Dutch Dental Science Days 2026: update van het tandheelkundig onderzoek in Nederland

Afbeelding

In deze editie wordt speciale aandacht besteed aan de Dutch Dental Science Days, gehouden op donderdag 19 en vrijdag 20 maart 2026. NTVT geeft een congresimpressie van deze twee dagen en interviewde een aantal onderzoekers over hun onderzoek.

In deze editie wordt speciale aandacht besteed aan de Dutch Dental Science Days, gehouden op donderdag 19 en vrijdag 20 maart 2026. NTVT geeft een congresimpressie van deze twee dagen en interviewde een aantal onderzoekers over hun onderzoek.

Foto’s plenaire sessies en postersessies: Joost Hoving | Foto’s Pubquiz en lezing Sjoerd Repping: NTVT bureauredactie

Op donderdag 19 en vrijdag 20 maart 2026 vonden voor de vijfde keer de Dutch Dental Science Days (DDS) plaats in Hotel De Werelt in Lunteren. Ongeveer 155 deelnemers afkomstig van alle Nederlandse tandheelkunde- en mondzorgopleidingen bezocht gemeenschappelijke en parallelle sessies met 10-minuten presentaties over uiteenlopende onderwerpen. Zowel jonge als meer ervaren onderzoekers kregen de mogelijkheid hun werk te presenteren. Naast de presentaties waren er ook een aantal postersessies waarin onderzoekers hun resultaten deelden. 

Ook werden enkele prijzen uitgereikt, waaronder de NTVT Publicatieprijs en op de tweede congresdag voor de beste presentatie en de beste poster. Tevens werd deze dag aandacht besteed aan het onderzoek vanuit het Orange Health-project.

Toelichting. Dutch Dental Science Days
De Dutch Dental Science Days (afgekort DDS) werden georganiseerd door en voor de zeven opleidingsinstituten voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde in Nederland: het Radboud Universitair Medisch Centrum (Radboudumc), het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en de Hogescholen van Amsterdam, Arnhem/Nijmegen, Groningen en Utrecht. De DDS zijn in het leven geroepen om (onderzoeks)samenwerkingen tussen de zeven opleidingsinstituten te versterken en nieuwe gezamenlijke projecten te initiëren. Ze zijn een doorontwikkeling van de Dental Research Meetings van het Interuniversitair Onderzoeksoverleg Tandheelkunde die tot 2013 jaarlijks in de winter op dezelfde locatie werden georganiseerd. De Dental Research Meetings waren een initiatief van de drie universitaire opleidingen Tandheelkunde. Negen jaar na de laatste Dental Research Meeting ontstond in 2022 vanuit de opleidingsinstituten opnieuw de behoefte bijeen te komen om onderzoeksideeën en verworven kennis uit te wisselen en samenwerking te stimuleren; deze keer ook met actieve betrokkenheid van de vier hogescholen.

De maatschappelijke waarde van onderzoek

Prof.dr. Bas Loomans opende de DDS en in de middag gaf hij een overzicht van het nieuwe onderzoeksprogramma ‘Orofacial Health’ aan Radboudumc dat naast wetenschappelijke impact inzet op de maatschappelijke waarde van onderzoek. Belangrijk is dat niet alleen fundamenteel onderzoek wordt gedaan, maar dat ook een link wordt gelegd naar toepasbaarheid en dat “we laten zien waarvoor we betaald worden”, aldus Loomans (afb. 1). Een van de doelstellingen van ‘Orofacial Health’ is de tandheelkunde via samenwerking met verschillende afdelingen en expertisecentra, waaronder gastro-enterologie, nierziekten en parkinson, weg te halen uit het hoekje van ‘sub-subspecialisme’. De mond is immers de toegangspoort tot het lichaam of zoals Loomans het uitdrukte: “hoe slechter het gesteld is met de mondgezondheid, hoe slechter de algehele gezondheid eraan toe is”. Daarom vindt regelmatig overleg plaats tussen onderzoekers, behandelaars, opleiders (ook van andere universiteiten) en wetenschappelijke tijdschriften als NTVT, zodat er klinisch relevant onderzoek kan worden gedaan waarbij de verschillende disciplines elkaar kunnen helpen. Ook patiënten(organisaties) worden actief betrokken om te komen tot innovatieve oplossingen op het gebied van orofaciale gezondheid(szorg). Als voorbeeld van de samenwerking met de afdeling Maag-, Darm- en Leverziekten vertelde Loomans over het onderzoek van Victor Madariaga naar een intraorale sensor om reflux te meten:

