Bevoegdheden en taakverdeling: inventarisatie van knelpunten in de mondzorg

View the english summary Open PDF (4.11 MB)

Voor de patiëntveiligheid en het vertrouwen van het publiek in de mondzorg is het essentieel dat de patiënt kan vertrouwen op degene die hem zorg verleent. Steeds vaker wordt mondzorg verleend door niet-tandartsen. De regels hiervoor zijn opgenomen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Uit een recente evaluatie van deze wet blijkt dat de voorwaarden waaronder niet-tandartsen taken in de mondzorg kunnen uitvoeren bij betrokkenen niet algemeen bekend zijn, of dat ze onzeker zijn hoe deze eisen in de praktijk moeten worden geoperationaliseerd. Verontrustend is dat deze kennis ten opzichte van een eerdere evaluatie nauwelijks is toegenomen en soms zelfs gedaald.

Inleiding

In de gezondheidszorg wordt vaker dan enkele jaren geleden de zorg verleend door beroepsbeoefenaren met opleidingen van verschillend niveau. De zorgverlening door tandartsen, mondhygiënisten en tandartsassistenten en de uitwisseling van taken tussen deze mondzorgverleners onderling zijn aan regels gebonden. De indruk heerst dat over deze regels en de achtergrond ervan de nodige verwarring bestaat, waardoor knelpunten kunnen onstaan. Meer duidelijkheid over de regelgeving is daarom geboden, niet alleen voor de mondzorgverleners, maar vooral ook in het belang van de patiënt. In een aantal artikelen onderzoeken de auteurs de mogelijkheden om duidelijkheid te scheppen over de regelgeving. In deze eerste bijdrage worden de knelpunten in de dagelijkse praktijk geïnventariseerd. Ook wordt een globaal overzicht gegeven van de onderwerpen die in latere bijdragen nader zullen worden besproken.

Beeld: Shutterstock

Het uitgangspunt van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is dat, mits bekwaam, iedereen zorg mag verlenen zonder nadere voorwaarden. De wet schept echter enkele kwaliteitswaarborgen voor de bescherming van de burger. Dit uitgangspunt is belangrijk met het oog op het vervolg van deze bijdragen. Niet het monopolie van een beroepsgroep stond bij het opstellen van de Wet BIG voorop, maar de patiëntveiligheid. In het kader hiervan geeft de wet, om patiënten te beschermen tegen ondeskundig handelen door een hulpverlener, de voorwaarden aan waaronder verschillende hulpverleners zorg mogen verlenen. Vooral als het gaat om zorgverlening door niet-tandartsen gebruikt de wet verschillende termen. Voor een goed begrip van de mogelijkheden waaronder (niet-)tandartsen zorg mogen verlenen is het essentieel dat over deze termen duidelijkheid bestaat. Daarom zal in een volgende bijdrage uitgebreid worden ingegaan op deze termen. Wanneer er duidelijkheid bestaat over de voorwaarden waaronder tandartsen en niet-tandartsen tandheelkundige zorg mogen verlenen, zal worden nagegaan hoe de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid over de verschillende zorgverleners is verdeeld. Indien nodig, zal tot slot worden geïnventariseerd welke knelpunten er overblijven en zullen suggesties worden gedaan voor verbetering.

Ontwikkelingen in de tandheelkunde

Een van de redenen waarom de Wet BIG in 1993 werd geïntroduceerd, was om ruimte te bieden aan behandelaars die geen (tand)arts waren. De wetgever creëerde daarbij wel enkele kwaliteitswaarborgen voor de burger, onder andere door een systeem van beroepstitels die wettelijke bescherming genoten op grond van een met goed succes gevolgde opleiding. In de tandheelkunde betreffen dat naast de tandarts, de mondhygiënist en de tandprotheticus. Andere kwaliteitswaarborgen die de wetgever heeft gemaakt zijn een publiek register van bepaalde beroepsbeoefenaren, het zogenoemde BIG-register, en wettelijk tuchtrecht voor de in het BIG-register opgenomen beroepen.

