Proefschriften 25 jaar na dato 41. Aanpassingsvermogen van ouderen

View the english summary Open PDF (5.59 MB)

In 1990 verscheen het proefschrift ‘Een kunstgebit bij ouderen, een kwestie van aanpassen?’. Het onderzoek dat er aan ten grondslag lag, betrof onder andere het vinden van een meetinstrument voor het aanpassingsvermogen van ouderen aan volledige gebitsprothesen. De conclusie was dat een subschaal van de Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten voorspellende waarde had. Hierna zijn over dit onderwerp slechts enkele nieuwe onderzoeken uitgevoerd. Die gingen over de aangetoonde aanpassing achteraf, de gerealiseerde aanpassing. De resultaten waren teleurstellend. Omdat sinds de beschikbaarheid van orale implantaten veel implantaatgedragen gebitsprothesen zijn vervaardigd, lijkt onderzoek naar het aanpassingsvermogen aan volledige gebitsprothesen ook minder relevant. Het zoeken naar een meetinstrument voor de doelmatigheid van behandelingen heeft zich in de laatste decennia vooral gericht op de levenskwaliteit en op de algemene conditie van een oudere. Om in de mondzorg tot een goede beoordeling van de algemene conditie en daarmee van de belastbaarheid van een oudere te komen, is ervaring echter onontbeerlijk.

Leerdoel
Na het lezen van dit artikel:
- hebt u inzicht in het aan­passingsvermogen van ouderen aan de volledige gebits­prothese en de factoren die dit beïnvloeden.

Wat weten we?
Een lage score op de subschaal van de Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten, die wijst op een geringe mate van hulpbehoevendheid, is gekoppeld aan weinig klachten en een grote mate van tevredenheid over volledige gebits­prothesen.

Wat is nieuw?
Het bepalen van het aanpassingsvermogen van ouderen is tegenwoordig vooral gericht op een beoordeling van de ­algemene conditie. Ouderen zijn in te delen in 5 categorieën, te weten: gezonde, kwetsbare, fysiek beperkte, cognitief beperkte en zorgafhankelijke ouderen. Hiervoor zijn diverse scoringsmethoden beschikbaar. Een dergelijke score geeft een indicatie van de belastbaarheid van een oudere en die indicatie geeft een indicatie van de doelmatigheid van een beoogde interventie.

Praktijktoepassing
In de mondzorg voor ouderen is het streven voor iedere oudere, na het verzamelen van alle relevante gegevens en het uitvoeren van een extra- en intraoraal onderzoek, een mondzorgplan op te stellen. Bij de verzameling van relevante gegevens zou ook een scoringsmethode voor het bepalen van de categorie van algemene conditie kunnen worden gebruikt die een indicatie geeft voor de belastbaarheid van een oudere en voor de doelmatigheid van een beoogde interventie.

 

Inleiding

In januari 1990 is het proefschrift ‘Een kunstgebit bij ­ouderen, een kwestie van aanpassen?’ aan de toenmalige Katholieke Universiteit te Nijmegen verdedigd (afb.1) (De Baat, 1990). De subtitel luidde ‘Een onderzoek naar de mondgezondheid en de tandheelkundige behandelingsmogelijkheden van edentate ouderen in een aantal verpleeghuizen in Nederland’. Als probleemstelling werd beschreven dat de in het algemeen veranderde, meer positieve benadering van de ouderdom en van oudere mensen ook in de mondzorg de nodige veranderingen en aanpassingen vereiste. Om tot een adequate mondzorg voor ouderen te kunnen komen, werd het van belang geacht meer inzicht te krijgen in hun toestand van mondgezondheid en in hun objectieve en subjectieve behandelingsbehoefte. Daarbij werd aangegeven dat orale problemen zeker bij ouderen niet als op zichzelf staand moeten worden beoordeeld en behandeld. Als factoren waarmee rekening dient te worden gehouden, werden genoemd: de levensverwachting, de objectieve behandelingsbehoefte, de subjectieve behandelingsbehoefte en het aanpassingsvermogen. De laatste factor werd beschouwd als de moeilijkste om vast te stellen en het was de vraag of er een meetinstrument bestond dat geschikt is om te fungeren als leidraad bij het beoordelen van het aanpassingsvermogen van een individuele oudere. Op basis van een literatuuronderzoek werd daarbij gedacht aan de Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten (BOP) die destijds veel werd gebruikt in de Nederlandse verpleeghuizen. Met de BOP werd in 6 subschalen een aantal aspecten van het dagelijks gedrag beoordeeld. Een verzorgende vulde de vragenlijst in na observatie van een patiënt gedurende ongeveer een week. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid was al uitvoerig onderzocht en voldoende bevonden. Tijdens de voorbereiding van het onderzoek werd juist een nieuw meetinstrument geïntroduceerd, de Gedragsobservatieschaal voor de Intramurale Psychogeriatrie (GIP). Besloten werd ook hiervan de ­geschiktheid voor het aangegeven doel in het onderzoek te testen.