Zuur-in-de-mond-tast-het-gebit-aan---maar-wat-is-de-bron-
Zuur-in-de-mond-tast-het-gebit-aan---maar-wat-is-de-bron-
-71-Intraorale-sensor-om-reflux-te-meten
-71-Intraorale-sensor-om-reflux-te-meten

Een andere doelstelling van ‘Orofacial Health’ is het ontwikkelen van innovatieve, (pre)klinische strategieën en besluitvorming met behulp van AI en 3D-technologie. Hiervoor haalde Loomans het fundamentele onderzoek naar tooth-on-a-chip aan dat de weefselstructuur van gebitselementen nabootst en vergeleken bij traditionele modellen “een betere voorspellende waarde heeft en voor een beter begrip van de ontwikkeling van gebitselementen zorgt”. Daarnaast richt het programma zich op het ontwikkelen van minimaal invasieve reconstructieve en regeneratieve behandelingen met biomaterialen. Tot slot is binnen het programma veel aandacht voor het opleiden van de volgende generatie onderzoekers en behandelaars in de orofaciale gezondheidszorg. Zo is er een 3D-gebitselement met kunstmatige dentale pulpa ontwikkeld, omdat de stap van theorie naar praktijk voor tandheelkundestudenten erg groot is. Als een student hierin te diep boort, komt er imitatiebloed (een rode hars) vrij. “Zo ervaren ze beter wanneer ze het verkeerd doen”, lichtte Loomans toe. “Bovendien is het goedkoper dan een KaVo-modeltand”.

Grote variëteit in presentaties

Tijdens de DDS werden in totaal 68 tandheelkundige onderzoeken gepresenteerd over verschillende onderwerpen, variërend van kunstmatige intelligentie en het effect van twee of drie minuten poetsen tot mondzorg bij kwetsbare ouderen en therapietrouw bij gebruik van een mandibulair repositieapparaat (MRA). De onderwerpen tonen duidelijk de multidisciplinaire component van het tandheelkundig onderzoek in Nederland.

Bastiaan Krom (ACTA) gaf uitleg over zijn in-vitro-onderzoek naar het effect van zink op orale biofilms ofwel bacteriën. Zink wordt al meer dan 30 jaar toegevoegd aan bepaalde tandpasta’s om plaque te verminderen en orale aandoeningen te voorkomen, maar er is nog geen duidelijkheid over de manier waarop dit precies werkt. Uit Kroms onderzoek blijkt dat zink de groei en metabole activiteit van orale biofilms remt en de stabiliteit van deze biofilms kan beïnvloeden. In hoge concentraties (600 ppm) is het zelfs cytotoxisch.

Na de koffiepauze vertelde Zhengfei Huang (ACTA) over zijn onderzoek naar voorspellers van therapietrouw bij patiënten met obstructieve slaapapneu (OSA) die worden behandeld met een mandibulair repositieapparaat (MRA). Gebruik van een MRA zorgt er meteen voor dat iemand minder snurkt en minder ademstops heeft. Om de andere symptomen van OSA, zoals vermoeidheid en concentratieproblemen, te verbeteren, moet een MRA langer worden gebruikt. Therapietrouw is dus een belangrijk onderdeel van deze behandeling. Uit het onderzoek van Huang blijkt dat temporomandibulaire pijn, aanhoudende OSA-symptomen, MRA-gerelateerde bijwerkingen en roken negatief geassocieerd waren met therapietrouw. Huang adviseert mondzorgverleners daarom patiënten te informeren over deze factoren, zodat deze zich hiervan bewust zijn. In februari van dit jaar wijdde NTVT een themanummer aan slaapapneu waarin ook onderzoek van Huang wordt besproken.

