• Kennistoetsartikel

    Serie: Medicamenten en mondzorg 5. Bijwerkingen van medicamenten en zelfzorg­middelen op gebitselementen

    C. de Baat, P.G.M.A. Zweers, C. van Loveren, A. Vissink

    6 oktober 2017

    NTvT oktober 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Intrinsieke verkleuring komt voor als bijwerking van fluoride en tetracyclinen. Extrinsieke verkleuring kan ontstaan door aanslag op het oppervlak of door verkleuring van de pellikel en/of de biofilm op het oppervlak onder invloed van chloorhexidine, ferropreparaten, etherische oliën, sommige antibiotica en tinfluoride. Een inhiberend effect op orthodontische verplaatsing is gemeld bij het gebruik van prostaglandinesynthetaseremmers. Als medicamenten of zelfzorgmiddelen hyposialie induceren of veel sacharose bevatten, kan cariës ontstaan. Erosie kan ontstaan als medicamenten of zelfzorgmiddelen een hoge zuurgraad hebben. Attritie is een bekende bijwerking van serotonineheropnameremmers, antiparkinsonmiddelen en antipsychotica. Congenitale dysplasie ziet men na behandeling met cytostatica op kinderleeftijd. Externe dentineresorptie in het cervicale gebied is een bijwerking van intern bleken. Prenatale expositie aan anti-epileptica en behandeling van kinderen met cytostatica kunnen leiden tot agenesieën. Antiseptica die worden toegepast bij extern bleken en tandpasta’s die als bijkomend doel hebben extrinsieke verkleuring en vorming van tandsteen te voorkomen, kunnen hypersensitiviteit veroorzaken.

  • Kennistoetsartikel

    Serie: Preventieve tandheelkunde 8. Voeding en cariës

    C. van Loveren

    6 oktober 2017

    NTvT oktober 2017 Onderzoek en wetenschap

  • De roep om minder suiker te gebruiken ten gunste van de algemene gezondheid klinkt steeds luider. De vraag is op welke wijze het gebruik van minder suiker ook zou kunnen bijdragen aan een lager cariësrisico. Dit kan worden bereikt door de frequentie van suikerhoudende tussendoortjes te beperken. In Nederland wordt vanwege de gebitsgezondheid geadviseerd maximaal 4 keer iets tussen de maaltijden in te consumeren. Een andere manier om het dieet minder cariogeen te maken is suiker in voedingsmiddelen te vervangen door intensieve niet-calorische zoetstoffen en calorische suikeralcoholen of door ‘nieuwe koolhydraten’. Van de intensieve niet-calorische zoetstoffen en calorische zoetstoffen is al aangetoond dat zij niet cariogeen zijn. Nieuwe koolhydraten zullen nog op cariogeniteit moeten worden getest.

  • Prioritering en aanbevelingen in de mondzorg voor ouderen

    K. Jerkovic, B. Everaars, G.J. van der Putten

    6 oktober 2017

    NTvT oktober 2017 Onderzoek en wetenschap

  • De mondgezondheid van ouderen, vooral kwetsbare zorgafhankelijke ouderen is suboptimaal. In een Priority Setting Partnershiponderzoek hebben ouderen en andere belanghebbenden geparticipeerd om ervaren belemmeringen in de mondzorg te inventariseren en hieruit agendapunten voor onderzoek te destilleren. Hiertoe zijn in 5 focusgroepen discussies gehouden met respectievelijk een groep ouderen, verzorgers, externe partijen en behandelaars. In een vijfde zogenoemde consensusgroep werd de definitieve lijst van prioriterende agendapunten geformuleerd. De belangrijkste prioriteiten betreffen beleid en organisatie, bewustwording, samenwerking tussen verschillende zorgverleners, financiering en organisatie van mondzorg voor thuiswonende ouderen, en onderwijs over mondzorg aan alle zorgverleners. Bewustwording over het belang van de mondgezondheid van ouderen bij zorgverleners is de eerste stap naar betere mondgezondheid van ouderen in Nederland.

