandelopties ter vervanging van molaren bijgekomen, maar ook zijn de patiënten van nu kritischer, veeleisender en mondiger dan in de tijd waarin het concept werd geïntroduceerd. Ik denk dat dit zijn weerslag zal hebben op het wel of niet accepteren van een verkorte tandboog door de patiënt.

Wat zijn de belangrijkste hypothesen en onderzoeksvragen?

We gaan ervan uit dat mensen die ooit hun molaren zijn kwijtgeraakt als gevolg van orale ziekten zoals cariës en parodontitis blijvend vatbaarder zijn voor deze ziekten. De hypothese is dat bij patiënten met een verkorte tandboog, in vergelijking met de groep die bij de start van het onderzoek een complete tandboog had, meer restauratief werk wordt gedaan en dat er een verhoogd risico is op verder verlies van gebitselementen. Dat brengt de overleving van een verkorte tandboog in gevaar. Daarnaast zijn de onderzoeksvragen of met de komst van alternatieve behandelopties patiënten nu nog wel kiezen voor vervanging van molaren en wat hun overwegingen daarbij zijn.

Hoe is het onderzoek opgezet?

Voor mijn onderzoek maak ik gebruik van de dossiers van de proefpersonen die hebben deelgenomen aan het cohortonderzoek van dr. D.J. Witter. Ik registreer per gebitselement alle restauratieve verrichtingen en extracties die tijdens de onderzoeksperiode werden uitgevoerd. Ik heb proefpersonen die bij aanvang van het onderzoek een verkorte tandboog hadden (met en zonder frameprothese) vergeleken met proefpersonen die bij aanvang een complete tandboog hadden. Het sterke punt van dit onderzoek is de lange follow-up van gemiddeld 30 jaar. Verder interview ik patiënten over hun beleving van het ontbreken van molaren en hun overwegingen bij het kiezen tussen verschillende behandelopties. Voor de interviews en het analyseren ervan maak ik gebruik van een kwalitatieve onderzoeksmethode.

Wat is tot nu toe het grootste probleem waar je tegenaan bent gelopen?

Het was heel wat speurwerk om de papieren dossiers van de proefpersonen boven water te krijgen. Uiteindelijk was het aantal te achterhalen dossiers lager dan ik had gehoopt. Dat is misschien niet zo verbazingwekkend na 30 jaar, maar daardoor zijn de te vergelijken groepen relatief klein.

Op welke onderzoeksresultaten hoop je?

Ik hoop op klinisch relevante uitkomsten waar een tandarts-algemeen practicus wat aan heeft.

Wat levert dit onderzoek voor de tandheelkunde, de patiënt of de mondzorgverlener op?

Het onderzoek levert kennis op over de prognose en het onderhoud van een verkorte tandboog en is belangrijk bij het opstellen van een mondzorgplan voor de lange termijn. Daarnaast is het nuttig dat een mondzorgverlener inzicht heeft in wat voor een patiënt belangrijk is bij het afwegen van behandelalternatieven. De mondzorgverlener kan dan het advies aan de patiënt beter onderbouwen.

 

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.