Yannick Pooters (ACTA) deed verslag van zijn onderzoek naar een nieuw conometrisch abutmentsysteem. Dit systeem combineert de voordelen van gecementeerde en geschroefde implantaten: het is een hybride oplossing door op frictie gebaseerde retentie, er wordt geen schroef of cement gebruikt en heeft een goede retentie. In het onderzoek werd gekeken naar de retentiekracht van conometrische versus gecementeerde restauraties, het effect van thermocycling en van de diameter van de abutments. Conometrische abutments scoorden beter wat betreft retentie, ook na thermocycling. De retentie was beter naarmate de diameter van de abutment kleiner was. Geconcludeerd kan worden dat het een veelbelovend alternatief voor een kroon lijkt.

Keyi Wu (Radboudumc) presenteerde haar onderzoek naar de slijtvastheid van directe en indirecte composietrestauraties. Door middel van de rub&roll-methode en drie verschillende vloeistoffen werd veroudering opgewekt. Het bleek dat de slijtvastheid niet werd beïnvloed door de reparatietechniek, maar wel door de chemisch-mechanische factoren. Het betrof laboratoriumonderzoek, toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op de klinische setting.

Met een systematisch literatuuronderzoek ging Maria Gabriella Packaeser de Souza (ACTA) na of 3D-printen een kosteneffectief alternatief voor restauratieve tandheelkunde is. In een klinische setting bleek geen verschil te worden ervaren tussen 3D-geprinte en gefreesde gebitsprothesen. De conclusie was dat 3D-printen de meest economische optie is, speciaal voor het printen van grote volumes, tijdelijke restauraties, wanneer minder geïnvesteerd kan worden en uit duurzaamheidsoogpunt. Frezen heeft de voorkeur als er maximale precisie is gewenst, de keramiek heel sterk moet zijn en als er maar een gebitselement moet worden nagemaakt. Tot nu toe is 3D-printen dus een aanvulling, nog geen vervanging.

Met het gebruik van een op AI gebaseerd detectiesysteem bij panoramische röntgenopnamen houdt Julien Issa (ACTA) zich bezig. De realiteit is dat 89% van deze opnamen op z’n minst een positioneringsfout laat zien. AI werd getraind op perfectie: een goede positionering, perfect contrast en geen artefacten. Factoren die AI-detectie negatief beïnvloeden, zijn een luchtspleet boven de voorste gebitselementen en overlappende contactpunten. Het AI-systeem werkt goed tegen veelvoorkomende imperfecties, maar het kan niet alle detectiefouten eruit halen. Daarom blijven gestandaardiseerde beeldvormingsprotocollen van belang, evenals onafhankelijke validatie van AI-systemen in de praktijk.

Ook op de donderdagmiddag waren er nog een aantal interessante presentaties, onder andere van Fushi Wang (Radboudumc) over haar onderzoek naar een periodontium-on-a-chip, een 3D-celsysteem op een chip waarmee mechanische krachten op het parondontale ligament (PDL) worden nagebootst en gemeten. Haar belangrijkste conclusies zijn dat de vorming van collageen wordt bevorderd en PDL-cellen worden uitgelijnd onder invloed van de mechanische krachten op deze chip.

In een andere zaal ging Pomme van Maarschalkerweerd (ACTA) in op de barrières die mond- en jeugdzorgverleners ondervinden in gesprekken met ouders met migratieachtergrond over voeding. Zij onderzoekt dit om de communicatie hierover te kunnen verbeteren in het kader van preventieve mondzorg. De zorgverleners gaven via semi-gestructureerde interviews aan dat taalproblemen het gesprek belemmeren, maar ook als ouders de gegeven adviezen (via tolken of visuele hulpmiddelen) wel begrijpen ze het moeilijk vinden om deze toe te passen vanwege hun culturele normen omtrent voedsel.