Afb. 1. Omslag van het proefschrift.

Dit artikel besteedt eerst aandacht aan het onderzoek dat destijds is uitgevoerd en in het proefschrift is beschreven om een antwoord te krijgen op de concrete vraagstelling of aan de hand van de BOP en/of de GIP een voorspelling kon worden gedaan van het aanpassingsvermogen van oudere, edentate verpleeghuisbewoners met betrekking tot een orale prothetische behandeling. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de wetenschappelijke ontwikkelingen die zich in de laatste 25 jaar op het gebied van bepaling van het aanpassingsvermogen van ouderen hebben voorgedaan.

Promotieonderzoek

De onderzoeksgroep bestond uit 95 bewoners, 32 mannen en 63 vrouwen, van 4 verpleeghuizen in de regio Leiden. Zij varieerden in leeftijd van 65 tot 99 jaar en hadden geen of slechts geringe cognitieve beperkingen, waren edentaat en droegen volledige gebitsprothesen. Klinisch was aan de hand van een aantal standaardcriteria vastgesteld dat de technische kwaliteit van hun gebitsprothesen onvoldoende was (tab. 1) (afb. 2). De proefpersonen werden aselect verdeeld in 48 voor wie nieuwe volledige gebitsprothesen werden vervaardigd (groep VP) en 47 bij wie de volledige gebitsprothesen technisch werden verbeterd door een ­relining en/of een correctie van de maxillomandibulaire relatie (groep R). Het aanpassingsvermogen aan nieuwe of verbeterde volledige gebitsprothesen werd gedefinieerd als het vermogen nieuwe of verbeterde volledige gebitsprothesen, die voldoen aan alle redelijkerwijs te stellen functionele en esthetische eisen, zodanig in te passen in het totale systeem van lichamelijk en geestelijk functioneren dat ze geen aanleiding vormen voor persisterende klachten of ontevredenheid. Voor, en 2, en 6 maanden na deze behandelingen werd als uitkomstmaat van de interventie een vragenlijst ingevuld over de klachten en de tevredenheid van de proefpersonen over hun volledige gebitsprothesen. Het resultaat hiervan is gerelateerd aan de voor de interventie bepaalde BOP- en GIP-scores. De vragenlijsten voor bepaling van de BOP- en GIP-scores zijn ook 2 maanden na de interventie ingevuld om mogelijk opgetreden wijzigingen in scores te registreren. Bij grote wijzigingen zou immers ook de mogelijke voorspellende waarde van deze scores voor het aanpassingsvermogen zijn veranderd. Als zich bij een proefpersoon een grote wijziging zou voordoen, kon uitsluiting van de proefpersoon worden overwogen. Diverse variabelen werden beschouwd als mogelijke ­covarianten en ook deze zijn voorafgaand aan de interventie bepaald. Als eerste werd de mate van reductie van de beide edentate processus alveolares bepaald door een daartoe gekalibreerde tandarts. Daarnaast werd door middel van een vragenlijst bij de proefpersonen informatie ingewonnen over de opleiding, het aantal edentate jaren, de periode van functioneren van de huidige volledige gebitsprothesen en het aantal vervaardigde volledige gebitsprothesen.

- Foutieve situering van de prothese-elementen in de ­gebitsprothese ten opzichte van de processus alveolaris
- Foutieve relatie tussen de maxillaire en mandibulaire ­gebitsprothese
- Onvoldoende of foutieve aanpassing van de gebitsprothese aan de dragende weefsels
- Onjuistheden in de uitvoering van de gebitsprothese, ­namelijk: aanwezigheid van zuiger of zuigkamer in de gebitsprothese en/of aanwezigheid van caoutchouc als prothese-basismateriaal

Tabel 1. De standaardcriteria om vast te stellen dat de technische kwaliteit van ­gebitsprothesen onvoldoende was.

 
Afb. 2. Volledige gebitsprothesen met verscheidene technische mankementen, waaronder een verstoorde maxillomandibulaire relatie (met dank aan drs. A.G. van Andel).

Door uitval van proefpersonen als gevolg van overlijden (27), terugtrekking van deelname (11), ontslag uit het ­verpleeghuis (11) en slechte algemene conditie (7) waren na 2 maanden onderzoeksgegevens beschikbaar van 48 proefpersonen en na 6 maanden van 39. Bij de statistische verwerking van de antwoorden op de vragen over klachten en tevredenheid over de volledige gebitsprothesen bleek een grote overeenstemming te bestaan in de antwoorden per proefpersoon (Cronbach’s alfa: 0,86-0,91). Daarom konden de antwoordscores worden samengevoegd tot 1 evaluatieschaal die varieerde van 0 tot 3 en waarbij een hoge score duidde op weinig klachten en een grote mate van tevredenheid. Tabel 2 geeft per behandelgroep een overzicht van de scores op de evaluatieschaal op de 3 meetmomenten. De geringe verschillen waren niet statistisch significant en daarom werd geconcludeerd dat de interventies bij de proefpersonen geen wijzigingen hadden ­gebracht in de mate van klachten en tevredenheid. Uit een regressieanalyse van de relevante variabelen bleek de BOP1-subschaal, die staat voor hulpbehoevendheid, de enige variabele met voorspellende waarde voor het aanpassingsvermogen aan nieuwe of verbeterde volledige gebits­prothesen te zijn. Interpreterend betekende dit dat een lage BOP1-score, weinig hulpbehoevendheid, was gekoppeld aan weinig klachten en een grote mate van tevredenheid over de volledige gebitsprothesen.

Groepen Voor Na 2 maanden Na 6 maanden
  n
Gemiddelde ±
sfg n Gemiddelde ± sfg n Gemiddelde ± sfg
VP 21 0,87 ± 0,75 0,16 21 0,72 ± 0,81 0,18 17 0,91 ± 0,72 0,17
R 27 0,88 ± 0,70 0,13 27 0,90 ± 0,65 0,12 22 0,90 ± 0,66 0,14
Totaal  48      48      39    

Tabel 2. Gemiddelde scores, standaarddeviatie (±) en standaardfout van het gemiddelde (sfg) op de evaluatieschaal van klachten en tevredenheid van de 2 ­onderzoeksgroepen, voor en 2 en 6 maanden na de interventie (n = aantal proefpersonen; VP = nieuwe volledige gebitsprothesen; R = verbeterde volledige gebitsprothesen).

Ontwikkelingen sinds 1990

Na het promotieonderzoek zijn over het aanpassingsvermogen van ouderen aan volledige gebitsprothesen slechts enkele kleinschalige nieuwe onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken betroffen echter allemaal de aanpassing aan volledige gebitsprothesen die had plaatsgevonden nadat nieuwe gebitsprothesen waren vervaardigd en geplaatst, de zogenoemde gerealiseerde aanpassing.

In Duitsland is bij 60 ervaren dragers van volledige gebitsprothesen in de leeftijd van 39 tot 85 jaar de relatie onderzocht tussen enerzijds leeftijd, manuele vaardigheid, orale vaardigheid en concentratievermogen en anderzijds de gerealiseerde aanpassing aan nieuwe volledige gebitsprothesen. Voor hen werden door studenten nieuwe, kwalitatief goede volledige gebitsprothesen vervaardigd en 2 tot 3 weken daarna werden de prothesedragers met gevalideerde meetmethoden getest op manuele vaardigheid, orale vaardigheid en concentratievermogen. Hun gerealiseerde aanpassing aan de nieuwe volledige gebitsprothesen werd bepaald met een lijst van stellingen over het functioneren van hun volledige gebitsprothesen, waarop ze positief of negatief moesten reageren. Duidelijk werd dat de manuele vaardigheid en het concentratievermogen bij ouderen minder waren dan bij jongeren. Minder duidelijk was de relatie tussen leeftijd, orale vaardigheid en gerealiseerde aanpassing aan de nieuwe volledige gebitsprothesen. Als mogelijke verklaring voor dit laatste gegeven opperden de auteurs dat de proefpersonen veel ­ervaring hadden met het dragen van volledige gebits­prothesen en dat er dus weinig werd gevraagd van hun aanpassingsvermogen (Müller en Hasse-Sander, 1993). Twee jaar later volgde nog een verslag van dit onderzoek, nu geconcentreerd op de invloed van de leeftijd, de manuele en de orale vaardigheid op de gerealiseerde aanpassing. De uitkomst was uiteraard hetzelfde als eerder gerapporteerd (Müller et al, 1995a).

Orale stereognosie

Zelfs verscheen nog een derde publicatie over hetzelfde onderzoek. Het vermogen om driedimensionale voorwerpen in de mond te herkennen door betasting met de tong (orale stereognosie) werd in dit onderzoek getest. Het bleek dat een correcte herkenning van de voorwerpen was gerelateerd aan jongere leeftijd, maar niet aan de gerealiseerde aanpassing aan de nieuwe gebitsprothesen. Verder bleek uit dit onderzoek dat een andere factor, namelijk de retentie van de mandibulaire volledige gebitsprothese ­negatief was gecorreleerd met zowel de gerealiseerde ­aanpassing als het vermogen driedimensionale voorwerpen (halve maan, driehoek, vierkant, rond, rechthoek) in de mond te herkennen. In deze kleinere groep proefpersonen bleek correcte orale herkenning van de voorwerpen gerelateerd aan jongere leeftijd, maar niet aan de gerealiseerde aanpassing aan nieuwe volledige gebitsprothesen. Een ­relatie tussen orale stereognosie en gerealiseerde aanpassing aan nieuwe volledige gebitsprothesen werd dus niet gevonden. Interessant was de introductie van een andere variabele, namelijk de retentie van de mandibulaire volledige gebitsprothese. Zowel de gerealiseerde aanpassing als de orale stereognosie bleek geringer als de retentie van de mandibulaire volledige gebitsprothese slechter was. ­Mogelijk was de retentie van de mandibulaire volledige ­gebitsprothese een bepalende factor voor de gerealiseerde aanpassing aan nieuwe volledige gebitsprothesen (Müller et al, 1995b). Op dit gegeven wordt nader ingegaan in de volgende subparagraaf.

Ook in Nederland is aandacht besteed aan de test van orale stereognosie als potentieel meetinstrument. Na een behandeling met nieuwe volledige gebitsprothesen werd het al of niet aanwezig zijn van resterende klachten over deze gebitsprothesen zonder dat daarvoor een technische oorzaak aanwezig was, gerelateerd aan de scores op de test van orale stereognosie. Het voorspellend vermogen van orale stereognosie bleek nagenoeg nihil (Van Aken et al, 1989; Van Aken et al, 1996). In deze onderzoeken ging het weliswaar niet direct om gerealiseerde aanpassing aan nieuwe volledige gebitsprothesen, maar de aanwezigheid van resterende klachten zonder aanwijsbare technische oorzaak is conform de definitie wel een belangrijke determinant van gerealiseerde aanpassing.

Retentie mandibulaire volledige gebitsprothese en orale implantaten

Zoals in de vorige subparagraaf beschreven, was voor edentate ouderen de retentie van hun mandibulaire volledige gebitsprothese een bepalende factor toen onderzoekers met een vragenlijst probeerden zicht te krijgen op de gerealiseerde aanpassing aan volledige gebitsprothesen (Müller et al, 1995b). Dit was ook al eerder geconstateerd toen edentaten werden ondervraagd over klachten over en tevredenheid met hun volledige gebitsprothesen (Kalk, 1979). Het zou kunnen zijn dat een slechte functie van een mandibulaire volledige gebitsprothese een groot beroep doet op het aanpassingsvermogen aan volledige gebitsprothesen en als gevolg daarvan een slechte invloed heeft op de gerealiseerde aanpassing aan volledige gebitsprothesen. Dat zou weer betekenen dat een goed aanpassingsvermogen minder belangrijk wordt en dat de gerealiseerde aanpassing aan volledige gebitsprothesen beter wordt als deze functieklacht kan worden weggenomen. In de praktijk is dat laatste inderdaad gebeurd met de intrede van orale implantaten. Recente (systematische) literatuuronderzoeken lieten zien dat implantaatgedragen mandibulaire volledige gebitsprothesen bijzonder hoog scoorden op patiënttevredenheid en levenskwaliteit (Emami et al, 2009; Assunção et al, 2010; Thomason et al, 2012; Boven et al, 2015). Daarom zijn deze gebitsprothesen in de loop der jaren, zeker in Nederland, steeds meer toegepast bij edentaten met klachten over de retentie van hun mandibulaire volledige gebitsprothese (Carlsson et al, 2004). En dat zou kunnen verklaren dat in het tijdperk van de orale implantaten geen noemenswaardig onderzoek meer is gedaan naar het aanpassingsvermogen aan volledige gebitsprothesen.