  • De relatie tussen parodontitis, diabetes mellitus en hart- en vaatziekten is complex en kan voorgesteld worden als een Bermudadriehoek. Zo is een relatie tussen parodontitis en een verminderde conditie van het vaatstelsel en een verhoogde totale ontstekingsgraad in het lichaam aangetoond. Ook hebben patiënten met ernstige parodontitis hogere bloedwaarden van geglycosyleerd hemoglobine. Dat betekent dat ernstige parodontitis een vroege aanwijzing kan zijn van diabetes mellitus. Een parodontale behandeling zorgt in het algemeen voor een verbeterde bloedsuikerregulatie bij diabetespatiënten, een betere conditie van het vaatstelsel en een verlaging van de totale ontstekingsgraad. Factoren als erfelijkheid, levensstijl en de aanwezigheid van andere chronische ziektebeelden dragen echter bij aan de complexiteit van de relatie. Voor de behandeling van ernstige parodontitis wordt daarom interdisciplinaire samenwerking tussen tandartsen, huisartsen en internisten aangeraden.

  • Mondgezondheid kan worden gemeten vanuit het perspectief van de zorgverlener (objectief) en van de patiënt (subjectief). Echter, objectieve en subjectieve mondgezondheid komen niet goed overeen. Daarom werd onderzoek verricht naar de relaties tussen objectieve en subjectieve mondgezondheid, en gerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL) bij kinderen. Deze relaties werden bekeken in verband met de orthodontische problemen. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen Generation R, een prospectief onderzoek naar de gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Naast malocclusies en cariës bleken verschillende niet-klinische factoren, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken, invloed te hebben op subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zorgen net als sociaaleconomische factoren voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid. Deze kennis kan niet alleen helpen een effectieve communicatie tussen orthodontist en patiënt te ondersteunen, maar ook bij ontwikkeling van doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen.

  • Kennistoetsartikel

    Ziektelast en kwaliteit van leven bij patiënten met en zonder extreme angst voor tandheelkundige behandelingen

    J.H. Vermaire, C.M.H.H. van Houtem, J.N. Ross, A.A. Schuller

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • In dit onderzoek werd een vergelijking gemaakt tussen ziektespecifieke (mondgezondheidgerelateerde) kwaliteit van leven ­(MGKvL), gemeten met de OHIP-14 vragenlijst, en generieke (algemene gezondheidgerelateerde) kwaliteit van leven (GKvL), gemeten met de EQ5D-5L vragenlijst van mensen met en zonder extreme behandelangst. Een totaal van 76 patiënten die onbehandelbaar waren vanwege extreme behandelangst, waren verwezen naar een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Deze patiënten werden op basis van leeftijd, geslacht en sociaaleconomische status gematcht met deelnemers aan een epidemiologisch onderzoek naar mondgezondheid (n = 1.125). Wilcoxon signed-rank tests werden gebruikt om beide groepen te vergelijken op GKvL en MGKvL. De totale OHIP-score was hoger (wat een lagere kwaliteit van leven inhoudt) in de patiëntengroep dan in de controlegroep. Angst­patiënten scoorden hoger op alle 7 domeinen van de OHIP-14. Wat betreft de generieke kwaliteit van leven werd gevonden dat patiënten met extreme behandelangst een lagere utiliteit rapporteerden dan de gematchte controlegroep. Met deze gegevens kon voor extreme behandelangst een totale ziektelast voor Nederland worden berekend van 74.000 DALY’s (disability adjusted life years). De resultaten van dit onderzoek geven aan dat het hebben van extreme angst voor tandheelkundige behandelingen in Nederland een significante ziektelast met zich meebrengt.

