× ABONNEREN

Drie schattingen van de uitstroom van orthodontisten uit het vak

  • Inleiding
  • Capaciteitsplanning
  • Uitstroom orthodontisten
  • Materiaal en methode
  • Schatting
  • Resultaten
  • Discussie
  • Conclusie
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

De uitstroom van orthodontisten door pensionering is een factor van belang voor de inschatting van de benodigde opleidingscapaciteit. Sinds 2002 wordt met enige regelmaat onderzoek gedaan naar de werkzaamheid en pensioenplannen van orthodontisten van 55 jaar en ouder, de recentste editie was in 2018. Op basis van gegevens van deze pensioenenquêtes zijn 3 schattingen gemaakt van de uitstroom door pensionering. Dit is gedaan op basis van antwoorden bij eerdere edities, op basis van de antwoorden van hun leeftijdsgenoten en op basis van de AOW-leeftijd. De schattingen gaan uit van respectievelijk 117, 116 en 102 werkzame orthodontisten van 55 jaar of ouder anno 2018, die volgens alle schattingen in 2030 allemaal zijn gestopt. De schattingen voorspellen dat er voor 2023 respectievelijk 56, 57 en 37 orthodontisten met pensioen gaan. Volgens 2 van de schattingen overstijgt de uitstroom van orthodontisten uit het vak in de komende jaren de instroom vanuit de opleidingen. De huidige opleidingscapaciteit in Nederland is niet voldoende om de uitstroom van de eerste 2 schattingen te compenseren.
Wat weten we?
Een tekort aan zorgverleners en een overschot ervan kunnen beide negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van de zorgverlening. Daarom is het van belang de benodigde opleidingscapaciteit goed in te schatten. Onderdeel daarvan is inzicht in het aantal stoppende zorgverleners. Dit kan worden verkregen door ‘oudere’ zorgverleners te vragen naar de pensioenplannen.
Wat is nieuw?
Op basis van gegevens van verschillende edities van een enquête onder orthodontisten van 55 tot en met 79 jaar, zijn voor 2018 en de jaren daarna 3 schattingen gemaakt van de werkzaamheid van alle orthodontisten in deze groep. De schattingen verschillen in de manier waarop de werkzaamheid en pensioenleeftijd van degenen die niet hebben deelgenomen aan het onderzoek is bepaald. Volgens 2 schattingen overstijgt de uitstroom van orthodontisten de instroom vanuit de Nederlandse opleidingen in de komende 4 à 5 jaar.
Praktijktoepassing
De schattingen bieden, in combinatie met andere gegevens, belangrijke input voor het bepalen van het aantal opleidingsplaatsen voor orthodontie in de komende jaren.

Inleiding

Adequate toegankelijkheid is een belangrijk thema in de gezondheidszorg (Kutzin, 2008; Thomson et al, 2014). Een veelgebruikte definitie van toegankelijkheid is de mate waarin patiënt en gezondheidszorgsysteem op elkaar aansluiten (Penchansky en Thomas, 1981). Binnen deze definitie worden verschillende categorieën van toegankelijkheid onderscheiden: bereikbaarheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van zorg, de organisatie van het zorgproces en aansluiting bij de wensen en verwachtingen van de patiënt. Zowel een overschot als een tekort aan zorgverleners kan negatieve gevolgen hebben voor de toegankelijkheid. Een overschot kan bijvoorbeeld leiden tot inefficiëntie en overbehandeling (Lopes et al, 2015; Roberfroid et al, 2009). Hierdoor kan de zorg inefficiënt worden of te duur voor een deel van de bevolking. Aan de andere kant kan een tekort resulteren in onder andere wachtlijsten, langere reistijden en kwaliteitsverlies. Dat laatste doordat er onvoldoende tijd per patiënt beschikbaar is of doordat de zorgverlener een hoge werkdruk ervaart (Lopes et al, 2015). Om dergelijke ongewenste zaken te voorkomen, is het van belang de omvang van medische en tandheelkundige beroepsgroepen te plannen.

Capaciteitsplanning

In deze planning heeft in Nederland het Capaciteitsorgaan een prominente rol (intermezzo 1). In tegenstelling tot veel beroepskrachtplanningsmodellen voor zorgverleners in andere landen, wordt in Nederland ook gekeken naar patronen in de pensionering (Ono et al, 2013). Pensionering kan op verschillende manieren worden gedefinieerd. Denton en Spencer (2009) onderscheiden 8 manieren van pensionering, namelijk:

(1) het stoppen met werken, (2) het verminderen van werktijd en/of inkomen, (3) het verminderen van de werktijd en/of inkomsten tot onder een vastgesteld minimum, (4) het ontvangen van pensioeninkomen, (5) het beëindigen van de werkzaamheden bij de belangrijkste werkgever, (6) verandering van carrière en/of werkgever op latere leeftijd, (7) het zelf benoemen van pensionering en (8) een combinatie van deze wijzen.

Intermezzo 1. Het Capaciteitsorgaan
De volledige naam van dit orgaan luidt: Stichting Capaciteitsorgaan voor (vervolg)opleidingen van professionals in de zorg. Dit orgaan is opgericht in het voorjaar van 1999 door een groot aantal veldpartijen uit de zorg en wordt gesubsidieerd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De statutaire doelen zijn:
- Het op grond van, onder meer, de te verwachten zorgbehoefte opstellen van ramingen met betrekking tot de toekomstige benodigde capaciteit aan professionals in de zorg.
- Advisering en informatievoorziening voor de zorgsector en overheid met betrekking tot de behoefte aan en de capaciteit van de hiermee gepaard gaande instroom in opleidingen en vervolgopleidingen.
Geleidelijk zijn op verzoek van veldpartijen en het ministerie de taken uitgebreid met het maken van ramingen voor enkele andere, aan geneeskundige specialismen aanverwante, opleidingen.

Bron: www.capaciteitsorgaan.nl

Veel factoren spelen een rol bij de beslissing om met pensioen te gaan. Gezondheid en kenmerken van het werk worden daarbij in veel gevallen genoemd, maar ook financiële situatie, het hebben van zorgtaken of plannen voor na de pensionering, de werkzaamheid van een eventuele partner, houding ten aanzien van pensionering en de wettelijke pensioenleeftijd (Beehr et al, 2000; De Preter et al, 2013; Riedel et al, 2015; Scharn et al, 2018). Een aantal van deze zaken laat zich moeilijk voorspellen en kan abrupt wijzigen. Een verandering in de gezondheid of de financiële situatie kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat iemand niet op het gewenste moment kan stoppen met werken. Onderzoek onder mka-chirurgen van 55 jaar en ouder in Nederland heeft echter aangetoond dat de plannen voor pensionering ook voorspellende waarde hebben voor het daadwerkelijke moment van pensionering (Den Boer et al, 2018). Overigens gingen de mka-chirurgen wel gemiddeld 1,4 jaar later met pensioen dan zij aanvankelijk hadden gepland.

Uitstroom orthodontisten

Voor beroepsgroepen met een kleine omvang is een adequate inschatting van de uitstroom extra van belang. De beroepsgroep van orthodontisten in Nederland is zeker klein te noemen. Per januari 2019 waren er in Nederland 324 ‘beschikbare’ orthodontisten, dat wil zeggen orthodontisten van 64 jaar of jonger met een woon- of werkadres in Nederland (KNMT, 2019). Als de schatting van de uitstroom uit de beroepsgroep er 10 personen naast zit, betreft dat al ruim 3% van de totale beroepsgroep. Overigens waren er in de afgelopen jaren gemiddeld 9 nieuwe opleidingsplaatsen per jaar beschikbaar. Het is aannemelijk dat er in de komende jaren meer dan enkele orthodontisten uitstromen, aangezien 95 (29%) van de ‘beschikbare’ orthodontisten 55 jaar of ouder zijn. Verder zijn er nog 72 orthodontisten in de leeftijdsgroep van 65 tot en met 74 jaar, van wie vermoedelijk een deel nog in meer of mindere mate werkzaam is.

Afb. 1. Een orthodontiepraktijk in Nederland. (Fotograaf: Joost Hoving)

Binnen de werkgroep Tandheelkundig Specialisten van het Capaciteitsorgaan zijn, zoals bij alle medische specialismen binnen dit orgaan, vertegenwoordigers van de beroepsgroep, opleidingen en zorgverzekeraars betrokken. Voor de beroepsgroep zijn dit vertegenwoordigers van de wetenschappelijke vereniging en de beroepsvereniging, respectievelijk de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVO) en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT). Vanuit een gezamenlijk belang stemmen deze verenigingen hun bijdragen al decennialang op elkaar af. Aan het begin van deze eeuw constateerden beide verenigingen dat er behoefte was aan actuele en adequate informatie over de werkzaamheid en vooral over de voorgenomen pensionering van orthodontisten in Nederland. Dit resulteerde in een onderzoek naar de werkzaamheid en pensionering van orthodontisten in 2002, waarvoor een korte vragenlijst was opgesteld. In 2006, 2010 en 2018 werden deze onderwerpen, soms als onderdeel van een bredere uitvraag, opnieuw onderzocht. In dit artikel wordt verslag gedaan van de uitkomsten van deze onderzoeken aan de hand van de volgende 2 vragen:

  • Hoe hebben het aantal dagdelen dat orthodontisten van 55 jaar en ouder in Nederland per week werkzaam zijn en hun plannen met betrekking tot het verminderen en beëindigen van deze werkzaamheden zich de afgelopen jaren ontwikkeld?
  • Wat is voor de komende jaren de uitstroom van orthodontisten uit het beroep als gevolg van pensionering?

Materiaal en methode

Het onderzoek naar pensionering van orthodontisten in de periode van 2002 tot en met 2018 is uitgevoerd met 4 cross-sectionele surveyonderzoeken, bij afwisselend de totale populatie orthodontisten in Nederland of een deelpopulatie daarvan.

Vragenlijst

De vragenlijst voor het periodieke onderzoek naar werkzaamheid en pensionering van orthodontisten werd in 2002 in samenspraak opgesteld door de wetenschappelijke vereniging NVO en de beroepsverenging KNMT. Deze vragenlijst heeft gediend als basis voor de vragenlijst van 2006, waaraan toen meer vragen over de werkzaamheid van orthodontisten zijn toegevoegd. In de 2 latere edities zijn de vragen over pensionering nagenoeg gelijk gebleven, maar werden ook vragen over andere, wisselende onderwerpen meegenomen.

De vraagstelling was steeds gebaseerd op de definitie van pensionering als stoppen met de werkzaamheden als orthodontist, door helemaal te stoppen met werken of door in een ander beroep te gaan werken. Beide vormen vallen binnen de definities van pensionering van Denton en Spencer (2009).

Klik voor de vragenlijst.

Dataverzameling

Bij de eerste editie in 2002 zijn alle orthodontisten per post benaderd. In 2006 alleen degenen van 50 jaar en ouder en in 2010 alleen degenen van 55 jaar en ouder, minus degenen die in eerdere edities hadden aangegeven niet meer werkzaam te zijn. In 2018 viel het onderzoek samen met een webenquête onder alle orthodontisten van 64 jaar of jonger met een bekend woon- of werkadres in Nederland. De vragen over pensionering werden daarbij alleen voorgelegd aan degenen van 55 jaar en ouder. In aanvulling werd een telefonische enquête gehouden, waarin alle orthodontisten van 65 tot en met 74 jaar werden benaderd, met uitzondering van degenen die in 2002, 2006 of 2010 hadden aangegeven niet meer werkzaam te zijn als orthodontist. Tegelijkertijd werden daarbij ook de orthodontisten van 55 tot en met 64 jaar, die op de eerdere webenquête nog niet hadden gereageerd, telefonisch benaderd en verzocht alsnog de vragen over werkzaamheid en pensionering telefonisch te beantwoorden. Op verzoek werd een link naar een webvragenlijst verstrekt.

Tabel 1 biedt een overzicht van de doelgroepen en de respons van elke editie van het onderzoek naar pensionering van orthodontisten. In elke editie is op basis van sekse, leeftijd, regio van vestiging en (K)NMT-lidmaatschap bezien of de groep respondenten statistisch significant (p < 0,05) afweek van de groep non-respondenten. Uit deze analyse bleek dat alleen in 2002 en 2006 niet-leden van de KNMT waren ondervertegenwoordigd in de groep van respondenten.

Tabel 1. Onderzoeksgroep en respons in de verschillende edities van de pensioenenquête onder orthodontisten.

Dataverwerking en statistische analyse

De via schriftelijke vragenlijsten of telefonische enquêtes verzamelde gegevens werden ingevoerd met behulp van specifieke software voor de verwerking van dergelijke gegevens tot te analyseren databestanden. De data die via een webenquête waren verzameld, waren veelal direct klaar voor analyse. Op basis van unieke respondentnummers konden de gegevens van de verschillende edities worden samengevoegd tot 1 bestand. De samengestelde data werden met SPSS (verwijzing IBM SPSS Statistics versie 24) geanalyseerd met verschillende descriptieve procedures (Frequencies, Crosstabs, Anova).

Schatting

Het aantal werkzame orthodontisten in de komende jaren is op 3 manieren geschat. Daarvoor werden de gegevens van de 2018-editie van het onderzoek als uitgangspunt genomen. Dat wil zeggen, dat werd aangenomen dat de respondenten nu werkzaam zijn zoals in die editie van het onderzoek door hen werd aangegeven. Ook wat betreft hun voorkeuren voor het verminderen, uitbreiden en beëindigen van hun werkzaamheden als orthodontist is de 2018-editie als uitgangspunt genomen. De 3 schattingen verschillen in de wijze waarop de gegevens werden aangevuld voor de orthodontisten die niet hadden deelgenomen aan deze editie van het onderzoek of die geen concreet jaar waarin zij willen stoppen met hun werkzaamheden hadden genoemd. In tabel 2 staan de uitgangspunten van de 3 schattingen schematisch weergegeven. Alle 3 hebben als basis de antwoorden die de orthodontist zelf in 2018 heeft gegeven.

  • De eerste schatting werd gebaseerd op antwoorden uit het verleden. Hiervoor werden de kenmerken van non-respondenten geschat op basis van hun antwoorden in eerdere edities. Als die ook ontbraken, werd voor hen het gemiddelde van hun leeftijdsgroep aangehouden.
  • Voor de tweede schatting werden de gemiddelden van verschillende leeftijdsgroepen als basis gebruikt. Er werd dus geen gebruikgemaakt van de gegevens uit eerdere edities.
  • Voor de derde schatting werd voor de non-respondenten ingeschat dat zij hun werkzaamheden beëindigen op de voor hen geldende AOW-leeftijd. Het tijdspad dat de Rijksoverheid heeft gepubliceerd, loopt door tot het moment dat Nederlanders geboren voor 1 oktober 1955 de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken (Rijksoverheid, 2016). Voor degenen die daarna zijn geboren, werd in dit onderzoek de laatstgenoemde AOW-leeftijd aangehouden, 67 jaar en 3 maanden. Hoewel orthodontisten veelal ondernemer zijn en daardoor, mits financieel haalbaar, eenvoudiger eerder of later kunnen stoppen met werken, is het niet denkbeeldig dat voor een deel van hen de wettelijke AOW-leeftijd een richtpunt is in hun werkzaamheid. Solem et al (2016) constateren immers dat de pensioenplannen naar verhouding meer voorspellende kracht hebben als deze plannen gelijk zijn aan een wettelijke pensioenleeftijd.

Overigens werd bij alle 3 de schattingen alleen rekening gehouden met eventuele vermindering van werktijd als een orthodontist zelf in 2018 heeft aangegeven daarvoor plannen te hebben.

Tabel 2. Criteria die zijn gebruikt voor 3 schattingen van de uitstroom uit het vak van orthodontisten van 55 tot en met 74 jaar.

Resultaten

In 2006 waren de orthodontisten gemiddeld 7,1 dagdelen per week actief, in 2010 gemiddeld 7,4 dagdelen per week en in 2018 gemiddeld 7,6 dagdelen per week. Dit betreft zowel patiëntgebonden als niet-patiëntgebonden werkzaamheden. Daarbij valt op dat vooral de orthodontisten van 55 tot en met 59 jaar naar verhouding meer dagdelen per week actief zijn dan hun oudere collega’s (tab. 3). Zij die al een concrete leeftijd van pensionering in gedachten hadden, wilden in 2002 gemiddeld op een leeftijd van 63,9 jaar stoppen met werken, in 2006 met 64,9 jaar, in 2010 met 63,3 jaar en in 2018 met 67,0 jaar (tab. 3).