Karen Elsberg (Inholland/Radboud UMC) belichtte haar onderzoek naar de implementatie van de KIMO-richtlijn Mondzorg voor jeugdigen; preventie en behandeling van cariës (2020). Deze gaat uit van passende zorg, met andere woorden: preventieve behandeling speelt de hoofdrol. Elsberg concludeert dat implementatie van deze richtlijn een moeizaam proces is, onder zowel mondzorgverleners (weten van de richtlijn maar kennen die niet goed) als ouders (ondervinden barrières, bijvoorbeeld bij dagelijks tandenpoetsen). Elsberg stelt dat mondzorgverleners eerst hun houding moeten veranderen voordat hen strategieën voor preventieve zorg worden aangeleerd. 

Met een retrospectief onderzoek schatte Karin van Nes de cariësprevalentie in van kinderen in de leeftijd van een tot vier jaar die tussen 2015 en 2020 tandheelkundige zorg via het ‘Mijn Eerste Tandarts’-programma op ACTA kregen. Tevens identificeerde zij de daarmee samenhangende patiënt- en sociaaleconomische factoren. De cariësprevalentie was 45,5%. Er werd meer cariës gezien bij kinderen die bij intake ouder waren, waren doorverwezen, die meer plaque hadden bij intake en die uit een groter huishouden kwamen. Een groter risico op cariës werd gezien bij kinderen komend uit een lage sociaaleconomische positie, die op late leeftijd gaan tandenpoetsen en het eerste bezoek aan de tandarts uitstellen. Van Nes wil dit onderzoek uitbreiden naar data van 2020 tot nu toe.

Ingrid de Ruiter (ACTA) presenteerde haar onderzoek naar het gebruik van teledentistry voor het verzamelen van plaquescores. Hierbij stuurt de patiënt een foto naar de tandarts, die dan de plaquescores vaststelt. Voordelen van zo’n methode zouden kunnen zijn dat het niet invasief is en dat het reproduceerbaar is. De plaquescores op de foto werden vergeleken met de klinische inspectie van de mond. Er bleek geen statistisch significant verschil tussen de foto of klinische inspectie, maar wel tussen de twee beoordelaars. 

Vrijdagochtend presenteerde Joanita van Santen de resultaten van haar onderzoek naar speekselionen als biomarker voor de ziekte van Sjögren. Ze heeft onderzocht of de concentratie speekselionen gedurende de dag fluctueert. De ionenconcentraties van natrium, kalium, chloride, nitraat, fosfaat, sulfaat en ammonium verschilden ’s middags niet ten opzichte van ’s ochtends, calcium en magnesium verschilden wel. Bij Sjögren-patiënten zijn natrium- en chlorideconcentraties lager dan bij gezonde patiënten, maar daarmee kan geen onderscheid worden gemaakt met andere drogemondpatiënten, de volgende stap is dat te onderzoeken.

Het onderzoek van Joost den Boer (KNMT) betrof een manier om inzicht in de mondgezondheid van de Nederlandse bevolking te krijgen: kunnen mondgezondheidsgegevens worden verzameld tijdens routinematige tandartsbezoeken? Daartoe zijn de Meetweken Mondgezondheid gehouden. Tandartsen en mondhygiënisten werd gevraagd mondgezondheidgegevens van vijf patiënten op te nemen en in te vullen op een formulier. De gevraagde gegevens omvatten het aantal gebitselementen, gebitsprotheses, restauraties, cariës, parodontale pocketdiepte, plaque-index en gebitsslijtage. Het formulier lijkt geschikt om gegevens te verzamelen, helaas waren er nog te weinig participanten om een succesvolle landelijke dataverzameling mogelijk te maken.

Claar van der Maarel-Wierink besprak de evaluatie van de richtlijn interprofessionele samenwerking voor mondzorgverlening aan ouderen in zorginstellingen. Voor het onderzoek werden interprofessionele netwerken gevormd en teams hielden multidisciplinaire overleggen (MDO’s) om de richtlijn te evalueren en te implementeren. Gegevens werden verzameld via reflectieformulieren, een nationale onderzoeksbijeenkomst en een eindevaluatie-enquête naar de bijdrage van MDO’s op het gebied van mondzorg aan kwetsbare ouderen. Er bleek een aanzienlijke variatie in onder andere trouw en aanpassing omdat mondzorgverleners de handvatten en intensiteit van de implementatie aanpasten aan lokale behoeften. Nodig voor effectieve samenwerking is contextuele flexibiliteit, wederzijdse interesse en actieve betrokkenheid.

