Perioperatief beleid en orale antistolling

Als een patiënt die orale antistolling of een van de nieuwe orale anticoagulantia (NOAC’s) gebruikt, een operatie of invasieve ingreep moet ondergaan, moet het perioperatieve beleid goed worden afgestemd. Het hangt af van het bloedingsrisico van de ingreep of deze orale antistolling gecontinueerd of moet worden onderbroken. Bij ingrepen met een vooraf ingeschat niet-significant bloedingsrisico hoeft de behandeling met orale antistolling of NOAC’s niet routinematig te worden onderbroken. Voorbeelden van ingrepen met zo’n risicoprofiel zijn: gastro-, sigmoïdo- en coloscopieën met of zonder biopsie, tandheelkundige ingrepen en kiesextracties tot 3 gebitselementen, en dermatologische biopsieën.

Bij ingrepen met een hoger bloedingsrisico moet de orale antistollingsbehandeling rond de ingreep worden onderbroken. Als patiënten daarnaast een hoog tromboserisico hebben, uitgedrukt als een CHADS2-score van ten minste 5, moet deze perioperatieve periode zonder orale antistolling worden overbrugd met een kortwerkend alternatief antistollingsmiddel. In een commentaar in het NTvG wordt gesteld dat voor patiënten met boezemfibrilleren en een laag of middelhoog risico op trombo-embolie (CHADS2-score: 0-4) die worden behandeld met orale antistolling, het niet zinvol is om de perioperatieve periode te overbruggen met een laagmoleculair antistollingsmiddel, als zij een ingreep ondergaan met een laag bloedingsrisico. De vraag of de behandeling moet worden overbrugd bij patiënten met een hoog trombo-embolierisico blijft echter ook na dit onderzoek onbeantwoord schrijven de auteurs.

(Bron: Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159: A9652, 11 november 2015)

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.