Gepubliceerd op: 27-06-2013

Symposium Verslaving, Psychiatrie en Tandheelkunde

Op 13 juni 2013 werd ter gelegenheid van het afscheid van tandarts Bert Molendijk, die ruim 30 jaar hoofd is geweest van het Centrum Bijzondere Tandheelkunde (CBT) van Jellinek, een zeer geslaagd symposium georganiseerd over ernstig verslaafde patiënten en hun recht op bijzondere tandheelkundige zorg.

Wim van den Brink, hoogleraar Verslavingsonderzoek aan het AMC-UvA, besprak enkele recente ontwikkelingen in het denken over verslaving en de behandeling van verslaafden. Verslaving wordt tegenwoordig gezien als een behandelbare hersenziekte en verslaafden moeten als patiënten worden behandeld. Bij 50-70% van hen spelen genetische factoren een rol. Zij kunnen moeilijk beslissingen nemen, zijn vlug geconditioneerd voor verslavende middelen en kunnen zeer moeilijk van eenmaal geleerde gewoontes afkomen. Daarnaast blijken zij een behoefte te hebben om voortdurend middelen te gebruiken en zijn ze extreem gefocused op verslavingsproducten. De huidige geneesmiddelen werken beperkt en de patiënten vertonen weinig therapietrouw. Een belangrijke ontwikkeling in de behandeling is de vaststelling van het bepalende gen en de diagnose in welke fase van het verslavingsproces de patiënt verkeert. Als dat is gebeurd krijgt de patiënt het gepaste geneesmiddel. Deze therapie, die is gebaseerd op inzichten uit de farmacogenetica, lijkt een veelbelovende ontwikkeling.

Gerard Schippers, emeritus hoogleraar in het Verslavingsgedrag aan het AMC besprak de nieuwe inzichten op het gebied van de motiverende gespreksvoering, waarbij de therapeut niet zo zeer optreed als therapeut, maar meer als gids die de patiënt begeleid in het genezingsproces. Veel recent wetenschappelijk onderzoek is op deze nieuwe inzichten gebaseerd.

Psychiater Jules Tielens, verbonden aan het Centrum voor Psychose en aanverwante stoornissen in Amsterdam, ging vervolgens in op gespreksvoering met psychotische patiënten. Zij hebben vaak een groot gebrek aan inzicht in hun ziekte door een neurologisch defect (anogsognosia) en zijn daardoor weinig geneigd tot therapietrouw. Bij deze patiënten is sprake van een langdurige stoornis in betekenisgeving, waarneming en emotionele gevoelens, en ernstige van overspannenheid. Motiverende gespreksvoering heeft hier weinig zin. Zorg is vooral gericht op menselijk behandelcontact waarbij interpretatie wordt uitgesteld, maar wel samen met de patiënt wordt geprobeerd behandeldoelen op te stellen.

Bert Molendijk kwam tot slot zelf ook nog aan het woord. Hij schetste de moeizame ontstaansgeschiedenis van het CBT van Jellinek, maar constateerde dat de verslavingszorg deze instelling nu algemeen beschouwt als een wezenlijke aanvulling van de zorg aan verslaafde patiënten. Aan de hand van wetenschappelijk onderzoek beschreef hij hoe tandheelkundige behandelingen kunnen bijdragen aan de levenskwaliteit en het zelfvertrouwen van deze patiënten. Essentieel in de benadering is het uitgangspunt dat "de patiënt de baas is van het behandelproces", dat steeds duidelijke behandelafspraken noodzakelijk zijn en dat de resultaten van de zorg voortdurend moeten worden geevalueerd. Naar zijn oordeel kunnen behandelaars in deze klinieken niet zonder een gedegen opleiding in de problematiek van verslaafden.

Na afloop van zijn voordracht werd Molendijk zeer terecht onderscheiden met de Andreaspenning van de stad Amsterdam. Deze gemeentelijke onderscheiding wordt uitgereikt aan mensen die in Amsterdam grote prestaties met een landelijke uitstraling hebben verricht. (M.A.J.Eijkman, redacteur)

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.