× ABONNEREN

Breuksterkte en slijtage van composiet versus keramiek

Materiaalkunde

Door op 08-01-2021
  • Reacties (0)

Excessieve gebitsslijtage kan leiden tot verlies van verticale dimensie en symptomen van dentinegevoeligheid. Met behulp van occlusaal gekleefde restauraties (veneers of onlays) kan het gebitselement worden hersteld zonder extra excessief verlies van tandmateriaal tijdens preparatie. De gebruikte materialen voor deze restauraties moeten duurzaam zijn en de excessieve occlusale krachten kunnen opvangen. In dit in vitro-onderzoek werden 64 gave bovenpremolaren gereduceerd en opgebouwd met occlusale veneers in 4 verschillende materialen: microhybride composiet (MC), vezelversterkte microhybride composiet (FMC), warm geperst lithiumdisilicaatkeramiek (HPC) en CAD/CAM lithiumdisilicaatkeramiek (CCC). Aangezien een occlusale veneer in vivo gemiddeld een dikte heeft van 1,5 tot 2,5 mm, werden 1,5 en 2,5 mm voor elk materiaal beschouwd. Het doel van dit onderzoek was na te gaan hoe occlusale composiet en keramische veneers zich gedragen op het vlak van breukbelasting, slijtage en oppervlakte ruwheid.

Elke opgebouwde premolaar werd eerst blootgesteld aan reeksen thermische en mechanische cycli waarna oppervlakteruwheid en slijtage werd onderzocht. Nadien werden alle specimen gemonteerd in een testmachine en occlusaal belast tot breuk. Statistische analyse toonde significante verschillen aan in breukbelasting tussen de 4 materialen én de 2 diktes (p < 0,001). Voor een dikte van 1,5 mm vond men een statistisch significant hogere breukbelasting voor FMC in vergelijking met de 3 andere materialen. Men vond de laagste en statistisch tevens significante breukbelasting voor HPC. Bij de veneers met een dikte van 2,5 mm, vond men dat CCC de hoogste en statistisch significante breukbelasting had van de 4 materialen, de 3 overige materialen behaalden gelijkaardige resultaten. Wanneer binnen een groep materialen de invloed van de diktes werd vergeleken, bleek de dikte een statistisch significante invloed had bij composiet (MC en FMC) (beide p < 0,001), maar dit werd niet vastgesteld voor de keramische veneers (HPC: p = 0,325 ; CCC : p = 0,743). Bij 1,5 mm dikte trad breuk op onder de glazuur-cementgrens bij 25% van FMC-restauraties, waar dit schommelde tussen 37,5-50% voor de andere materialen. Voor een dikte van 2,5 mm vond men tevens de minste breuken onder de glazuur-cementgrens bij FMC (12,5%) terwijl dit voor de andere groepen 50% was. Omdat oppervlakteslijtage en oppervlakteruwheid niet gecorreleerd zijn aan de dikte van een materiaal, werd hiervoor enkel het verschil tussen de materialen onderzocht; men vond een statistisch significant hogere slijtage bij composiet dan bij keramiek (p < 0,001). Wat betreft oppervlakteruwheid was deze reeds hoger voor composiet vóór de cyclische belasting, erna zag men een stijging bij de 4 materialen, voor HPC was deze echter significant lager (p < 0,001).

Conclusie. Voor alle geteste materialen was de breuksterkte beduidend hoger dan de maximale occlusale krachten in de dorsale zone. Klinisch impliceert dit dat de materiaalkeuze voor occlusaal herstel bij slijtage wordt gestuurd door de te herstellen ruimte. Bij beperkte ruimte is de eerste keuze FMC. Bij een ruimte van 2,5 mm vertoont CCC een significant hogere breuksterkte maar bij overbelasting kan dit wel eerder leiden tot onherstelbare breuken (breuken onder de glazuurcementgrens).

Bron

Zhang H, Lv P, Du W, Jiang T. Comparison of fracture load and surface wear of microhybrid composite and ceramic occlusal veneers. J Prosthodont 2020; 29: 387-393.

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Download bij dit artikel