× ABONNEREN

AB-profylaxe en (pre)implantologische chirurgie

  • Inleiding
  • Literatuuronderzoek naar antibioticagebruik
  • Een casus
  • Conclusies
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

Recente literatuur geeft aan dat bij een gezonde patiënt, die ter plaatse van de acceptorplaats voldoende botvolume bezit voor implantaatplaatsing, het verantwoord is om af te zien van profylactische toediening van antibiotica. De patiënt dient echter wel 1 dag voorafgaande aan de behandeling en minimaal 1 week postoperatief te spoelen met chloorhexidinedigluconaat. In het geval van een immuungecompromitteerde patiënt is een éénmalige antibioticagift 1 uur voor de behandeling (2 gram amoxicilline per os of 2 gram cefazoline intraveneus) geïndiceerd. Voor een gezonde patiënt geldt deze antibiotica (AB)-profylaxe ook indien autoloog bot, een botvuller of membranen worden aangebracht. Bij het oogsten van extraorale bottransplantaten lijkt AB-profylaxe niet geïndiceerd, maar omdat het geoogste bot in dezelfde behandelzitting intraoraal wordt aangebracht is het voor deze procedure wel geïndiceerd. De vraag of postoperatieve toediening van antibiotica nog wel nodig is, blijft openstaan.

Na het lezen van dit artikel weet u:
- hoe groot het infectiegevaar is bij het aanbrengen van een oraal implantaat bij een gezonde patiënt;
- wat het advies is ten aanzien van AB-profylaxe bij (pre)-implantologische chirurgie.

Inleiding

In Nederland zijn binnen de geneeskunde vele richtlijnen geschreven, zo ook over het antibioticabeleid. De richtlijn ‘Peri-operatieve profylaxe’ van de Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB) uit 2018 geeft aan hoe te handelen bij chirurgische behandelingen, zoals het oogsten van bekkenkambot of bij behandelingen in het hoofd-halsgebied. Deze richtlijn wijkt af van de richtlijn die door de Nederlandse Vereniging voor Mond- Kaak- en Aangezichtschirurgie is samengesteld (NVMKA, 2018). Zo wordt in de SWAB-richtlijn op indicatie cefazoline geadviseerd, terwijl in de richtlijn van de NVMKA amoxicilline de voorkeur krijgt. In meerdere buitenlandse onderzoeken wordt benadrukt dat vanwege gebrek aan wetenschappelijk bewijs er geen eenduidige werkwijze bestaat met betrekking tot antibioticagebruik binnen de mondchirurgie (Sancho-Puchades et al, 2009). Aanbevolen wordt om een inschatting te maken van de eventuele risico’s op postoperatieve infecties per patiënt.

Postoperatieve wondinfecties

In 2011 en 2012 stond postoperatieve infecties op de tweede plaats van meest voorkomende infecties in ziekenhuizen binnen Europa (World Health Organization, 2016). Postoperatieve wondinfecties kunnen een langere opnameduur, extra operatieve behandelingen, intensivecare-opname, morbiditeit en zelfs mortaliteit als gevolg hebben (European Centre for Disease Prevention and Control- EDC, 2013).

Bronnen van contaminatie, en dus bronnen voor infecties, tijdens een intraorale operatie zijn het speeksel van de patiënt, de huid rondom de mond van de patiënt, de chirurgische instrumenten, de handschoenen en de lucht in de operatiekamer (Quirynen et al, 2002). De kans op infecties is afhankelijk van patiënt-specifieke factoren met betrekking tot gezondheid en medicatiegebruik, als ook van de chirurgische complexiteit, operatietijd, ervaring van behandelaar en het implantaatontwerp.

Om postoperatieve infectie in de chirurgie te voorkomen zijn, naast het voorschrijven van antibiotica, in de loop van tijd meerdere maatregelen toegepast, zoals het desinfecteren van handen en operatiegebied, het peroperatief dragen van handschoenen, gebruik van steriel afdekmateriaal en steriele instrumenten en het gebruik van hechtmateriaal met antibacteriële laag (World Health Organization; 2016).

Naast de bovengenoemde maatregelen, kan binnen de orale implantologie het toedienen van atropine worden overwogen ter vermindering van speeksel, alsmede het gebruik van een dubbel zuigsysteem om speekselcontaminatie van de wond te voorkomen, en het spoelen van de mond met chloorhexidine (Bowen Antolín et al, 2007).

AB-profylaxe

Perioperatieve antibiotica (AB)-profylaxe beoogt wondinfecties te voorkomen en is daarmee een vorm van primaire profylaxe (Woods et al, 1998). Een veel gebruikte manier om het risico op postoperatieve wondinfectie in te schatten is aan de hand van wondclassificatie waarin het wondtype wordt beschreven (tab.1) (Mayhall, 1993).Naast wondtype zijn er verschillende patiënt-specifieke factoren die de kans op een wondinfectie vergroten, zoals diabetes mellitus, gebruik van immunosuppressiva, roken en obesitas. Deze factoren kunnen mede bepalend zijn voor het te volgen perioperatieve profylaxebeleid. De SWAB-richtlijn raadt postoperatieve profylaxe af, want onnodig antibioticagebruik leidt tot meer resistentieontwikkeling en bijwerkingen.

Tabel 1. Wondclassificatie volgens Mayhall, 1993, beschreven in de SWAB-richtlijn (2018).

Volgens Bratzler et al (2013) is binnen de hoofd- halschirurgie voornamelijk sprake van schone of schoon-gecontamineerde behandelingen. Het oogsten van bekkenkambot is een schone ingreep (klasse I) en dus is AB-profylaxe hierbij niet nodig. Alle behandelingen waarbij een incisie gemaakt wordt door de orale of faryngeale mucosa, dus ook bij plaatsing van orale implantaten, worden ingedeeld bij de schoon-gecontamineerde behandelingen (klasse II). Bij deze behandelingen bestaat een kans op infectierisico van 5-10%. Dit kan worden teruggebracht naar 1%, mits een goede AB-profylaxe wordt toegediend.

Infecties binnen de orale implantologie kunnen grote gevolgen hebben. Zo bestaat behandeling van infecties optredend aansluitend aan implantaatplaatsing vaak uit een antibioticabehandeling en explanteren van het implantaat (Bowen Antolín et al, 2007). Belangrijk is dat behandelcentra een goed perioperatief antibioticabeleid vaststellen dat deze infecties voorkomt. Algemene principes hierbij zijn het bestrijden van te verwachten verwekkers met een antibioticum met een zo smal als mogelijk spectrum om resistentievorming te beperken. Daarnaast moet worden gestreefd naar een adequate antibioticaconcentratie in het operatiegebied, van incisie tot wondsluiting. Dit betekent dat kort voor de operatie het antibioticum wordt toegediend en zo nodig wordt herhaald tijdens de operatie afhankelijk van de operatieduur en halfwaardetijd van het antibioticum (SWAB, 2018).

Voorschrijfgedrag door mondzorgverleners

Deeb et al (2015) onderzochten in de Verenigde Staten wanneer in relatie tot implantaatplaatsing, tandarts-implantologen en mka-chirurgen antibiotica voorgeschreven. In totaal 51,6% van de 217 behandelaars schreven preoperatief antibiotica voor en 71,4% postoperatief. Hierin zit een overlap van 34% behandelaars die zowel pre- als postoperatief voorschreven. Vooral 2 gram amoxicilline, 1 uur voor de behandeling, werd voorgeschreven. Het meest voorkomende antibioticum dat postoperatief werd voorgeschreven was 3 dd 500 mg amoxicilline gedurende 5 dagen.

De auteurs van het huidige artikel hielden vervolgens een steekproef onder 14 ziekenhuisgebonden mka-chirurgen in Nederland. In geval van alléén implantologie werd in 6 (43%) maatschappen geen preoperatief antibiotica voorgeschreven, in de overige maatschappen (57%) werd voornamelijk 2 gram amoxicilline, 1 uur voor de behandeling, toegepast. Van de maatschappen continueerden 21% het antibioticagebruik met 5-7 dagen. Bij behandelingen met botopbouwen schreven bijna alle maatschappen (93%) AB-profylaxe voor, voornamelijk cefazoline (50%), waarvan de helft in combinatie met metronidazol. Verder diende 36% van de maatschappen amoxicilline (36%) toe, waarvan de helft met clavulaanzuur. In tweederde van de maatschappen werd postoperatief nabehandeld met AB-profylaxe, variërend tussen de 1 en 7 dagen. Geconcludeerd werd dat er blijkbaar geen consensus is over zowel pre- als postoperatief AB-gebruik.

Literatuuronderzoek naar antibioticagebruik

Gebruik bij oogsten van een autologe bottransplantaat

Over het optreden van wondinfecties na het nemen van een bottransplantaat uit de bekkenkam, waarbij alleen de binnenste corticale plaat wordt geoogst, is nauwelijks literatuur bekend. Wel is veel bekend over postoperatieve complicaties, zoals loopproblemen en pijn vanwege letsel aan de nervus femoralis lateralis. Duidelijk is dat het bottransplantaat, aansluitend aan de oogstprocedure, intraoraal wordt aangebracht; dus in een schoon-gecontamineerde (klasse II) omgeving, inclusief anaerobe bacteriën. Hierbij is AB-profylaxe geïndiceerd.

In de NVMKA-richtlijn staat dat er voor ‘schoon-gecontamineerde niet dentoalveolaire operaties’ geen consensus bestaat over het te volgen antibioticabeleid. Geadviseerd wordt als eerste te denken aan een penicilline en bij overgevoeligheid voor penicilline clindamycine.

Gebruik bij het intraoraal aanbrengen van een autoloog bottransplantaat

Als profylaxe bij implantologie met een bottransplantaat, adviseert de NVMKA richtlijn 1.000 mg amoxicilline per os, 1 uur voor de behandeling, en 500 mg 6 en 12 uur na de behandeling. De SWAB-richtlijn duidt het intraoraal aanbrengen van bekkenkambot als een schoon-gecontamineerde (klasse II) behandeling aan. Deze richtlijn raadt aan vooraf een éénmalige dosis cefazoline (2.000 mg), gecombineerd met metronidazol (500 mg) toe te passen.

Overigens zijn in de implantologie weinig artikelen traceerbaar over de indicatie van antibiotica bij het aanbrengen van bottransplantaten. Lindeboom et al (2003) onderzochten 20 patiënten bij wie een bottransplantaat vanuit de ramus mandibulae werd geoogst en vervolgens als buccale botopbouw in de bovenkaak werd geplaatst, om zo in tweede instantie implantaatplaatsing mogelijk te maken. De ene groep van 10 patiënten ontving een smalspectrum penicilline, namelijk 2 gram feneticilline, 1 uur voor de behandeling. De andere 10 patiënten kregen een placebo. In de feneticillinegroep werden geen infecties gezien. In de placebogroep ondervond de helft van de patiënten infecties; 2 patiënten kregen een wondinfectie ter plaatse van de intraorale botopbouw, 2 bij zowel de intraorale botopbouw als bij de donorplaats en 1 patiënt maakte een infectie alleen ter hoogte van de donorplaats door. Geconcludeerd werd dat AB-profylaxe bij deze behandeling een duidelijke meerwaarde heeft.

In een vergelijkbaar onderzoekontwerp werden bij 150 patiënten 2 antibioticaregimes getest; de ene groep kreeg 600 mg clindamycine, de andere groep 2 gram feneticilline, beide groepen 1 uur voor de behandeling (Lindeboom et al, 2006). In de laatste groep werden 4 infecties gezien ter plaatse van de lokale botopbouw ten opzichte van 2 in de clindamycinegroep. In beide groepen werden 3 infecties ter plaatse van de donorplaats gezien. Geconcludeerd werd dat er geen statistisch verschil werd gezien tussen een eenmalige toediening van 600 mg clindamycine of een eenmalige toediening van 2000 mg amoxicilline.

Gebruik bij plaatsen van orale implantaten

Over het wel of niet te gebruiken van antibiotica bij het plaatsten van orale implantaten zijn 3 meta-analyses verschenen, die concludeerden dat preoperatief antibioticagebruik een meerwaarde heeft (Esposito et al, 2013; Ata-Ali et al, 2014; Chrcanovic et al, 2014). Anderen ontkenden zo’n voordeel (Lund et al, 2015; Sánchez et al; 2018; Khouly et al, 2019). Overigens richtten de onderzoekers van deze artikelen zich niet zozeer op postoperatieve infecties, maar vooral op implantaatverlies.

Esposito et al (2013) includeerden in hun systematisch literatuuronderzoek 6 gerandomiseerde klinische onderzoeken (RCT’s). Uit de analyse kwam het advies om éénmalig 2 of 3 gram amoxicilline, 1 uur voor de behandeling, toe te passen. Het Number Needed to Treat (NNT) was 25, dat wil zeggen dat bij een profylactische behandeling van 25 patiënten er 1 patiënt wordt behoed voor implantaatverlies. Er was geen voordeel van antibioticagebruik in het voorkomen van postoperatieve infecties

Ata-Ali et al (2014) waren kritischer met hun inclusiecriteria en includeerden slechts 4 RCT’s. Deze waren ook opgenomen in de analyse van Esposito et (2013). Zij berekenden een NNT van 48 ook zij zagen geen voordeel van antibioticagebruik in relatie tot het optreden van postoperatieve infecties, maar wel in relatie tot implantaatverlies.

Chrcanovic et al (2014) includeerden de 4 RCT’s van Ata-Ali en voegden er 2 toe. Zij kwamen uit op een vergelijkbare NNT, namelijk 50. Chrcanovic et al wezen op de tekortkomingen van hun onderzoek: soms waren patiënten met een botopbouw geïncludeerd. Ook bestonden duidelijke verschillen tussen onderzoekspopulaties wat betreft rokers. Daarnaast betroffen het steeds verschillende implantaattypen. De onderzoekers concludeerden dat er geen voordelen werden aangetoond voor antibioticagebruik ter voorkoming van postoperatieve infecties.

Lund et al (2015) includeerden 9 RCT’s: zij voegden aan de 6 geïncludeerde artikelen van Chrcanovic et al (2014) er 3 toe. De NNT werd in dit onderzoek berekend op 50, maar de onderzoekers waren kritisch over deze uitkomst vanwege het feit dat de geïncludeerde onderzoeken onderling nogal verschilden in het aantal rokers. Wanneer deze werden uitgesloten van de analyse bleek geen verschil tussen het wel of niet toepassen van antibiotica bij ongecompliceerde implantaatplaatsing bij gezonde patiënten.

In 2018 verscheen het systematisch literatuuronderzoek met meta-analyse van Rodríguez Sánchez et al. Zij selecteerden 9 RCT’s waarvan er 6 ook waren opgenomen in het onderzoek van Chrcanovic et al (2014) en Lund et al (2015). Rodríguez Sánchez et al constateerden een gunstig effect voor preoperatieve antibioticatoediening in relatie tot implantaatverlies, met een NNT van 55. Geen relatie werd geconstateerd ten aanzien van het optreden van postoperatieve infecties. De onderzoekers benadrukten dat postoperatieve antibiotica geen voordelen biedt ter voorkoming van wondinfectie.

In het meest recent verschenen systematisch literatuuronderzoek met meta-analyse werd wederom de literatuur doorgespit (Khouly et al, 2019). Dezelfde artikelen die Rodríguez Sánchez et al (2018) hadden geselecteerd plus 1 werden geanalyseerd. Geen significante verschillen werden gevonden tussen de antibiotica- en de placebogroep met betrekking tot implantaatverlies, wonddehiscentie en negatieve bijwerkingen. Toegelaten werden artikelen die alleen gezonde personen beschreven. Patiënten die behandeld werden met een botaugmentatie, sinusbodemelevatie of bij wie de implantaten immediaat werden geplaatst werden voor deze analyse uitgesloten. Geen verschil werd gevonden tussen de placebogroep en de groep die profylactisch antibiotica kreeg toegediend. Dit gold voor de ‘preoperatieve antibioticagroep’, ‘de pre- en postoperatieve antibioticagroep’ en ook voor de ‘postoperatieve antibioticagroep’.

Geen uitspraak konden Khouly et al doen ten aanzien van doseerschema’s of de grootte van de dosis. De onderzoekers wezen op confounding factors, zoals ongelijke opbouw van rokers binnen onderzoeken, behandelaars met ‘wel/niet’ ervaring, als ook de verschillende implantaattypen en het gebruik van diverse pijnstillers. De belangrijke confounder bleek het gebruik van chloorhexidinedigluconaat. Nadrukkelijk werd vermeld dat alle patiënten, zowel preoperatief als postoperatief, spoelden met chloorhexidinedigluconaat tot 2 weken na de behandeling. Volgens Khouly et al lijkt het aannemelijk dat deze spoelingen verantwoordelijk zijn voor het optreden van geen verschil tussen de placebo- en de antibioticagroepen.

Een casus

Zie de casus in het kader. Volgens de literatuur was het een goede keuze om preoperatief te starten met een AB-profylaxe bij het oogsten van bekkenkambot. Dit was niet zozeer voor betreffende behandeling (het betreft immers een schone invasieve behandeling: klasse I), maar wel vanwege het feit dat het geoogste bot vervolgens werd gefixeerd op een intraorale acceptorlocatie. Het uitgevoerde postoperatieve beleid had misschien achterwege kunnen worden gelaten of ten minste teruggebracht kunnen worden naar 1-3 dagen. Ook de éénmalige antibioticagift voorafgaande aan de implantaatplaatsing was een goede keuze; er was immers sprake van een fors geaugmenteerde bovenkaak. Voor het ingestelde postoperatieve antibioticabeleid was echter geen duidelijke indicatie.

CASUS. VERLIES IMPLANTATEN ONDANKS AB-PROFYLAXE
Een 66-jarige vrouw meldde zich op de polikliniek van de afdeling Mondziekten, Kaak- en aangezichtschirurgie van het Radboudumc met de vraag of er een oplossing zou zijn voor de ‘loszittende’ gebitsprothese in haar bovenkaak. Zij was al 25 jaar edentaat, in zowel boven- als onderkaak. In de bovenkaak was een conventionele gebitsprothese aanwezig, in de onderkaak waren 6 jaar geleden 2 interforaminale implantaten geplaatst waarop 2 individuele retentie-opbouwen waren bevestigd. De hierop vervaardigde ‘klikprothese’ werd, tegelijk met de conventionele bovenprothese, 1 jaar geleden vervangen.
Volgens de KiMo-richtlijn ‘Klinische praktijkrichtlijn overkappingsprothese op implantaten in de bovenkaak’ (2017) werd eerst beoordeeld of de pasvorm, occlusie en articulatie van de huidige gebitsprothese nog in orde waren. Bij inspectie werden geen contacten in het front gezien, tevens was sprake van een gebalanceerde articulatie. De A-lijn sloot nog goed aan en de tubera waren keurig omvat. Kortom: op prothetisch gebied was geen winst te behalen. Intraoraal onderzoek liet een vlak palatum zien in combinatie met extreme botresorptie. Er waren fibreuze kaakwallen aanwezig ter plaatse van de eerdere processus alveolaris. Intraoraal werden geen mucosale afwijkingen vastgesteld, behalve dan lichte hyperplasie van het palatum ontstaan vanwege de schuivende, loszittende bovenprothese.
Wat algemene gezondheid betreft had de vrouw een blanco voorgeschiedenis. Daarnaast had zij nooit gerookt. Uit het conebeamcomputertomogram (CBCT) bleek dat de sinus maxillaris, zowel links als rechts, vrij waren van ontsteking. De processus alveolaris maxillae was geslonken tot 6 mm hoogte met een breedte van 2 mm. In overleg met de patiënt en haar echtgenoot werden mogelijke behandelopties en hun nadelen besproken, waarna gekozen werd voor een botopbouw (sinusbodemelevatie beiderzijds met cortical plating).
Hiervoor zou bot worden geoogst uit de bekkenkam, waarna 4-6 maanden later 6 implantaten zouden worden geplaatst ten behoeve van een overkappingsprothese.
Met betrekking tot het gekozen antibioticumbeleid werd op de operatiekamer, alvorens met de botopbouw te starten, intraveneus antibiotica toegediend bestaande uit 2.000 mg cefazoline en 500 mg metronidazol. Postoperatief werd 5 dagen amoxicilline voorgeschreven (3 dd 500 mg). Ten tijde van de implantaatplaatsing, 5 maanden later, werd op de operatiekamer wederom cefazoline en metronidazol (2.000 mg/500 mg) gegeven. Met behulp van Nobel Guide® werden 6 orale implantaten geplaatst. Hierna vond een wekedelencorrectie plaats; een 3 mm brede strook bestaande uit gekeratiniseerde palatummucosa werd epi-periostaal opgeschoven naar de buccale zijde van de net geplaatste implantaten (schuifplastiek) en vervolgens vastgehecht. Desondanks bleek tijdens de controle 2 weken later het implantaat in regio 23 verloren (afb.). Een postoperatieve infectie kan de oorzaak van het niet osseo-integreren van het betreffende implantaat zijn geweest (patiënt droeg gedurende deze 2 weken niet haar gebitsprothese).

Bij de bone-sounding-test klonk het implantaat in regio 23 dof. Al tijdens het peri-implantair verdoven kwam het implantaat los.

Conclusies

Het toepassen van antibiotica, zoals toegepast vóór het oogsten van een bekkenkambot, alsook voorafgaande aan implantaatplaatsing werden in dit artikel bediscussieerd. Geconstateerd werd dat variaties in de uitkomsten verkregen via meta-analyses onderling verschillen vanwege de inclusiecriteria, de interventies, het aantal beschikbare RCT’s en de uitkomstvariabele die werd onderzocht.

Recente literatuur geeft aan dat bij een gezonde patiënt, die ter plaatse van de acceptorlocatie voldoende botvolume bezit voor het plaatsten van een implantaat, het verantwoord is om af te zien van profylactische toediening van antibiotica. Khouly et al, 2019 benadrukten dat in alle geïncludeerde onderzoeken de patiënten 1 dag voorafgaande aan de behandeling en ook postoperatief soms wel tot 2 weken spoelden met chloorhexidinedigluconaat. Perioperatief gebruik van chloorhexidine halveert de kans op infectieuze complicaties en is daarom aan te bevelen (Lambert et al, 1997)

Nadrukkelijk geldt dit voor gezonde patiënten. In het geval van een medisch gecompromitteerde patiënt is een eenmalige antibioticagift 1 uur voor de behandeling (bijvoorbeeld 2 gram amoxicilline per os) of 2 gram cefazoline intraveneus verantwoord (ze ook elders in dit thema De Leeuw et al, 2019). Dit geldt ook wanneer in het geval van een gezonde patiënt met een lokaal bottekort, bij wie autoloog bot, een botvuller of membranen worden aangebracht. Voor postoperatieve antibioticatoediening lijkt geen indicatie.

Bij het oogsten van een bottransplantaat (donorplaats) lijkt preoperatieve antibioticaprofylaxe niet geïndiceerd. Uiteindelijk gebeurt dit wel, omdat aansluitend aan het oogsten, het bottransplantaat intraoraal in de acceptorplaats wordt aangebracht. Dan is er sprake van een schoon-gecontamineerde (klasse II) behandeling en is AB-profylaxe wel geïndiceerd. Of postoperatieve toediening van antibiotica nodig is, blijft een openstaande vraag.

Centraal blijft dat een behandelaar voor elke individuele patiënt een inschatting dient te maken van de eventuele risico’s op postoperatieve infecties.

Literatuur

  • Ata-Ali J, Ata-Ali F, Ata-Ali F. Do antibiotics decrease implant failure and postoperative infections? A systematic review and meta-analysis. Int J Oral Maxillofac Surg 2014; 43: 68–74.
  • Bowen Antolín A, Garcia M, Nasimi A. Infections in implantology: from prophylaxis to treatment. Med Oral Patol Oral Cir Buccal 2007; 12: E323-330.
  • Bratzler DW, Dellinger EP, Olsen KM, et al. Clinical practice guidelines for antimicrobial prophylaxis in surgery. Am J Health Syst Pharm 2013; 70: 195-283.
  • Chrcanovic BR, Albrektsson T, Wennerberg A. Prophylactic antibiotic regimen and dental implant failure: a meta-analysis. J Oral Rehabil 2014; 41: 941–956.
  • Deeb GR, Soung GY, Best AM, Laskin DM. Antibiotic prescribing habits of oral and maxillofacial surgeons in conjunction with routine dental implant placement. J Oral Maxillofac Surg 2015; 73: 1926-1931.
  • Esposito M, Grusovin MG, Worthington HV. Interventions for replacing missing teeth: antibiotics at dental implant placement to prevent complications. Cochrane Database Syst Rev 2013; CD004152.
  • European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Surveillance of surgical site infections in Europe 2010-2011. Stockholm: ECDC, 2013.
  • KiMo. Klinische praktijkrichtlijn overkappingsprothese op implantaten in de bovenkaak. Utrecht: KiMo, 2017.
  • Khouly I, Braun RS, Chambrone L. Antibiotic prophylaxis may not be indicated for prevention of dental implant infections in healthy patients. A systematic review and meta-analysis. Clin Oral Investig 2019; 23: 1525-1553.
  • Lambert PM, Morris HF, Ochi S. The influence of 0.12% chlorhexidine digluconate rinses on the incidence of infectious complications and implant success. J Oral Maxillofac Surg 1997; 55: 25-30.
  • Leeuw K de, Bootsma H, Middel A, Vissink A. AB-profylaxe en immuungecompromitteerde patiënten. Ned Tijdschr Tandheelkd 2019; 126: 521-525.
  • Lindeboom JA, Akker HP van den. A prospective placebo-controlled double-blind trial of antibiotic prophylaxis in intraoral bone grafting procedures: a pilot study. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2003; 96: 669-672.
  • Lindeboom JA, Frenken JW, Tuk JG, Kroon FH. A randomized prospective controlled trial of antibiotic prophylaxis in intraoral bone-grafting procedures: preoperative single-dose penicillin versus preoperative single-dose clindamycin. Int J Oral Maxillofac Surg 2006; 35: 433-436.
  • Lund B, Hultin M, Tranaeus S, Naimi-Akbar A, Klinge B. Complex systematic review—perioperative antibiotics in conjunction with dental implant placement. Clin Oral Implants Res 2015; 26 Suppl 11: 1–14.
  • Mayhall CG. Surgical infections including burns. In: Wenzel RP (ed.). Prevention and control of nosocomial infections. Baltimore: Williams and Perkins; 1993.
  • NVMKA. NVMKA-richtlijn Antibiotica Beleid. Versie 1.1 5/2019.
  • Quirynen M, Soete M de, Steenberghe D van. Infectious risks for oral implants: a review of the literature. Clin Oral Implants Res 2002; 13: 1-19.
  • Rodríguez Sánchez F, RodríguezAndrés C, Arteagoitia I. Which antibiotic regimen prevents implant failure or infection after dental implant surgery? A systematic review and meta-analysis. J Craniomaxillofac Surg 2018; 46: 722-736.
  • Sancho-Puchades M, Herraez-Vilas J, Berini-Aytes L, Gay-Escoda C. Antibiotic prophylaxis to prevent local infection in oral surgery: Use or abuse? Med Oral Patol Oral Cir Bucal 2009; 14: E28-33.
  • Stichting Werkgroep Antibioticabeleid (SWAB). SWAB Richtlijn. Leiden: SWAB, juli 2019.
  • World Health Organization (WHO). Global guidelines on the prevention of surgical site infection. Geneva: WHO, 2016.
  • Woods RK, Dellinger EP. Current guidelines for antibiotic prophylaxis ofsurgical wounds. Am Fam Physician 1998; 57: 2731– 2740.

VERDIEPINGSTIP
Voor de volledige dit jaar ge-update SWAB Richtlijn Peri-operatieve profylaxe, zie https://www.swab.nl/richtlijnen.

Dit programma is niet meer geaccrediteerd en kan daarom niet meer worden aangeschaft

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • T. Kamps1, S. Kuipers2, J. ten Oever3, G.J. Meijer1
  • Uit de afdelingen 1Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, 2Medische Microbiologie en 3Interne Geneeskunde Infectiologie van het Radboud University Medical Center, Radboud Institute for Health Sciences, in Nijmegen
  • Datum van acceptatie: 23 juli 2019
  • Adres: prof. dr. G.J. Meijer, Radboudumc, postbus 9101, 6500HB, Nijmegen
  • gert.meijer@radboudumc.nl

Download bij dit artikel