Het blijkt inmiddels dat een deel van de tandheelkundige zorg daadwerkelijk wordt overgenomen door niet-tandartsen. Uit een onderzoek van Bruers et al (2014) blijkt dat het aantal praktijken dat 1 of meer preventieassistenten in dienst heeft, is gestegen van 19% in 2001 tot 47% in 2011. Dit terwijl het percentage praktijken met 1 of meer tandartsassistenten was gedaald. Formeel gezien is het verschil tussen de tandartsassistent en de preventie­assistent dat deze laatste is opgeleid om onder bepaalde voorwaarden bepaalde behandelingen bij patiënten uit te kunnen voeren onder de verantwoordelijkheid van een tandarts. Of en in hoeverre gewone tandartsassistenten dit in de praktijk ook doen, wordt niet duidelijk.

Een andere zorgverlener in de mondzorgpraktijk is de mondhygiënist. Volgens Bruers is het aantal mondhygiënisten binnen tandartspraktijken gestegen van 32% (1997) naar 37% (2011). Deze stijging is weliswaar niet zo groot als bij de preventieassistenten, maar het bleek wel statistisch significant. Mondhygiënisten zijn echter niet alleen werkzaam binnen een tandartspraktijk, maar kunnen ook zelfstandig gevestigd zijn. Een maat voor het aantal mondhygiënisten dat zelfstandig binnen een teamverband werkt of geheel zelfstandig is gevestigd zou de AGB-code kunnen zijn (Algemeen GegevensBeheer Zorgverleners). AGB is een registratie van zorgaanbiedergegevens ten behoeve van het elektronische declaratie- en communicatieverkeer tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar. Eind 2014 waren er volgens het AGB-register 8.520 tandartsen met een AGB-code en 1.225 mondhygiënisten. Voor een oudere, maar meer zorgbrede vergelijking kan worden verwezen naar het onderzoek van Van der Velden (2013).

Op basis van het bovenstaande lijkt de stelling gerechtvaardigd dat in de tandheelkunde steeds meer zorg wordt verleend door niet-tandartsen. Daarom spreken we ook steeds meer over ‘mondzorg’.

Mondzorg wordt geleverd door niet-tandartsen en tandartsen-algemeen practici, maar ook door gedifferentieerde tandartsen of door tandarts-specialisten. Om voor het publiek duidelijk te maken welke status een hulpverlener heeft, is het BIG-register ingevoerd. Via het BIG-register kan het publiek nagaan of een hulpverlener is ingeschreven, als tandarts of als tandarts-specialist. De gedifferentieerde tandarts staat niet met zijn/haar differentiatie vermeld in het BIG-register. Blijkens het AGB-register zijn veel gedifferentieerde tandartsen daar waarschijnlijk als tandarts-algemeen practicus ingeschreven en niet als gedifferentieerd tandarts. Zo stond eind 2014 slechts 1 endodontoloog in het AGB-register onder zijn differentiatie ingeschreven. Omdat noch het BIG-register noch het AGB-register enige helderheid verschaft over de differentiatie, zullen patiënten en zorgverzekeraars af moeten gaan op registers die worden bijgehouden door de betreffende wetenschappelijke vereniging. Vaker nog zullen ze vertrouwen op de titel die een zorgverlener gebruikt. Hierbij moet worden opgemerkt dat titels als ‘endodontoloog’ en ‘parodontoloog’ niet de waarborgen kennen van de Wet BIG.

Mogelijke knelpunten die op basis van het bovenstaande kunnen optreden, zijn de regels die gelden voor het overdragen van zorg aan niet-tandartsen en het feit dat het voor patiënten niet duidelijk is wat de achtergrond en de opleiding is van hun zorgverlener. Die onzekerheid kan inhouden dat men denkt met een tandarts van doen te hebben, maar in werkelijkheid betreft het bijvoorbeeld een assistent. Maar ook dat men denkt met een erkende gedifferentieerde tandarts van doen te hebben, maar in werkelijkheid is het een tandarts zonder erkenning van zijn differentiatie.

De Wet BIG

De Wet BIG kent enkele kernbegrippen die in deze bijdrage alleen worden genoemd en in een latere bijdrage worden uitgewerkt.