Ook Ellen Dekkers onderzocht de mondzorg voor kwetsbare ouderen, maar dan vanuit de tandartspraktijk. Juist voor deze patiëntengroep is mondgezondheid belangrijk omdat het nauw samenhangt met algemene gezondheid en welzijn. Mondzorg voor kwetsbare ouderen in de tandartsprakrijk vereisen extra tijd en inspanning. Mondzorgverleners zijn toegewijd aan deze groep, maar organisatorische en samenwerkingsbarrières bemoeilijken optimale zorg. Daarom zou mondzorg beter geïntegreerd moeten worden in de eerstelijnszorg met een grotere verspreiding en implementatie van richtlijnen op dit gebied.

Tjitske Wijzenbeek (Inholland) focust haar onderzoek op de het verbeteren van de mondgezondheid van jongvolwassenen. Deze groep waardeert een esthetisch mooi gebit, maar laten het na hun vragen over bijvoorbeeld het betalen van de rekening, piercings en halitose aan de tandarts te stellen en door onvoldoende gezondheidskennis en -bewustzijn bezoeken zij ook niet regelmatig een tandarts. Wijzenbeek denkt dat het gat van kind naar jongvolwassenen overbrugd kan worden door voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd patiënten te informeren over wat hen financieel te wachten staat, hoe ze hun leefstijl kunnen veranderen (gezonde keuzes normaliseren en niet afzetten als een luxe keuze) en wat de verantwoordelijkheid van de patiënt zelf is voor de orale gezondheid.

Wat betreft implementatiestrategieën om de mondverzorging van ouderen in zorginstellingen te evalueren had Linet Weening (Hanze) het systematisch literatuuronderzoek uit 2013 herhaald voor de periode 2011-2023 en een meta-analyse uitgevoerd op de gecombineerde gegevens, met als uitkomstmaten tandplaque en gebitsprotheseplaque (afb. 2). Het bleek dat de kennis en houding van het verzorgend personeel wel verbeterden, maar dat het effect van de implementatiestrategieën op de mondgezondheid van de ouderen varieerde: geen op gingivitis, klein op tandplaque en het grootst op protheseplaque. Weening vraagt zich af je of je zoveel energie moet inzetten op een gezonde mond in verpleeghuizen, aangezien bewoners daar gemiddeld maar een jaar verblijven. Ze denkt dat het beter is als mondzorgverleners meer doen voor de mondgezondheid van thuiswonende ouderen, omdat die periode veel langer is.

Voor de onderzoekers was een prijs beschikbaar voor de beste presentatie. De winnaar hiervan was Lela Bidar (ACTA) voor haar onderzoek naar orale complicaties door de behandeling van borstkanker.

NTVT heeft zes onderzoekers geïnterviewd over hun onderzoeken en bevindingen. De interviews staan verderop in dit thema, maar zijn (uitgebreider) ook op video te bekijken: https://www.ntvt.nl/actueel/interview

Enkele posters uitgelicht

Lars Toonen (ACTA) vroeg zich af wat het effect is van een tandenpoetsduur van 3 minuten op de plaquescores in vergelijking met de standaard aanbevolen 2 minuten poetstijd. Hij selecteerde de literatuur hierover en voerde afzonderlijke analyses uit voor tandenpoetsen door deelnemers zelf of door mondzorgverleners, waarbij per groep ook nog onderscheid werd gemaakt tussen poetsen met hand- of elektrische tandenborstel. Poetsen met een handtandenborstel en professioneel tandenpoetsen met een elektrische tandenborstel scoorden statisch significant ten gunste van 3 minuten poetstijd. De gemeten verlaging in de plaquescores was echter zo klein dat het kllinisch niet relevant is.

Joyce Louise (ACTA/UMCU) onderzocht de hypothese dat Molar-Incisor Hypomineralisation (MIH) vaker voorkomt op het platteland. Hiervoor verzamelde ze gegevens van kinderen tussen de vier en twaalf jaar oud die tussen 2022 en 2024 de Poetsbus in Noord-Holland bezochten. Op basis van postcode werd met behulp van het CBS de sociaaleconomische status en of ze op het platteland of in stedelijk gebied woonden vastgesteld. Met logistische regressie toonde Louise aan dat kinderen in stedelijke gebieden een significant hogere kans op MIH hadden dan de kinderen op het platteland. Sociaaleconomische status was niet geassocieerd met MIH. Welke factoren een rol spelen bij een hogere kans op MIH bij stadskinderen zou volgens Louise nader onderzocht moeten worden. 

Cynthia Groenevelt (Amsterdam UMC) presenteerde haar onderzoek naar de ontwikkeling van een test (OralScreen) voor vroege opsporing van mondkanker. Op dit moment is visuele inspectie met bevestiging via een biopsie de gouden standaard voor het monitoren van verdachte laesies. Aan de hand van interviews met (mond)zorgverleners en patiënten onderzoekt Groenevelt onder welke voorwaarden (mond)zorgverleners deze test zouden willen inzetten, zodat deze laagdrempelig te gebruiken is. Patiënten lopen vaak al langer rond met een plekje, maar hebben er geen last van of het verdwijnt soms ook weer even. Bij periodieke controles zou een tandarts verdachte laesies sneller kunnen opsporen. Risicogroepen zijn mensen met een lage sociaaleconomische status en een migratieachtergrond, omdat zij niet snel naar een tandarts of andere zorgverlener gaan.

De poster van Karl Parisius (ACTA) ging over de ontwikkeling van een Engels- en Nederlandstalige vragenlijst op B1-niveau voor de beoordeling van orale kwetsbaarheid bij ouderen door mondzorgverleners. Parisius ontwikkelt deze vragenlijst omdat bij ouderen het gevaar bestaat dat ze bij mondproblemen niet goed kunnen kauwen, bepaald voedsel gaan vermijden en daardoor te eenzijdig eten waardoor hun algehele gezondheid afneemt en ze bijvoorbeeld ondervoed kunnen raken. Met de vragenlijst hoopt Parisius dat er in de mondgezondheid geïntervenieerd kan gaan worden voordat er problemen met de algehele gezondheid zijn. Hij won hiermee de prijs voor beste poster (afb. 3).

Niet doen alsof we alles (beter) weten

Op vrijdagmiddag sloot prof. dr. Sjoerd Repping, hoogleraar zinnige zorg aan de UvA, de wetenschappelijke sessies af met een interactieve presentatie over passende zorg, ofwel zorg die bewezen effectief is en waarde toevoegt, die in gesprek tussen zorgverlener en patiënt tot stand komt, dichtbij wordt geleverd waar mogelijk en veraf waar noodzakelijk en die zich bovendien meer richt op gezondheid dan op ziekte (Repping, 2023). Repping betrok de aanwezigen door middel van prikkelende vragen in de discussie en er werden veel ideeën uitgewisseld. Hoe weten we bijvoorbeeld wat zinnige zorg is? Een van de criteria hiervoor is dat zorg evidencebased moet zijn, maar onderzoeken zijn vaak uitgevoerd bij mannen en dus niet zonder meer van toepassing op vrouwen. Daarnaast gaan meta-analysen vaak uit van een gemiddelde patiënt. Het is dan ook zaak voor (mond)- zorgverleners om wetenschappelijke informatie te combineren met de eigen ervaring en goed te luisteren naar de patiënt. 

Een ander probleem is dat zorgverzekeraars hun eigen regels maken. Zo wordt fluorideapplicatie maar één keer vergoed, terwijl het bewezen effectief is. Bovendien doen we als (mond)- zorgverleners elke dag dingen die niet evidencebased zijn, omdat we uit eigen ervaring weten dat iets werkt. De zaal schrok er wel van dat uit onderzoek is gebleken dat van alle verleende medisch-specialistische zorg slechts 20% bewezen effectief is. Ook heeft slechts 13% van de aanbevelingen in medisch-specialistische richtlijnen een gemiddelde tot hoge bewijskracht, aldus Repping. Hoe is dat in de mondzorg? Vanuit de zaal werd het voorbeeld genoemd dat tandsteen verwijderen geen gezondheidswinst oplevert, maar dat we daar als samenleving voor patiënten tot 18 jaar wel voor betalen. Repping vatte de discussies kernachtig samen met de woorden dat de meeste impact soms niet door preventie komt, maar door niets te doen. 

Als belangrijkste problemen van deze tijd benoemde Repping dat zorg niet altijd effectief is en innovatie niet altijd leidt tot betere zorg. Ook bepalen onderzoekers zelf waar ze onderzoek naar doen en is de maatschappelijk waarde vaak beperkt: veel van het onderzoek dat we doen leidt tot veel publicaties, maar levert weinig verandering in de praktijk op. Hij eindigde zijn lezing dan ook met een aantal lessen vanuit de medisch-specialistische zorg die ervoor kunnen zorgen dat zorg beter wordt geëvalueerd en het huidige onderzoekssysteem beter werkt. Zo zouden onderzoeken niet alleen door onderzoekers moeten worden opgezet, maar met medewerking van meerdere partijen (ondernemingen, patiënten, verzekeraars, ziekenhuizen en wetenschappelijke verenigingen). Hij noemde dit het co-creëren van passend onderzoek. Daarnaast is het volgens Repping belangrijk dat onderzoeksresultaten binnen een jaar in de relevante richtlijn(en) zijn verwerkt. 

Na deze lezing ging een aantal deelnemers nog naar presentaties over nieuw toegekende projecten vanuit Innovation Booster (OrangeHealth) en vertrok de rest geïnspireerd naar huis.

NTVT PUBQUIZ

Net als voorgaand jaar werd de donderdag afgesloten met de NTVT pubquiz. Adjunct-hoofdredacteur Maurits de Kuijper bevroeg teams van vier tot acht personen op hun kennis over zintuigelijke waarneming en sappige verhalen uit de wetenschappelijke wereld, en op algemene kennis over de wereld. Vooral de voeldozen met voorwerpen uit verschillende landen waren een groot succes. De afsluitende ‘vraag’, waarmee de winst werd beslist, was het zo ver mogelijk laten vliegen van een papieren vliegtuigje, een traditie bij de jaarlijkse uitreiking van de Ig Nobelprijzen, waarbij onderzoek dat je eerst laat lachen en vervolgens aan het denken zet, wordt beloond. Dit jaar kon team ‘AI Kwaliteit’ de borrelplank mee naar huis nemen (afb. 4).

Juiste antwoorden Pubquiz-vragen:
Juiste antwoord: a
Juiste antwoord: b

Informatie

Rubriek
Publicatiedatum
9 juni 2026
Citeren

van Loen JAA, van der Poel LM, van der Vos-Kloprogge JS. Dutch Dental Science Days 2026: update van het tandheelkundig onderzoek in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2026; 133: 272-278

Auteursinformatie

Afb. 1. Bas Loomans opende de DDS en gaf een overzicht van het nieuwe onderzoeksprogramma 'Orofacial Health' aan Radboudumc.
Geïnteresseerde aanwezigen tijdens een van de plenaire sessies.
Gesprekken tijdens de postersessies.
Afbeelding
Lois Boadu (ACTA/Inholland) bij haar presentatie over osteogene differentiatie van pre-osteoblasten op nanobuisjes van titaandioxide onder hyperglykemische omstandigheden.
Afb. 2. Linet Weening (Hanze) presenteerde een update van een systematisch literatuuronderzoek naar mondzorg bij ouderen in verzorgingstehuizen.
Afb. 3. Karl Parisius (ACTA) won de eerste prijs voor zijn poster over mondzorg aan kwetsbare ouderen.
Impressie van NTVT Pubquiz met papieren vliegtuigjes, koekjes op suikergehalte rangschikken en voeldozen.
Afb. 4. Team 'AI Kwaliteit', winnaars van de NTVT Pubquiz, met hun prijs.
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding