Serie: Hora est. Factoren die subjectieve en objectieve orthodontische behandelbehoefte en gerelateerde levenskwaliteit van kinderen beïnvloeden

View the english summary Open PDF (243.80 KB)

Mondgezondheid kan worden gemeten vanuit het perspectief van de zorgverlener (objectief) en van de patiënt (subjectief). Echter, objectieve en subjectieve mondgezondheid komen niet goed overeen. Daarom werd onderzoek verricht naar de relaties tussen objectieve en subjectieve mondgezondheid, en gerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL) bij kinderen. Deze relaties werden bekeken in verband met de orthodontische problemen. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen Generation R, een prospectief onderzoek naar de gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Naast malocclusies en cariës bleken verschillende niet-klinische factoren, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken, invloed te hebben op subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zorgen net als sociaaleconomische factoren voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid. Deze kennis kan niet alleen helpen een effectieve communicatie tussen orthodontist en patiënt te ondersteunen, maar ook bij ontwikkeling van doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen.

Op 26 april 2017 promoveerde Lea Kragt-de Roos aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het hier besproken proefschrift ‘Children’s Oral Health Related Quality of Life. Determinants related to subjective and objective orthodontic measures’. Promotor was prof. dr. E.B. Wolvius en copromotor was dr. E.M. Ongkosowito.

Inleiding

Mondgezondheid kan objectief en subjectief worden gemeten. Met objectieve mondgezondheid wordt de mondgezondheid vanuit het perspectief van de zorgverlener bedoeld. Dat kan een klinische diagnose zoals cariës of malocclusie zijn. Met subjectieve mondgezondheid wordt de beoordeling van de mondgezondheid vanuit het perspectief van de patiënt bedoeld. Uit de praktijk blijkt dat objectieve en subjectieve mondgezondheid vaak niet goed overeenkomen. Deze discrepantie vormde de grondslag van het hier gepresenteerde promotieonderzoek.

Objectieve mondgezondheid is relatief eenduidig vast te stellen en kent veel eenvoudige determinanten. Subjectieve mondgezondheid kan worden vastgesteld met subjectieve behandelbehoefte of met een maat voor de mondgezondheidgerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL). OHRQoL is “een multidimensionaal construct dat onder meer het comfort tijdens het eten, slapen en in interactie met anderen reflecteert; dus de tevredenheid ten opzichte van de mondgezondheid”. OHRQoL weerspiegelt niet alleen de mondgezondheid, maar ook de invloed van de mondgezondheid op het dagelijkse welzijn en functioneren (afb. 1). Via een vragenlijst worden factoren gemeten zoals functionele en sociale beperking, fysieke pijn en ongemak, emotioneel en sociaal welzijn gerelateerd aan de mondgezondheid. Wat subjectieve mondgezondheid beïnvloedt, is complexer en minder goed bekend.


Afb. 1. Schematische weergave van het concept mondgezondheidgerelateerde kwaliteit van leven (OHRQoL).

Onderzoek naar de subjectieve mondgezondheid van kinderen, zoals subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL, is belangrijk. Meer dan 60% van de Nederlandse kinderen krijgt een orthodontische behandeling en dit gaat gepaard met hoge kosten voor de patiënt en het gezondheidszorgsysteem. Bovendien blijkt de mondgezondheid tijdens de kindertijd sterk gerelateerd aan de mondgezondheid in het latere leven. Een orthodontische behandeling op de kinderleeftijd kan zo een bijdrage leveren aan de latere (mond)gezondheid.

Daarom was het doel van dit promotieonderzoek om de relaties tussen OHRQoL, objectieve en subjectieve maten voor de mondgezondheid gerelateerd aan de orthodontie te onderzoeken.

Het promotieonderzoek

Om het verband tussen malocclusies en OHRQoL in kinderen te onderzoeken is binnen het promotieonderzoek een systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse uitgevoerd. In deze meta-analyse werden gegevens uit 40 cross-sectionele onderzoeken samengevoegd en werd gekeken welke factoren verschillende uitkomsten tussen de onderzoeken verklaren. Verder werden 2 validatieonderzoeken in een orthodontische populatie uitgevoerd. Zowel de korte OHRQoL vragenlijst als een gewijzigde versie van de Index of Orthodontic Treatment Need (IOTN) werden gevalideerd door ze te vergelijken met de originele standaarden. Deze korte vragenlijst is gebaseerd op de Nederlandstalige versie van de Child Oral Health Impact Profile (COHIP). Via deze lijst wordt gevraagd naar symptomen en beperkingen van de tanden en mond in de afgelopen 3 maanden. De ingekorte gevalideerde versie heeft 11 vragen en kreeg de naam COHIP-ortho. Ten tweede moest het beoordelen van de orthodontische behandelbehoefte op fotografische dossiers worden gevalideerd. Hiervoor werd de IOTN op basis van 2D-foto’s, 3D-foto’s en röntgenfoto’s gemeten en vergeleken met de IOTN gebaseerd op onderzoeksmodellen. Deze methode werd in het verdere onderzoek gebruikt om objectieve orthodontische behandelbehoefte te bepalen.

De genoemde meetinstrumenten werden ingezet om de Generation R-populatie nader te onderzoeken. Generation R is een prospectief onderzoek naar de groei, ontwikkeling en gezondheid van 10.000 Rotterdamse kinderen. Oorspronkelijk is dit onderzoek ontworpen om vroege omgevings- en genetische determinanten voor normale en abnormale groei, ontwikkeling en gezondheid te identificeren. Alle zwangere vrouwen in en om Rotterdam met een verwachte bevallingsdatum tussen april 2002 en januari 2006 waren uitgenodigd om aan Generation R deel te nemen. Sindsdien worden direct of indirect aan de gezondheid gerelateerde gegevens van de vrouwen en hun kinderen verzameld, zoals fysiologische factoren (symptomen, antropologische metingen, klinische diagnoses), omgevingsfactoren (sociaaleconomische status) en persoonlijke factoren (demografische en psychologische factoren). Op 6-jarige leeftijd werd bij 6.690 van de kinderen gekeken hoeveel gebitselementen door cariës waren aangetast. Toen de kinderen 10 jaar oud waren werd hun objectieve (n = 5.216) en subjectieve (n = 4.149) orthodontische behandelbehoefte gemeten en ook hun OHRQoL (n = 3.871). Om de objectieve orthodontische behandelbehoefte van de kinderen vast te stellen werd de IOTN gebruikt, toegepast op 2D-foto’s, 3D-foto’s en röntgenfoto’s (afb. 2). Subjectieve orthodontische behandelbehoefte en OHRQoL werden in vragenlijsten gemeten met de vraag: “Denkt u dat uw kind een orthodontische behandeling/beugels nodig heeft vanwege zijn/haar tanden of mond?” en de COHIP-ortho. Om het verband tussen de verschillende fysiologische, omgevings- en individuele factoren met objectieve en subjectieve orthodontische behandelbehoefte alsook OHRQoL aan te tonen, werden verschillende logistische en lineaire regressiemodellen gebouwd. Deze regressiemodellen werden waar mogelijk gecorrigeerd voor verstorende factoren, zoals sociaaleconomische factoren en objectieve mondgezondheid (cariës, malocclusie), afhankelijk van de specifieke onderzoeksvraag.


Afb. 2. Een fotografische set bestaande uit een 3D-foto, een extra-orale 2D-foto, een panorama en laterale röntgenfoto om de Index of Orthodontic Need te bepalen. Een gecensureerde gezichtsfoto is voor de volledigheid toegevoegd.

Uit de meta-analyse bleek dat malocclusies, of anders uitgedrukt objectieve orthodontische behandelbehoefte, een kleine maar duidelijke invloed op de OHRQoL van kinderen hebben. Kinderen met malocclusies hebben 1,74 keer meer kans op lagere OHRQoL dan kinderen zonder malocclusies. Verder bleek de sterkte van dit verband afhankelijk van de leeftijd van de kinderen en hun culturele omgeving. Hoe ouder de kinderen waren, des te sterker het verband tussen malocclusies en OHRQoL, waarbij in kinderen jonger dan 8 jaar geen relatie tussen malocclusies en OHRQoL kon worden aangetoond.

De invloed van etniciteit op OHRQoL en de relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid werd ook binnen Generation R onderzocht. Uit dit onderzoek bleek, dat kinderen met een Turkse, Marokkaanse en Surinaamse achtergrond dezelfde objectieve orthodontische behandelbehoefte als Nederlandse kinderen hadden, maar minder vaak orthodontische apparatuur wilden. Desalniettemin hadden niet-Nederlandse kinderen een lagere OHRQoL dan Nederlandse kinderen.

Niet alleen leeftijd en culturele achtergrond waren van belang voor de relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheidsmaten, bleek uit de andere onderzoeken uitgevoerd binnen Generation R. Ook kinderen van ouders met een lage sociaaleconomische status hadden een lagere OHRQoL dan kinderen van ouders met een hoge sociaaleconomische status. Dit verband was zelfs onafhankelijk van de objectieve mondgezondheid, zoals cariëservaring en objectieve orthodontische behandelbehoefte. In dit onderzoek werd sociaaleconomische status van kinderen niet direct vastgesteld, maar werd de sociaaleconomische positie van de familie met volgende indicatoren gemeten: de beroepssituatie van de ouders, het opleidingsniveau van de ouders, het netto huishoudinkomen, uitkeringsafhankelijkheid en eenouderschap. Vooral beperkte financiële middelen van de familie bleken bepalend voor de lagere OHRQoL van kinderen.

Een andere individuele factor die invloed had op de variatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid was het geslacht van de kinderen. Over het algemeen hadden meisjes een lagere OHRQoL dan jongens. Meisjes ervaarden ook de invloed van subjectieve orthodontische behandelbehoefte op OHRQoL sterker dan jongens. Echter, als de kinderen onzeker waren over hun subjectieve orthodontische behandelbehoefte, bleken jongens hier meer last van te ervaren, in termen van lagere OHRQoL.

Meer dan 60% van Nederlandse ­kinderen krijgt een orthodontische ­behandeling

Als laatste werd ook nog naar de rol van zelfvertrouwen en het gevoel van eigenwaarde, in relatie tot subjectieve behandelbehoefte en OHRQoL van kinderen gekeken. Het gevoel van eigenwaarde is een persoonlijke ‘rijkdom’ die het omgaan met moeilijke of pijnlijke situaties makkelijker maakt. Het werd in dit onderzoek gemeten met de ‘Competentiebelevingsschaal voor kinderen’. Malocclusies en objectieve orthodontische behandelbehoefte waren niet gerelateerd aan het zelfvertrouwen van kinderen. Maar de invloed van subjectieve behandelbehoefte op OHRQoL bleek veel sterker in kinderen met een laag zelfvertrouwen dan in kinderen met een hoog zelfvertrouwen.

Conclusie

Subjectieve mondgezondheid, of OHRQoL en behandelbehoefte, is niet alleen gerelateerd aan klinische mondgezondheid, zoals cariës en malocclusies, maar ook aan niet-klinische variabelen, zoals omgevingsfactoren en persoonlijke kenmerken. Leeftijd, geslacht, etniciteit en het gevoel van eigenwaarde zijn net als sociaaleconomische status factoren die voor een variabele relatie tussen subjectieve en objectieve mondgezondheid zorgen. Deze kennis kan niet alleen helpen om een effectieve communicatie tussen mondzorgverlener en patiënt te ondersteunen, maar ook om doelgerichte interventies ter bevordering van de mondgezondheid van kinderen te ontwikkelen. Er moet nog veel onderzoek worden gedaan om de achtergronden en causaliteit van de in dit promotieonderzoek gevonden relaties te begrijpen.

Literatuur

  • Kragt L. Children’s oral health related quality of life - Determinants related to subjective and objective orthodontic measures. Rotterdam: Erasmus MC Rotterdam, 2017. Academisch proefschrift.

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd oktober 2017; 124: 515-517
doi
https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.10.17166
rubriek
Onderzoek en wetenschap
serie
Hora est
Bronnen
  • L. Kragt-de Roos
  • Uit de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie/Bijzondere Tandheelkunde/Orthodontie van het Erasmus Medisch Centrum in ­Rotterdam
  • Datum van acceptatie: 24 augustus 2017
  • Adres: mw. dr. L. Kragt-de Roos, Erasmus MC, Dr. Molewaterplein 50, 3015 GE Rotterdam
  • l.kragt@erasmusmc.nl
Multimedia bij dit artikel
Gerelateerd