De Wet BIG onderscheidt voorbehouden handelingen en niet-voorbehouden handelingen. Uit het oogpunt van patiëntveiligheid is het verrichten van ‘voorbehouden handelingen’ aan een bepaalde groep, waaronder tandartsen (art. 36 Wet BIG), voorbehouden. Onder bepaalde voorwaarden mogen ook niet-tandartsen voorbehouden handelingen verrichten. (art. 35, 38 en 39 Wet BIG). De kernvoorwaarden hiervoor zijn: een opdracht van een zelfstandig bevoegde hulpverlener, de vastgestelde bekwaamheid van de opdrachtnemer om de opdracht uit te kunnen voeren, de ‘mogelijkheid van toezicht en tussenkomst’ van de opdrachtgever en de toestemming van de patiënt voor de overdracht van deze taak. Voor degenen die zelfstandig bevoegd zijn, bijvoorbeeld binnen de tandheelkunde een tandarts, geldt als eis dat zij bekwaam zijn. Voor niet-voorbehouden handelingen geldt in alle gevallen dat de zorgverlener bekwaam moet zijn.

In een onderzoek naar de overdracht van taken door een tandarts aan een kindertandverzorgende bleek dat tandartsen in 20 gevallen meenden dat de kindertandverzorgende niet bekwaam was om een extractie te verrichten, maar in 17 gevallen werd deze extractie toch aan de kindertandverzorgende overgedragen. Andersom bleken kindertandverzorgenden in 20 gevallen te vinden dat ze niet bekwaam waren een extractie te verrichten, maar in 16 gevallen werd de opdracht tot extractie wel door de kindertandverzorger uitgevoerd. Voor andere voorbehouden handelingen golden vergelijkbare cijfers (Brands et al, 2007). De conclusie uit dit oudere onderzoek zou kunnen zijn dat van de respondenten in dit onderzoek een deel van zowel de opdrachtgevers (de tandartsen) als de opdrachtnemers (de kindertandverzorgenden) afweek van de kernvoorwaarde van de Wet BIG, namelijk de bekwaamheid van de feitelijke hulpverlener.Praktijkproblemen als hierboven geschetst kunnen ontstaan wanneer hulpverleners hetzij de voorwaarden waaronder ze hulp mogen verlenen niet kennen of dat ze die wel kennen maar om allerlei redenen niet toepassen. Het niet kennen van een regeling kan als achtergrond hebben het feit dat men zich niet in de regeling verdiept heeft of het feit dat de regeling onduidelijk is.

Evaluatie Wet BIG

Wetten worden periodiek geëvalueerd. Dit gebeurde met de Wet BIG in 2002 en in 2013 (Cuperus-Bosma et al, 2002; Sijmons et al, 2013). Een van de onderwerpen die werden onderzocht is de kennis van hulpverleners over verschillende, voor de Wet BIG relevante onderwerpen. Eerder is uiteengezet dat kennis essentieel is voor het juist toepassen van de regels. Daarom zal uitgebreid worden ingegaan op de evaluatiescores van tandartsen en mondhygië­nisten. Het uitgangspunt is de meest recente evaluatie van 2013, zo mogelijk zal tussen haakjes ook de score van de groep hulpverleners in 2002 worden vermeld.

Voorbehouden en niet-voorbehouden handelingen

Tandartsen en mondhygiënisten blijken relatief vaak correcte antwoorden te geven op de vraag wat voorbehouden handelingen in de tandheelkunde zijn. Het is opvallend dat de percentages met juiste antwoorden lager worden, naarmate de handeling als minder ingrijpend wordt gezien. Zo wist 96% van de tandartsen dat extraheren een voorbehouden handeling is. Voor restaureren daalde dit percentage tot 92, voor het toedienen van lokale anesthesie tot 90 en voor het maken van röntgenopnamen tot 73. Dit zou er op kunnen duiden dat het correct beantwoorden van vragen over de voorbehouden handelingen in de tandheelkunde door tandartsen niet berust op kennis van de Wet BIG, maar meer op een juiste inschatting van de ingrijpendheid van een behandeling. Voor mondhygiënisten is een verklaring moeilijker. Zo wist 87% van de mondhygiënisten dat het toedienen van lokale anesthesie een voorbehouden handeling is, voor extraheren lag dit percentage op 84, voor restaureren op 86 en voor het maken van röntgenopnamen op 83.

De kennis van niet-voorbehouden handelingen bleek lager te liggen. Van de tandartsen bleek 74% en van de mondhygiënisten 70% te weten dat supragingivaal tandsteen verwijderen geen voorbehouden handeling is. Voor het periodiek mondonderzoek lag het percentage nog lager. Slechts 43% van de tandartsen en 64% van de mondhygië­nisten wisten dat dit onderzoek (nog) geen voorbehouden handeling is.

Eerder is beschreven dat voor de overdracht van voorbehouden handelingen aan niet-tandartsen vereist zijn: de bekwaamheid, de opdracht en de aanwezigheid van een tandarts. De scores van tandartsen en mondhygiënisten betreffende deze begrippen zullen hierna kort worden toegelicht.

Bekwaamheid

Eerder vermeld onderzoek waarbij de bekwaamheid van kindertandverzorgenden aan de orde kwam, is inmiddels 8 jaar oud (Brands, 2007). Het zou mooi zijn als de evaluatie van de Wet BIG meer recente gegevens aanleverde over de bekendheid van tandartsen en mondhygiënisten met de eis van bekwaamheid. Hierover is voor de evaluatie van 2013 echter geen informatie verzameld. Wel gaf 65% (65%) van de tandartsen en 63% (39%) van de mondhygiënisten aan, niet te weten of het onduidelijk te vinden hoe de bekwaamheid moet worden vastgesteld. Hierbij zijn de eerste cijfers afkomstig van de tweede evaluatie van de Wet BIG (2013) en de cijfers tussen haakjes van de eerste evaluatie (2002). Ook is onderzocht hoe hulpverleners in de praktijk vaststellen of iemand bekwaam is. Hierop zal in een latere bijdrage nader worden ingegaan.

Opdrachtrelatie

In de evaluatie van 2013 bleek 100% (97%) van de tandartsen en 98% (98%) van de mondhygiënisten te weten dat tandartsen op eigen initiatief, dus zonder opdracht, voorbehouden handelingen op het gebied van mondzorg mogen verrichten. De scores van 2002 zijn tussen haakjes vermeld. Daarop werd gevraagd welke andere beroepsgroepen op eigen initiatief voorbehouden handelingen mogen verrichten. Tabel 1, die is overgenomen uit de evaluatie van de Wet BIG in 2013, geeft de resultaten weer van de beantwoording van deze vraag. Opmerkelijk is dat een meerderheid van tandartsen ten onrechte denkt dat mondhygiënisten op eigen initiatief voorbehouden handelingen mogen verrichten en dat de kennis hierover sinds de laatste evaluatie nauwelijks is toegenomen. Voor de mond­hygiënisten geldt dat hun kennis zelfs aanzienlijk is afgenomen sinds de laatste evaluatie. Verder valt op dat veel tandartsen en mondhygiënisten ten onrechte menen dat een preventieassistent niet alleen voor sommige handelingen meer bekwaam is dan een tandartsassistent, maar dat zij ook, meer dan een tandartsassistent, zonder opdracht voorbehouden handelingen mag verrichten.

  Tandartsen
n = 273
Mondhygiënisten
n = 229
Mondhygiënisten 46% (45%) 43% (62%)
Tandartsassistenten 97% 96%
Tandprothetici 61% 53%
Preventieassistenten 87% 88%
NB: de getallen tussen haakjes geven de resultaten uit de Eerste evaluatie Wet BIG (2002) weer.  

Tabel 1. Percentages correcte antwoorden van tandartsen en mondhygiënisten op de vraag: ‘Welke van de volgende beroepsbeoefenaren zijn volgens u bevoegd om op eigen initiatief zonder opdracht voorbehouden handelingen te verrichten?'. Uit: Enquête beroepsgroepen Pro Facto en enquête beroepsgroepen EMGO/eerste evaluatie (bron: Tweede evaluatie Wet BIG, 2013).

Tandartsen en mondhygiënisten voelen zich onzeker over de opdrachtrelatie. Van de tandartsen is 52% (50%) en van de mondhygiënisten 53% (40%) hetzij onzeker over de manier waarop de opdracht moet worden gegeven, of weet het niet. In de evaluatie is ook nagegaan op welke manier in de praktijk een opdracht wordt gegeven voor het toedienen van lokale anesthesie of het maken van röntgenopnamen. Hierop zal in een latere bijdrage nader worden ingegaan.

Toezicht en tussenkomst

Een ander vereiste voor de overdracht betreft de mogelijkheid tot toezicht en ‘tussenkomst’ van een tandarts. In de evaluatie is onderzocht in hoeverre tandartsen in dit verband toezicht hielden op het maken van röntgenopnamen. Hierbij geldt voor zowel de overdracht aan een mondhygië­nist als aan assistenten dat een tandarts in het gebouw aanwezig moet zijn. Het toezicht door tandartsen bij het maken van röntgenopnamen is in de praktijk echter bij tandartsassistenten scherper dan bij mondhygiënisten. Van de tandartsen doet 84% dit altijd/meestal als de tandartsassistent röntgenopnamen maakt. Voor de mondhygië­nist is dit percentage veel lager, namelijk 28.

Van de tandartsen gaf 43% en van de mondhygiënisten 41% aan dat het voor hen onduidelijk was of dat ze niet wisten door wie welke handelingen zonder tussenkomst mogen worden uitgevoerd.

Uit het voorafgaande blijkt dat tandartsen en mondhygiënisten van sommige zaken goed op de hoogte zijn. Waarbij moet worden aangetekend dat mogelijk de goede antwoorden van tandartsen meer door het gezonde verstand ingegeven lijken te zijn dan door kennis van de Wet BIG. Ook is het goed voor ogen te houden dat deze regels door de overheid worden gezien als essentieel voor de veiligheid van de patiënt. Beziet men ze in dit licht dan is een onwetendheid van 10% nog te veel. Ronduit verontrustend is de onwetendheid van tandartsen en mondhygiënisten als het gaat om de voorwaarden waaronder een voorbehouden handeling kan worden overgedragen aan een niet-tandarts. Overigens moet wel worden vermeld dat dit manco niet alleen in de mondzorg werd geconstateerd. Ook de artsen bleken lang niet altijd op de hoogte te zijn van de relevante regels.

Beeld: Shutterstock

Problemen in de praktijk

In hoeverre werk van niet-tandartsen tot problemen leidt is slechts indirect te constateren. Vaak zullen klachten over medewerkers door de tandarts zelf worden opgelost. In theorie zou een patiënt die door een assistent onjuist is behandeld kunnen klagen bij het klachtrecht waar de tandarts bij aangesloten is. Uitspraken van het klachtrecht worden echter niet altijd gepubliceerd en voor zover dit wel gebeurt lijkt het voornamelijk te gaan om gevallen waarin een tandarts zelf iets te verwijten valt. Voor het wettelijk tuchtcollege geldt dat alleen kan worden geklaagd over het persoonlijk falen van een tandarts, en niet over het gedrag van een assistent of een mondhygiënist. Ondanks deze filters bereiken nog diverse klachten, die handelen over de vraag van bevoegdheid en de inzet van niet-tandartsen, de wettelijke tuchtcolleges. In een niet gepubliceerd onderzoek van 528 tuchtrechtuitspraken tegen tandartsen gingen 33 zaken over deze onderwerpen. Hiervan betroffen 8 zaken de inzet van niet-BIG geregistreerde ‘tandartsen’.

In 6 gevallen meenden klagers dat een tandarts ten onrechte suggereerde dat hij specialist was. Het is opmerkelijk dat het in deze categorie in de meeste gevallen ging om een tandarts die orthodontie bedreef. In 14 gevallen betrof de klacht de inzet van een assistent of een mondhygiënist. Een punt dat bij een behandeling door bijvoorbeeld een assistent niet onvermeld mag blijven is de deelbehandeling. Hierbij is het de vraag in hoeverre een tandheelkundige behandeling kan worden opgesplitst in een niet-voorbehouden handeling en een wel-voorbehouden handeling. Dit kan zich in de praktijk voordoen wanneer een tandarts een caviteit prepareert, terwijl een assistent dan de restauratie aanbrengt en afwerkt. Op deze situatie zal in een volgende bijdrage nader worden ingegaan. In 5 gevallen werd geklaagd over de inzet van een tandprotheticus. In deze gevallen werd er zowel geklaagd over een tandarts die een tandprotheticus in dienst had als andersom.

Het bovenstaande hoeft niet altijd te betekenen dat de aangeklaagde tandarts niet weet wat de bevoegdheidsregels zijn of inhouden. In sommige gevallen is het ook de patiënt die de regels niet kent en daarom ten onrechte klaagt. Bijvoorbeeld over het feit dat een mondhygiënist een periodiek mondonderzoek doet. Het zal duidelijk zijn dat de kans op klachten groter wordt wanneer tandartsen menen dat niet-tandartsen zelfstandig meer handelingen mogen verrichten dan wettelijk is toegestaan, terwijl patiënten juist het omgekeerde denken.

Discussie

Waar steeds meer behandelingen in de mondzorg worden verricht door niet-tandartsen, kunnen vragen worden gesteld over de aanwezige kennis bij tandartsen en mondhygiënisten van de regels die gelden voor de overdracht van taken. Een groot percentage tandartsen blijkt te weten wat voorbehouden handelingen zijn. Deze kennis van tandartsen lijkt meer te berusten op de inschatting van de ingrijpendheid van een behandeling, dan op kennis van de Wet BIG. Dat een extractie een voorbehouden handeling is, zal elke tandarts wel aanvoelen. Gaat het om minder voor de hand liggende voorbehouden handelingen dan daalt het percentage goede antwoorden fors.

Voor de overdracht van taken aan niet-tandartsen gelden regels die kennelijk minder logisch zijn en in ieder geval lang niet altijd bij iedere tandarts bekend zijn. Opvallend is dat, hoewel de overdracht van taken aan niet-tandartsen toeneemt, de kennis van relevante regels bij tandartsen nauwelijks toeneemt en bij mondhygiënisten op bepaalde punten zelfs sterk is gedaald sinds de evaluatie van de wet BIG in 2002. Deels kan het gebrek aan kennis berusten op onbekendheid met de regels, maar ook op onduidelijkheid in de Wet BIG. Een van de punten die moet worden uitgediept is de vraag in hoeverre een voorbehouden handeling kan worden opgedeeld in een niet-voorbehouden handeling en een wel-voorbehouden handeling. Deze vraag kan bijvoorbeeld relevant zijn voor een endodontische behandeling en voor de restauratie van een gebitselement.

In het voorafgaande is gesproken over de eisen die de Wet BIG stelt aan de overdracht van taken aan niet-tandartsen. De wet gebruikt hiervoor begrippen die een toelichting vereisen. Bij een meerderheid van de tandartsen en mondhygiënisten bestaat onzekerheid of onwetendheid over hoe begrippen als ‘bekwaamheid’ ‘opdrachtrelatie’, ‘toezicht’ en ‘tussenkomst’ moeten worden geoperationaliseerd. Daarom zal in een volgende bijdrage worden geprobeerd de kernbegrippen uit de Wet BIG te verduidelijken. Hierbij zal niet alleen worden bezien hoe de bekwaamheid gestalte krijgt binnen de opdrachtrelatie, maar ook in het kader van de zelfstandige uitvoering van voorbehouden en niet voorbehouden handelingen.

Literatuur

• Brands WG, Kerckhoffs AMA, Bronkhorst EM. Het teamconcept, vrijheid blijheid? Ned Tijdschr Tandheelkd 2007; 114: 368-372.
•Bruers JJM, Boer JCL den, Dam BAFM. Project Peilstations: monitor van de tandheelkundige beroepsuitoefening in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelk 2014; 121: 345-352.
•Cuperus-Bosma JM, Roscam Abbing HDC, Gevers JKM, et al. Evaluatie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Den Haag: ZonMw, 2002.
•Sijmons JG, Woestenburg NOM, Dorscheidt JHHM, et al. Tweede evaluatie van de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg. Den Haag: ZonMw, 2013.
•Velden LFJ van der. Quickscan Beroepen & Opleidingen in de zorg, welzijn en kinderopvang Utrecht: Nivel, 2013.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Beeld: Shutterstock
Beeld: Shutterstock
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd oktober 2015; 122: 507-511
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2015.10.15138
rubriek
Visie
Bronnen
  • W.G. Brands (1), J.L. van den Heuvel (2), J.A. Kieft (3)
  • Uit (1)een tandartspraktijk te Vaassen, (2)tandarts, oud adviserend tandarts en (3)verbonden aan de Stichting College Mondzorg
  • Datum van acceptatie: 27 februari 2015
  • Adres: mr. dr. W.G. Brands, Lange Grafte 33, 7321 ZC Apeldoorn
  • wbrands1@kpnmail.nl
Gerelateerd