  • Kennistoetsartikel

    Denk aan je tanden - de relatie tussen kauwen en cognitie

    R.A.F. Weijenberg, S. Delwel, B.V. Ho, C.D. Wierink, F. Lobbezoo

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Ouderen, vooral diegenen met dementie, hebben een grote kans op mondproblemen zoals orofaciale pijn en het verlies van gebitselementen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de cognitieve en motorische beperkingen als gevolg van de dementie leiden tot verminderde zelfzorg en daarmee ook tot een slechtere mondgezondheid. Een alternatieve theorie is dat cognitie en mondgezondheid elkaar beïnvloeden. Uit dieronderzoeken blijkt dat vermindering van de kauwactiviteit, bijvoorbeeld door gemalen voedsel te eten of door tandverlies, leidt tot verminderde geheugenfuncties en neuronale degeneratie. In humane onderzoeken is de relatie tussen kauwen en cognitie ook onderzocht, maar komt de causaliteit nog niet duidelijk naar voren. Waarschijnlijk spelen meerdere factoren een rol in deze relatie, zoals zelfzorg, voeding, stress en pijn.

  • Kennistoetsartikel

    Gebitsslijtage en jongvolwassenen: wat weten ze en hoe wensen ze informatie

    V.J.N. Verploegen, A.A. Schuller

    8 september 2017

    NTvT september 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Erosieve gebitsslijtage is een veel voorkomend verschijnsel onder de jeugd en jongvolwassenen in Nederland. Aandacht voor dit probleem is vanwege de irreversibele gevolgen noodzakelijk. Het vragenlijstonderzoek (als onderdeel van ‘Tandheelkundig Onderzoek en Praktijk Noord Nederland’) dat werd uitgevoerd onder 331 jongvolwassenen (20 tot en met 25 jaar) uit 25 mondzorgpraktijken, had als doel inzicht te verkrijgen in het kennisniveau over erosieve gebitsslijtage en in door de jongvolwassenen meest gewenste manier om tandheelkundige informatie te ontvangen. Uit de resultaten bleek dat er nog veel onbekend is over erosieve gebitsslijtage onder jongvolwassenen, waarbij de kennisscore afhankelijk was van opleidingsniveau en het eerder hebben ontvangen van informatie hierover. Een gesprek met een mondzorgverlener, ondersteund door schriftelijke informatie op maat, werd door de deelnemers als meest gewenste manier van informeren aangegeven.

  • Het effect van verschillende tandheelkundige reinigingsinstrumenten op oppervlakken van orale titanium implantaten werd in dit onderzoek geëvalueerd. Verder werd een klinische richtlijn ontwikkeld met betrekking tot de diagnose, de preventie en de behandeling van peri-implantaire ziektes. Air-polishers bleken de meest geschikte instrumenten te zijn voor het verwijderen van de biofilm van implantaatoppervlakken. Van de chemische middelen leken citroenzuur en waterstofperoxide de meeste potentie te hebben. Periodieke controles en zorgvuldig onderhoud van de implantaatgedragen constructies (door patiënten en mondzorgverleners) zijn van groot belang om peri-implantaire ziektes te voorkomen of ze vroegtijdig te diagnosticeren. Een klinische en röntgenologische ‘nulmeting’ is een onmisbaar onderdeel voor de start van deze controles. Deze nulmeting vindt bij voorkeur ongeveer 8 weken na het plaatsen van de suprastructuur plaats. Klinische en/of röntgenologische veranderingen zijn alarmerend. Preventie en vroegtijdige diagnose van problemen is de sleutel tot het succes van orale implantaten op de lange termijn.

  • Kennistoetsartikel

    Preventieve tandheelkunde 7. Halitose de mond uit helpen

    T.M.H. de Jong, M.L. Laine

    7 juli 2017

    NTvT juli en augustus 2017 Onderzoek en wetenschap

  • Halitose of slechte adem is een probleem dat bij veel mensen voorkomt en waarvan de oorzaak meestal intraoraal is te vinden. Bacteriën in de mond produceren vluchtige zwavelhoudende verbindingen, zoals waterstofsulfide en methylmercaptaan, die niet alleen een onaangename geur afgeven, maar ook een toxisch effect op parodontale weefsels kunnen hebben. Goede mondhygiëne, een gezond parodontium en gezonde gebitselementen zijn de basis voor de preventie van intraorale halitose en daarom spelen tandartsen en mondhygiënisten een essentiële rol hierin.

Vorige 1 2 3 4 5 6 7 Volgende

Selecteer zoekcriteria