Osseoperceptie en neuroplasticiteit

Dat een implantaatgedragen mandibulaire volledige gebitsprothese bijzonder hoog scoort op patiënttevredenheid en levenskwaliteit heeft ongetwijfeld te maken met de veel betere retentie ten opzichte van een conventionele volledige gebitsprothese, maar wellicht ook met de fenomenen osseoperceptie en neuroplasticiteit. Onder andere door de opkomst van orale implantaten zijn deze neurologische ­fenomenen aan het begin van de huidige eeuw ook door­gedrongen tot de mondzorg.

Osseoperceptie is het fenomeen dat een geosseo-integreerd implantaat na verloop van tijd sensorische en zelfs sensomotorische activiteit gaat vertonen. Dit is voor het eerst waargenomen door mensen met een geosseo-integreerd onderbeenimplantaat na een onderbeenamputatie. Na verloop van tijd meldden zij dat ze tijdens het lopen weer de soort ondergrond, zoals hout of steen of metaal, konden ‘voelen’. Met orale implantaten deed zich ook een dergelijk fenomeen voor dat, als men de beschrijvingen van de patiënten interpreteert, vergelijkbaar is met de proprioceptie van gebitselementen door de mechanoreceptoren in het parodontium. Osseoperceptie van orale implantaten lijkt een fenomeen dat vergelijkbaar is en overeenkomsten heeft met orale stereognosie (Jacobs en Van Steenberghe, 2006). Het fenomeen is onderzocht bij patiënten die waren behandeld met diverse al dan niet implantaatgedragen uitneembare en vaste prothetische constructies. De patiënten moesten achtereenvolgens dichtbijten op strips aluminiumfolie van oplopende dikte en aangeven of ze de strips ‘voelden’ of niet. Uit de resultaten bleek dat de patiënten met orale implantaten statistisch significant betere perceptie van de strips en dus meer osseoperceptie hadden dan de patiënten zonder orale implantaten (Batista et al, 2008).

Neuroplasticiteit is het fenomeen dat in de organisatie van de hersenen veranderingen optreden als gevolg van ontwikkeling, leerprocessen, ervaring of letsel (Sessle, 2006). In een kliniek in Peking werden 8 edentaten met volledige gebitsprothesen en 12 edentaten met implantaatgedragen uitneembare of vaste prothetische constructies vergeleken tijdens kaakklemexperimenten. Met behulp van magnetische resonantie werd tijdens het kaakklemmen de activiteit in diverse delen van de hersenen geregistreerd. Bij de edentaten met orale implantaten werd een aanmerkelijk grotere hersenactiviteit geconstateerd dan bij de edentaten zonder orale implantaten. Deze grotere sensomotorische hersenactiviteit kan wijzen op herstel van het feedbackmechanisme via osseoperceptie en kan daarmee (mede) een verklaring zijn voor de betere stereognosie en kauwfunctie bij edentaten met implantaatgedragen ­prothetische constructies (Yan et al, 2008). Recent is een dergelijke verhoging van de hersenactiviteit ook gevonden bij dragers van conventionele volledige gebitsprothesen nadat ze een objectief aantoonbare betere occlusiefunctie hadden gekregen met nieuwe conventionele volledige gebitsprothesen. Daarmee is een vraagteken geplaatst achter de aanname dat om een dergelijke verbetering te krijgen per se orale implantaten nodig zijn (Luraschi et al, 2013). Ook in de keel-, neus- en oorheelkunde wordt gebruik­gemaakt van het fenomeen neuroplasticiteit. Bij kinderen met congenitale doofheid krijgen de hersenen geen ­geluidsimpulsen die nodig zijn om de spraak te ontwikkelen. Als zij echter voor de leeftijd van ongeveer 4 jaar een cochleair implantaat krijgen, wordt de nervus auditorius rechtstreeks door dit implantaat geactiveerd. Hierdoor krijgen de hersenen wel de benodigde impulsen met als gevolg dat de spraak zich beter ontwikkelt dan bij kinderen met congenitale doofheid zonder cochleair implantaat (Kral en Sharma, 2012).

Of osseoperceptie en neuroplasticiteit iets te maken ­hebben met aanpassingsvermogen aan volledige gebitsprothesen blijft vooralsnog gissen. Wel lijkt duidelijk dat deze fenomenen de aanpassing vergemakkelijken en dus zorgen voor een mindere aanspraak op het aanpassingsvermogen.

Levenskwaliteit

Zoals vermeld in de subparagraaf over de retentie van een mandibulaire volledige gebitsprothese en orale implantaten, is de levenskwaliteit gebruikt als criterium voor de doelmatigheid van implantaatgedragen mandibulaire volledige gebitsprothesen en die toepassing is uitgebreid naar nagenoeg alle behandelingen met orale implantaten (Raghoebar et al, 2011). In de totale breedte van de gezondheidszorg is het concept levenskwaliteit al in zwang sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw. Tot die tijd waren mortaliteit en morbiditeit de enige relevante uitkomstmaten voor preventieve en curatieve interventies. Steeds meer heeft echter de levenskwaliteit een beslissende stem gekregen in de besluitvorming tot het uitvoeren van medische interventies, maar het is niet mogelijk de wijziging in levenskwaliteit die een interventie kan gaan bewerkstelligen vooraf objectief te bepalen. Daarom worden de keuzes in besluitvorming gemaakt op grond van de verwachtingen en gevoelens van familieleden en/of zorgverleners en op professionele beoordelingen van de algemene conditie van een individu. Dit onderwerp wordt verder toegelicht in de volgende subparagraaf.

De inmiddels honderden meetinstrumenten voor levenskwaliteit zijn meestal vragenlijsten. Deze worden na een interventie ingevuld en ze concentreren zich op 1 of meer aspecten van levenskwaliteit, bijvoorbeeld pijn, positieve emotie, negatieve emotie, fysieke symptomen, cognitief functioneren, sociaal functioneren en zelfredzaamheid (Verrips, 2011). Bij uitstek in geval van orale interventies bij (kwetsbare) ouderen moet vooraf de vraag worden gesteld of die beoogde interventie een positieve invloed zal hebben op het lichamelijk en psychosociaal welbevinden van het individu. Over de informatie die de grote schakering aan meetinstrumenten voor levenskwaliteit hierover kan geven, is echter gerede twijfel gerezen. De huidige trend in de gerodontologie is terug te keren naar het zogenoemde kwalitatieve onderzoek dat bestaat uit systematische interviews van groepen ouderen met open vragen, zonder gebruik te maken van gestructureerde antwoordmogelijkheden (De Baat, 2011).

Al met al is het gebruik van meetinstrumenten voor ­levenskwaliteit een twijfelachtige onderneming in dit deel van de zorg. Vrijwel zeker is dat ze voor gerealiseerde aanpassing weinig waarde hebben en al helemaal niet voor het onderwerp van dit artikel: het voorspellen van het aanpassingsvermogen van ouderen, bijvoorbeeld aan volledige gebitsprothesen.

Algemene conditie

De algemene conditie van een ouder individu maakt indeling in 5 categorieën ouderen mogelijk, te weten gezonde, kwetsbare, fysiek beperkte, cognitief beperkte en zorgafhankelijke ouderen. Van de laatste 3 categorieën zijn binnen een individu combinaties mogelijk. Deze (combinaties van) categorieën geven ervaren zorgverleners een indicatie van de belastbaarheid en van het aanpassingsvermogen van een individu. Daarom zijn voor het bepalen van de ­algemene conditie scoringsmethoden ontwikkeld, zoals Clinical Frailty Scale, Tilburg Frailty Indicator, Care Dependency Scale, Mini Mental State Examination, Timed Up and Go en Six Meter Walk (Van der Putten et al, 2014). De indicatie van belastbaarheid die zo’n scoringsmethode kan geven, geeft vervolgens een indicatie voor de doelmatigheid van een beoogde interventie.

Slotbeschouwing

Onderzoek naar het aanpassingsvermogen van edentate ouderen (aan volledige gebitsprothesen) heeft sinds 1990 niet meer plaatsgevonden. Wel is enig onderzoek verricht naar de gerealiseerde aanpassing aan volledige gebitsprothesen. Dit heeft echter niet tot baanbrekende ontdekkingen geleid. Noch de test voor orale stereognosie, noch het grote aantal meetinstrumenten voor levenskwaliteit heeft in dit opzicht veel te bieden. Met de intrede van orale implantaten lijkt het aanpassingsvermogen van ouderen aan volledige gebitsprothesen ook minder relevant geworden. Niet voor niets is in de vorige zin het woord ‘lijkt’ gebruikt omdat zeker bij kwetsbare edentate ouderen orale implantaten door een gebrek aan adequate zelfzorg complicaties kunnen opleveren (Hoeksema et al, 2014). Mede daarom, maar ook in relatie tot andere interventies blijft de rol van het aanpassingsvermogen van ouderen onverminderd interessant.

In de mondzorg voor (kwetsbare) ouderen is het streven voor iedere oudere, na het verzamelen van alle relevante gegevens en een extra- en intraoraal onderzoek, een mondzorgplan op te stellen. Een mondzorgplan is een individueel afgestemde, schriftelijke rapportage van het doel van de mondzorg, de voor een goede mondzorg noodzakelijke activiteiten, de frequentie waarmee deze activiteiten plaatsvinden en de zorgverleners die de benodigde verschillende activiteiten uitvoeren. Het mondzorgplan komt tot stand na overleg met alle betrokkenen en maakt deel uit van het algemene zorgplan van de oudere (Schaub en De Baat, 2006). Bij de verzameling van relevante gegevens zou ook een scoringsmethode voor het bepalen van de categorie van algemene conditie kunnen worden gebruikt die een indicatie voor de belastbaarheid geeft en vervolgens een indicatie voor de doelmatigheid van een beoogde interventie. Om dit goed te laten verlopen, is ervaring met de mondzorg voor (kwetsbare) ouderen echter onontbeerlijk. Bovendien is onderzoek nodig om te bepalen welke scoringsmethoden de meest doelmatige zijn.

Literatuur

• Aken AAM van, Kalk W, König KG, Hof MA van ‘t, Rossum GMJM van. Orale stereognosie. Een onderzoek bij dragers van volledige gebits­prothesen. Ned Tijdschr Tandheelkd 1989; 96: 122-124.
Aken AAM van, Baat C de, Rossum GMJM van, Mulder J, Kalk W. Aanpassing aan een volledige prothese. Hebben orale stereognosie en prothesekwaliteit voorspellende waarde? Ned Tijdschr Tandheelkd 1996; 103: 122-124.
Assunção WG, Barão VAR, Delben JA, Gomes ÉA, Tabata LF. A ­comparison of patient satisfaction between treatment with ­conventional complete dentures and overdentures in the elderly: a literature review. Gerodontology 2010; 27: 154-162.
Baat C de. Een kunstgebit bij ouderen, een kwestie van aanpassen? Een onderzoek naar de mondgezondheid en de tandheelkundige behandelingsmogelijkheden van edentate ouderen in een aantal ­verpleeghuizen in Nederland. Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1990. Academisch proefschrift.
Baat C de. Levenskwaliteit in de gerodontologie. Ned Tijdschr ­Tandheelkd 2011; 118: 215-217.
Batista M, Bonachela W, Soares J. Progressive recovery of osseoper­ception as a function of the combination of implant-supported prostheses. Clin Oral Impl Res 2008; 19: 565-569.
Boven GC, Raghoebar GM, Vissink A, Meijer HJA. Improving masticatory performance, bite force, nutritional state and patient’s satisfaction with implant overdentures: a systematic review of the literature. J Oral Rehabil 2015; 42: 220-233.
Carlsson GE, Kronström M, Baat C de, et al. A survey of the use of mandibular implant overdentures in 10 countries. Int J Prosthodont 2004; 17: 211-217.
Emami E, Heydecke G, Rompré PH, de Grandmont P, Feine JS. Impact of implant support for mandibular dentures on satisfaction, oral and general health-related quality of life: a meta-analysis of randomized-controlled trials. Clin Oral Implants Res 2009; 20: 533-544.
Hoeksema AR, Vissink A, Raghoebar GM, et al. Mondgezondheid van kwetsbare ouderen: een inventarisatie in een verpleeghuis in Noord-Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2014; 121: 627-633.
Jacobs R, Steenberghe D van. From osseoperception to implant-mediated sensory-motor interactions and related implications. J Oral Rehabil 2006; 33: 282-292.
Kalk W. Het kunstgebit een blij bezit? Een terreinverkennend klinisch-statistisch vergelijkend onderzoek bij 92 edentate personen met een volledige gebitsprothese. Amsterdam: Vrije Universiteit, 1979. Academisch proefschrift.
Kral A, Sharma A. Developmental neuroplasticity after cochlear implantation. Trends Neurosci 2012; 35: 111-122.
Luraschi J,Korgaonkar MS, Whittle T, Schimmel M, Müller F, Klineberg I. Neuroplasticity in the adaptation to prosthodontic treatment. J Orofac Pain 2013; 27: 206-216.
Müller F, Hasse-Sander I. Experimental studies of adaptation to complete dentures related to ageing. Gerodontology 1993; 10: 23-27.
Müller F, Hasse-Sander I, Hupfauf L. Studies on adaptation to complete dentures. Part I: Oral and manual motor ability. J Oral Rehabil 1995a; 22: 501-507.
Müller F, Link I, Fuhr K, Utz KH. Studies on adaptation to complete dentures. Part II: Oral stereognosis and tactile sensibility. J Oral Rehabil 1995b; 22: 759-767.
Putten GJ van der, Baat C de, De Visschere L, Schols J. Poor oral health, a potential new geriatric syndrome. Gerodontology 2014; 31 (Suppl. 1): 17-24.
Raghoebar GM, Meijer HJA, Visser A, Vissink A. Levenskwaliteit en behandeling met orale implantaten. Ned Tijdschr Tandheelkd 2011; 118: 149-151.
Schaub RMH, Baat C de. Beroepsdifferentiatie in de tandheelkunde 4. De differentiatieopleiding tot tandarts-geriatrie. Ned Tijdschr Tandheelkd 2006; 113: 496-501.
Sessle BJ. Mechanisms of oral somatosensory and motor functions and their clinical correlates. J Oral Rehabil 2006; 33: 243-261.
Thomason JM, Kelly SAM, Bendkowski A, Ellis JS. Two implant retained overdentures – A review of the literature supporting the McGill and York consensus statements. J Dent 2012; 40: 22-34.
Verrips GHW. Een beter leven door een gezonde mond? Ned Tijdschr Tandheelkd 2011; 118: 123-125.
Yan C, Ye L, Zhen J, Ke L, Gang L. Neuroplasticity of edentulous patients with implant-supported full dentures. Eur J Oral Sci 2008; 116: 387-393.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Volledige gebitsprothesen met verscheidene technische mankementen, waaronder een verstoorde maxillomandibulaire relatie (met dank aan drs. A.G. van Andel).
Volledige gebitsprothesen met verscheidene technische mankementen, waaronder een verstoorde maxillomandibulaire relatie (met dank aan drs. A.G. van Andel).
Kennistoets
De termijn voor de kennistoets is verlopen
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd september 2015; 122: 455-460
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2015.09.15159
rubriek
Onderzoek en wetenschap
serie
Proefschriften 25 jaar na dato
Bronnen
  • C. de Baat (1), A.E. Gerritsen (1), G.J. van der Putten (1,2), C.D. van der Maarel-Wierink (3)
  • Uit (1)de vakgroep Orale Functieleer van het Radboudumc in Nijmegen, (2)de zorggroep Amaris Gooizicht in Hilversum en (3)de Stichting Bijzondere Tandheelkunde in Amsterdam
  • Datum van acceptatie: 21 april 2015
  • Adres: mw. A.E. Gerritsen, Radboudumc, postbus 9101, 6500 HB Nijmegen
  • anneloes.gerritsen@radboudumc.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd