De hieronder gepubliceerde tekst wijkt af van hetgeen op 7 juni 2019 in druk is verschenen. Op verzoek van de auteurs is hier een nieuwe versie van het artikel opgenomen. Inhoudelijk is de strekking echter hetzelfde.

Op naar mondgezondheidseconomie: een agenda

Open PDF (43.77 KB)

Dit themanummer stond in het teken van gezondheidseconomie binnen de mondzorg. Het borgen van een goede, betaalbare en toegankelijke mondzorg voor alle Nederlanders, nu en in de toekomst, blijft een belangrijke uitdaging. De korte columns vanuit verschillende perspectieven onderstreepten dit.

Zo benadrukt De Beaufort in haar indrukwekkende bijdrage zowel het belang van een respectvolle, evenwichtige relatie tussen patiënt en tandarts, als het belang van goede mondgezondheid en voor iedereen toegankelijke mondzorg. Eigen verantwoordelijkheid en verwijtbaarheid zijn begrippen die voorzichtig moeten worden gehanteerd. Daarnaast moet de brede impact van een ‘slecht’ gebit niet worden onderschat. Vragen over hoe de beschikbaarheid van noodzakelijke mondzorg kan worden geborgd en hoe we die noodzakelijkheid moeten definiëren dringen zich hierbij op. Scheidslijnen tussen basis- en aanvullende verzekeringen spelen in deze context een rol. Het veranderen van die lijnen vergt zorgvuldige afwegingen en een (gedeelde) visie op de totale mondzorgsector. De politiek lijkt hierover echter nog verdeeld. Van den Berg-Jansen legt namens het CDA sterk de nadruk op meer investeringen in preventie en jongeren (nu al het domein van de collectief gefinancierde basisverzekering). Van Gerven onderstreept dit, maar pleit namens de SP ook voor het opnemen van mondzorg voor volwassenen in de basisverzekering. Het lijkt twijfelachtig of hier politieke consensus over bestaat, en ook is onduidelijk welke exacte gevolgen zo’n verandering zou hebben. Van Gerven geeft verder aan dat tandartsen hiervoor ‘op de barricades’ zouden moeten. De enquête onder NTVT-lezers maakt duidelijk dat tandartsen gematigd positief staan tegenover opname van mondzorg voor volwassenen in het basispakket. Mondhygiënisten zullen de barricades hiervoor eerder beklimmen.

Het pleidooi voor meer preventie mag rekenen op brede steun. Mondhygiënisten onderschrijven de stelling in de enquête over meer aandacht voor preventie zeer nadrukkelijk en Van Splunter-Schneider, voorzitter van de NVM, pleit er in haar bijdrage ook hartstochtelijk voor. In de enquête werd vaak ingestemd met de stellingen dat mensen mondzorg mijden omwille van de kosten ervan en dat in Nederland de verschillen in mondgezondheid toenemen. Dit zijn onwenselijke ontwikkelingen, die de relevantie van de wijze van verzekeringen en verlenen van mondzorg benadrukken.

De vraag is dan vervolgens in welke richting de mondzorg zal (moeten) bewegen. Brands wijst namens de KNMT op de belangrijke rol van de overheid (die zelf nog verdeeld lijkt over deze vraag) en overheidsregulering. Hij vreest voor een afname in de belangstelling om tandarts te worden. Voorlopig lijkt het echter niet zozeer de vraag hoeveel mensen willen maar vooral hoeveel mensen mogen worden toegelaten tot de opleiding tandheelkunde. Uit de enquête bleek tevens dat veel respondenten weer zouden kiezen voor hun huidige beroep in de mondzorg. Werken in de mondzorg lijkt dus nog steeds aantrekkelijk. Vaartjes, voorzitter van de ANT, wijst in zijn bijdrage terecht op de ingrijpende veranderingen als gevolg van technologische ontwikkelingen en het belang van een goed curriculum van tandheelkundige (en overige mondzorg)opleidingen. De technologische ontwikkelingen zullen ongetwijfeld leiden tot nieuwe behandelopties, maar ook tot nieuwe specialisaties en samenwerkingsvormen. Hierbij kunnen verschuivingen plaatsvinden in wie welke taken exact uitvoert. Dergelijke ontwikkelingen onderstrepen het belang van een gemeenschappelijke visie op de toekomstige mondzorg. Daarbij gaat het dus ook over de uit te voeren taken binnen de mondzorg, de daarvoor benodigde competenties en de verdeling van taken en competenties over de verschillende beroepsgroepen.

Een andere ontwikkeling is (de noodzaak van) het systematisch aantonen van kwaliteit en meerwaarde van behandelingen binnen de mondzorg. Die ontwikkeling zal ongetwijfeld verder doorzetten, mede gefaciliteerd door nieuwe technologische mogelijkheden en automatisering. Den Dekker en De Saint Aulaire benadrukken namens het Zorginstituut het belang van kwaliteitsinstrumenten “die patiënten en zorgverleners informatie bieden over de aard van de geleverde zorg en de uitkomsten daarvan”. Richtlijnen, protocollen en (uitkomst)indicatoren horen hierbij. De beroepsgroep zelf staat hier volgens de enquêteresultaten echter terughoudend tegenover. Wellicht worden dergelijke kwaliteitsinstrumenten ervaren als een inperking van vrijheid of als controle. Toch is het moeilijk voor te stellen dat zij geen onderdeel van de toekomstige mondzorg zullen zijn om het handelen van mondzorgverleners te sturen, ongewenste behandelvariatie tegen te gaan en (kwaliteits)informatie op te leveren voor patiënten en andere instanties. Voor de beroepsgroep is het dan ook van belang om zelf een leidende rol te hebben in de ontwikkeling van dit instrumentarium, in het licht van het uiteindelijke doel: de beste mondzorg voor alle Nederlanders.

De relevantie van uitkomstmeting wordt ook verwoord door Koenen. Zijn bijdrage laat zien dat zorgverzekeraars een visie op de mondzorg ontwikkelen, preventie belangrijk vinden en aan effectmetingen bijdragen. Meer inzicht verschaffen in de geëigende, passende en uiteindelijk optimale besteding van middelen, zowel binnen de collectief gefinancierde basiszorg als de aanvullende verzekeringen, is een belangrijke doelstelling. Het behalen ervan vergt onder andere een afweging tussen professionele vrijheid, sturing en verantwoording.

Alle bijdragen in dit themanummer overziend wordt duidelijk dat er weliswaar al veel werk wordt verricht op het grensvlak tussen economie en mondgezondheid (in wetenschap en praktijk), maar dat voor veel actuele vragen in de mondzorg een intensivering van die samenwerking gewenst blijft. We sluiten dan ook af met een niet uitputtende onderzoeksagenda met 5 thema’s.

1. Versterking preventie

Het lijkt erop dat veel partijen voorstander zijn van een verschuiving van curatie naar preventie binnen de mondzorg. De vraag hoe dit vorm te geven blijft echter grotendeels onbeantwoord. Hierbij moet worden bedacht dat preventie in de mondzorg in belangrijke mate ook op individueel niveau en in het dagelijks leven vorm krijgt. Een beter begrip van de belemmerende en bevorderende factoren, een optimale wisselwerking met mondzorgverleners, het inzetten van (financiële) incentives en het bereiken van moeilijk te bereiken groepen zijn hierbij belangrijke aandachtspunten. Mondzorg sluit idealiter aan bij de uiteenlopende voorkeuren van verschillende bevolkingsgroepen. Daarbij is expliciete aandacht voor juist de meest kwetsbare groepen, waarin de meeste mondgezondheidswinst valt te behalen, onmisbaar. Op welke wijze(n) een verschuiving richting preventie daadwerkelijk kan bijdragen aan een betere en eerlijkere mondzorg en -gezondheid, en welke verschuivingen van middelen en taken daarvoor nodig zijn, blijft een moeilijk vraagstuk. Experimenten kunnen helpen om een bewezen, optimale mix van preventie en curatie te bereiken, waarbij ook de financiering van zorg van belang is (zie punt 4).

2. Organisatie toekomstige mondzorg

Voor een houdbare organisatie, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de Nederlandse mondzorg is momenteel veel aandacht. Een gemeenschappelijke visie op de mondzorg van de toekomst dient te worden geformuleerd. De veranderende behoeften van de bevolking en de daaruit voortvloeiende benodigde zorgvormen, -vraag en -taken dienen daarbij leidend te zijn. Immers, de belangen van de Nederlandse burger en het realiseren van een optimale mondzorg dienen het uitgangspunt en doel te vormen. Aspecten als opleidingscapaciteit, opleidingsinhoud, taakverschuiving, nieuwe werkvormen, maar ook betaalbaarheid en vergoedingssystematiek vormen de bouwstenen van een te ontwikkelen visie. De belangen van overige partijen, inclusief de beroepsgroepen, dienen uiteraard meegewogen te worden, ook om haalbare scenario’s te creëren. Het ontwikkelen van verschillende scenario’s, gebaseerd op realistische ramingen van uitgaven en inkomsten, kan helpen om uiteindelijk gericht de toekomst van de Nederlandse mondzorg te kunnen vormgeven. Nieuwe effectiviteits- en doelmatigheidsonderzoeken kunnen de besluitvorming met feiten ondersteunen en kennislacunes opvullen.

3. Meerwaarde tandheelkundige handelingen

De mondzorg in Nederland is van een hoog niveau. Toch blijft het zaak de meerwaarde van specifieke behandelingen in verschillende contexten te bepalen. Wanneer is een fluorideapplicatie een kosteneffectieve besteding van middelen? Wat is een optimale frequentie van controleröntgenopnamen? Wanneer wordt overgegaan tot de vervanging van een restauratie? Economische evaluaties kunnen inzicht geven in optimale bestedingen van schaarse middelen. Dergelijke inzichten kunnen het ontwikkelen van richtlijnen en protocollen ondersteunen en op de naleving ervan kan worden toegezien. De methodologie van economische evaluaties binnen de mondzorg, vooral rond uitkomstmeting, kan nog worden verbeterd.

4. Verzekering en financiering

De manier waarop mondzorg in Nederland is verzekerd, is geen onveranderlijk feit maar kan worden (her)overwogen. De bijna categorische uitsluiting van mondzorg voor volwassenen uit het basispakket, ook bij bijvoorbeeld ernstige, acute pijnklachten, mag, gezien de criteria die gelden voor de samenstelling van dat pakket (noodzakelijkheid, effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid) en andere geïncludeerde vormen van zorg, opvallend worden genoemd. Een ruimere vergoeding van mondzorg voor volwassenen binnen het basispakket lijkt dan ook niet uitgesloten. De financiering van mondzorg verdient hierbij ook aandacht, bijvoorbeeld in de vorm van experimenten met uitkomstmeting en het belonen van goede uitkomsten (pay for performance). Dit zou ook verschuivingen naar preventie kunnen bevorderen, mogelijke taakverschuivingen kunnen faciliteren en het naleven van richtlijnen kunnen bevorderen.

5. Klantbeleving

Economen zijn gericht op preferenties van mensen. Daarbij gaat het over uitkomsten van zorg, maar ook over het proces van zorgverlening (van oproep tot doorverwijzing). Aspecten als klantgerichtheid, informatieverschaffing, bejegening, shared decision making en wachttijden (tijd is ook geld voor de patiënt), spelen hierbij een rol. Meer (routinematig) inzicht hierin is, naast in ‘hardere’ uitkomsten, van belang. Belangrijk aspecten hierbij zijn heterogeniteit van patiënten in termen van kennis, kunde en voorkeuren, en de wijze waarop hiermee zo goed mogelijk kan worden omgegaan. Meer onderzoek hiernaar, ook naar manieren om informatie over deze aspecten vergelijkbaar en routinematig te verzamelen, is gewenst.

Kortom, veel van de huidige vraagstukken in de mondzorg, lijken de relevantie van een verdere samenwerking tussen gezondheidseconomie en mondzorg te onderstrepen. Wij hopen dat dit themanummer bijdraagt aan een wederzijds begrip en de wens de samenwerking te intensiveren. Op naar een mondgezondheidseconomie!

prof. dr. Werner B.F. Brouwer, gastredacteur
dr. Erik Vermaire, redacteur

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.

Beeld: Shutterstock
Beeld: Shutterstock
Info
bron
Ned Tijdschr Tandheelkd juni 2019; 126: 341-342
rubriek
Thema
thema
Gezondheidseconomie in de mondzorg
Gerelateerd