Tabel 3. Aantal dagdelen dat orthodontisten van 55 jaar en ouder in 2002, 2006, 2010 en 2018 per week actief zijn als orthodontist en gewenste pensioenleeftijd, naar leeftijd.

Overigens hadden 13 van de 30 in 2018 reeds gestopte orthodontisten bij een eerdere editie hun plannen voor pensionering kenbaar gemaakt. Van hen waren er 4 eerder gestopt dan gepland, 2 op het geplande moment en 7 later dan gepland. Alles bij elkaar stopten deze orthodontisten gemiddeld ruim een half jaar (0,6 jaar) later dan zij aanvankelijk hadden gepland. Daarnaast waren 6 respondenten in 2018 nog werkzaam, terwijl zij in een eerdere editie hadden aangegeven voor dat jaar te willen stoppen. Niet alle werkzame orthodontisten hadden concrete plannen voor het beëindigen van hun werkzaamheden. In 2018 noemde bijvoorbeeld ongeveer de helft (53%) van de 51 werkzame orthodontisten een concreet moment van pensionering en hadden 2 van de 5 (40%) plannen om de werkzaamheden geleidelijk af te bouwen. Tabel 4 laat zien dat zij daarmee willen beginnen op een leeftijd van gemiddeld 63,0 jaar en dat zij dan hun werktijd met gemiddeld 3,0 dagdelen per week willen verminderen.

Tabel 4. Voornemen het aantal dagdelen werkzaamheid per week te verminderen of uit te breiden door orthodontisten in 2018, leeftijd waarop zij hun werktijd willen uitbreiden en of verminderen en aantal dagdelen dat zij gemiddeld per week minder willen werken.

In afbeelding 2 zijn de gevolgen weergegeven van de plannen voor het verminderen en beëindigen van de werkzaamheden als orthodontist, van de deelnemers aan de pensioenenquête van 2018 die meldden concrete pensioenplannen te hebben. Het betreft hier dus alleen de gevolgen voor de groep deelnemers aan het onderzoek die zelf een concreet moment van pensionering heeft genoemd. Via de link is tabel 6 te raadplegen waarin het tijdspad waarmee de wettelijke AOW-leeftijd wordt verhoogd in de komende jaren staat.

Afb. 2. Verwacht aantal werkzame orthodontisten en aantal dagdelen dat zij gezamenlijk per week werkzaam zijn vanaf 2019 van de ondervraagde orthodontisten van 55 tot en met 74 jaar die een concreet moment van pensionering hebben genoemd. (Illustrator: Frans Hessels)

Waar in afbeelding 2 alleen de gevolgen van de pensioenplannen van de deelnemers aan het onderzoek zijn weergegeven, worden in tabel 5 deze gevolgen voor de gehele groep van orthodontisten van 55 jaar en ouder geschat. Daarvoor zijn de ontbrekende gegevens op 3 manieren geschat.

Tabel 5. Arbeidscapaciteit vanaf 2018 van alle orthodontisten van 55 tot en met 74 jaar volgens 3 schattingen.

Volgens de schatting op basis van antwoorden uit het verleden werken er in 2018 117 orthodontisten van 55 jaar, die gezamenlijk 935 dagdelen per week actief zijn. Per januari 2023 zijn volgens deze schatting van deze orthodontisten er nog 61 werkzaam en in 2028 nog 15. In 2030 zijn zij allemaal met hun werkzaamheden gestopt. In de schatting op basis van antwoorden van leeftijdsgenoten wordt het aantal werkzame orthodontisten van 55 jaar of ouder anno 2018 op 116 geraamd. Zij werken dan volgens deze schatting gezamenlijk 881,5 dagdelen per week. Per januari 2023 zijn van hen er nog 59 werkzaam en in 2028 nog 14. Ook in deze schatting zijn alle in 2018 nog actieve orthodontisten van 55 jaar of ouder in 2030 gestopt met hun werkzaamheden. De schatting op basis van de AOW-leeftijd komt voor 2018 uit op 102 werkzame orthodontisten van 55 jaar of ouder, die dan gezamenlijk 804,5 dagdelen per week actief zijn. Per januari 2023 en januari 2028 zijn er respectievelijk 65 en 24 van hen nog werkzaam. Ook bij deze schatting zijn alle orthodontisten die in 2018 55 jaar of ouder zijn, per januari 2030 met pensioen.

Discussie

In de afgelopen decennia is het aantal dagdelen dat orthodontisten van 55 jaar en ouder per week werken toegenomen. Bovendien steeg de leeftijd waarop deze orthodontisten van plan zijn met pensioen te gaan. Voor een blik in de toekomst baseren we ons op de huidige inschatting van orthodontisten van 55 jaar en ouder. Dit is op 3 manieren gedaan. Volgens 2 van deze voorspellingen is meer dan de helft van de orthodontisten van 55 tot en met 79 jaar in 2024 niet meer werkzaam in het vak.

Onderzoekspopulatie

In dit onderzoek is aan orthodontisten zelf gevraagd een inschatting te geven van hun werkzaamheid en hun de plannen om de werktijd te verminderen en te beëindigen. Voor een inschatting van het verminderen of beëindigen van de werkzaamheden moeten zij in de toekomst kijken. Bij mka-chirurgen is gebleken dat deze inschattingen voorspellende waarde hebben, maar de pensioenplannen kunnen op individueel niveau zeker wijzigen (Den Boer et al, 2018). De kans dat de plannen om te stoppen wijzigen, is groter als de pensionering nog verder weg is, bijvoorbeeld omdat naarmate men jonger is pensionering psychologisch nog ver weg is en pensioneringsplannen veelal nog vaag zijn (Mendryk, 2017). Daarom zijn in 2018, in tegenstelling tot de eerdere edities, alleen orthodontisten van 55 jaar of ouder in het onderzoek betrokken. De 55-plussers vormen echter wel een aanzienlijk deel van de totale beroepsgroep. Als het aantal actieve orthodontisten wordt geschat, wordt vaak uitgegaan van de ‘beschikbare’ orthodontisten van 64 jaar of jonger met een bekend woon- of werkadres in Nederland, 29% van die groep is 55 jaar of ouder (KNMT, 2019). Inclusief de nog werkzame orthodontisten van 65 tot en met 79 jaar geldt dat ruim een derde tot de senioren kan worden gerekend en dus binnen niet al te lange tijd met pensioen gaat. Overigens werd met deze ontwikkeling al rekening gehouden in het capaciteitsplan van 2001 (Capaciteitsorgaan, 2001; Noverraz en Van Spronsen, 2001). Het toenmalige pleidooi om het aantal opleidingsplaatsen te verhogen van 4,5 naar 10 tot 14 per jaar is ten dele opgevolgd.

Instroom in het vak

Met betrekking tot de instroom van het vak waren er in de afgelopen 4 jaar (2015-2018) in Nederland 9 opleidingsplaatsen per jaar beschikbaar voor de 4-jarige opleiding tot orthodontist. Als degenen die in deze jaren met de opleiding zijn gestart, deze met goed gevolg volbrengen en zich ook inschrijven in het register tandartsspecialisten, zijn er in 2022 in totaal 36 orthodontisten ingestroomd. Van de schattingen voorspellen 2 van de 3 dat in 2022 de uitstroom uit het vak beduidend groter is, respectievelijk 50 en 51 orthodontisten in de komende 4 jaar. De derde schatting voorspelt in de komende 4 jaar minder uitstroom uit het vak, namelijk 30 orthodontisten (tab. 5). Voor beroepskrachtplanning is echter niet het op peil houden van het aantal beroepsbeoefenaren het streven. Het doel is de omvang van de beroepsgroep aan te laten sluiten op de zorgvraag. Door ontwikkelingen binnen de beroepsgroep, zoals feminisering en daarmee samenhangend een groeiend aantal beroepsbeoefenaren dat parttime wil werken, kan het gewenst zijn dat de instroom groter is dan de uitstroom. Beide zaken lijken aan de orde te zijn in de orthodontie in Nederland, hoewel het verschil in aantal dagdelen werkzaamheid tussen mannelijke en vrouwelijke orthodontisten niet heel groot is (Bruers en Van Dam, 2017; Van Doorne-Huiskes, 2017). Naast de orthodontisten die in Nederland zijn opgeleid, zijn er de afgelopen jaren ook orthodontisten die in het buitenland zijn opgeleid naar Nederland gekomen. Tussen 2006 en 2015 ging het volgens het Capaciteitsorgaan jaarlijks om gemiddeld 8 orthodontisten (Capaciteitsorgaan, 2016). Uit de jaarverslagen van de Registratiecommissie Tandheelkundige Specialismen van de KNMT (RTS) kan worden opgemaakt dat in 2016, 2017 en 2018 respectievelijk 7, 3 en 1 in het buitenland opgeleide orthodontisten zijn ingeschreven in het specialistenregister (RTS, 2017; RTS, 2018; RTS, 2019).

Ontwikkelingen in het vak

Er is in Nederland sprake van duaal aanbod in de orthodontische zorg, dat wil zeggen dat een deel van deze zorg niet door orthodontisten maar door tandartsen wordt uitgevoerd. De Nederlandse Zorgautoriteit schatte dat in 2013 30% tot 40% van de totale omzet van orthodontische zorg in Nederland buiten orthodontistenpraktijken was gerealiseerd (NZa, 2015). Dit was overigens lager dan in de jaren ervoor. Het is mogelijk dat bij een afname van het aantal orthodontisten opnieuw een groter deel van de orthodontische zorg wordt uitgevoerd door tandartsen. Of deze substitutie zal plaatsvinden, hangt onder andere af van de wensen en mogelijkheden van de tandartsen. Daarbij spelen ook ontwikkelingen op het gebied van big data, kunstmatige intelligentie en geautomatiseerde vervaardiging een rol (Grauer et al, 2012; Allareddy et al, 2019; Li et al, 2019). Deze mogelijkheden zijn ook afhankelijk van van het aantal beschikbare tandartsen, een beroepsgroep waar de uitstroom uit het vak de instroom vanuit de Nederlandse opleidingen waarschijnlijk de komende jaren ook zal overtreffen (Panteia/Etil, 2018). Wel zij daarbij opgemerkt dat de orthodontisten die naar verwachting in de komende jaren stoppen met de beroepsuitoefening, op dit moment al wat minder dagdelen per week actief zijn dan hun jongere vakgenoten.

Vraag naar orthodontie

Aan de vraagkant hanteert het Capaciteitsorgaan het aantal 12-jarigen als belangrijkste demografische indicator voor de ontwikkeling van de vraag naar orthodontie (Capaciteitsorgaan, 2016). Aan de andere kant constateert het Capaciteitsorgaan in hetzelfde rapport dat de vraag naar orthodontie bij vooral volwassenen groeit. Hoewel onderzoek hiernaar schaars is, concluderen verschillende onderzoekers dat de trend naar meer orthodontie bij volwassenen duidelijk is (Cedro et al, 2010; McMorrow, 2015). Naarmate de ontwikkeling naar meer orthodontie bij volwassenen doorzet, kan het aantal 12-jarigen niet meer als enige criterium worden gehanteerd voor schatting van de zorgvraag. Deze groep is immers klein in vergelijking met de groep volwassenen. Bovendien is de aard van een orthodontische behandeling bij volwassenen veelal anders dan bij adolescenten: complexer en in meer gevallen interdisciplinair van aard (McMorrow, 2015; Melsen, 2016; Nattrass en Sandy, 1995). Een andere ontwikkeling met mogelijke gevolgen voor de vraag naar orthodontische zorg, is de dekking ervan in aanvullende verzekeringen voor mondzorg. Tussen 2008 en 2014 stegen de premies voor deze verzekeringen met meer dan 20%, terwijl de dekking met bijna 14% daalde (Den Dekker, 2016). In dezelfde periode nam het aandeel verzekerden met een dergelijk aanvullend verzekering af. Als deze trend doorzet, kan de vraag naar orthodontische zorg afnemen omdat de directe kosten voor patiënten toenemen. Ook economische ontwikkelingen hebben beperkte invloed op de vraag naar zorg, waarbij in goede economische omstandigheden de vraag naar zorg toeneemt (Batenburg et al, 2015). In 2019 zijn de omstandigheden goed. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) constateert dat de conjunctuur in Nederland in mei 2019 op 10 van de 13 door hen geformuleerde indicatoren beter scoort dan de langjarige trend (CBS, 2019).

Beperkingen van de schattingen

De gegevens van verschillende edities van de pensioenenquête onder orthodontisten zijn gebruikt voor 3 schattingen van de uitstroom van orthodontisten uit het vak. Bij de eerste 2 schattingen zijn (onder andere) gegevens van de respondenten uit het onderzoek gebruikt om de situatie van de non-respondenten te schatten. Daarvoor is representativiteit van de gegevens gewenst en ook een hoge respons. Aan de eerste voorwaarde is voldaan, er zijn althans op een aantal achtergrondkenmerken geen statistisch significante verschillen gevonden. Hoewel de respons met 60% zeker goed te noemen is, was uit oogpunt van betrouwbaarheid een hogere respons gewenst. Zeker ook omdat een deel (15%) van de respondenten, in het bijzonder uit de groep voor wie de enquête deel uitmaakte van een langere vragenlijst, niet alle vragen had beantwoord. Het is daarom denkbaar dat er een zekere bias in de respons zit, bijvoorbeeld omdat reeds gestopte orthodontisten minder goed te bereiken zijn of minder betrokken zijn bij het onderwerp. Beperkte bereikbaarheid en een gebrek aan gevoel van relevantie zijn bekende oorzaken van non-respons (Baruch en Holtom, 2008). Daarom moet er rekening mee worden gehouden dat de inschatting van het aantal in 2018 werkzame orthodontisten in de eerste en de tweede schatting mogelijk aan de hoge kant is.

Bij schatting op basis van AOW-leeftijd is het huidige aantal orthodontisten lager en de te verwachten pensionering in de komende 4 jaar wat minder groot. Die laatste schatting gaat ervan uit dat orthodontisten de AOW-leeftijd volgen. Binnen de kaders van dit onderzoek betekende dit dat alle non-respondenten van 66 jaar of ouder als gestopt werden beschouwd. Onder de respondenten van 66 jaar of ouder is echter een substantieel deel nog actief in het beroep. Als dit representatief is voor alle orthodontisten van 66 jaar en ouder, zouden er in totaal nog naar schatting 8 van hen extra werkzaam zijn, die wel allemaal op een leeftijd zijn dat zij binnen enkele jaren met pensioen zullen gaan. Daarom worden in de derde schatting het aantal werkzame orthodontisten en de uitstroom in de komende jaren beide vermoedelijk te laag inschat.

Ten tijde van het schrijven van dit artikel is een nieuw pensioenakkoord gesloten. Als dit daadwerkelijk zal worden uitgevoerd, zal de AOW-leeftijd minder snel stijgen. Wordt de schatting gemaakt op basis van dit akkoord, dan verandert er niets aan de inschatting dat er in 2018 102 orthodontisten van 55 jaar en ouder actief waren, die gezamenlijk 804,5 dagdelen per week werkten. Volgens deze schatting zijn er van hen in 2023 nog 63 actief, gezamenlijk 525,5 dagdelen per week en in 2028 nog 15, gezamenlijk 126,5 dagdelen.

Orthodontisten die willen stoppen met hun werkzaamheden in een eigen praktijk, zullen dit in veel gevallen bij voorkeur doen door de praktijk te verkopen. Bij een achterblijvende instroom wordt dit lastiger, waardoor wellicht de pensionering wordt uitgesteld.

In dit onderzoek werd alleen een schatting gemaakt van de uitstroom van orthodontisten uit het vak. Wat de gevolgen van deze uitstroom zijn, hangt af van andere ontwikkelingen in het vak. Daarbij kan worden gedacht aan de instroom in het vak, substitutie, innovatie in behandelmethoden en de vraag naar zorg.

Conclusie

De komende jaren zal een aanzienlijk deel van de orthodontisten van 55 jaar en ouder stoppen met het uitoefenen van het vak. Volgens de meest empirisch onderbouwde schatting is de uitstroom van orthodontisten in de komende jaren groter dan de instroom in het vak vanuit de Nederlandse opleidingen. Of dit tot een tekort aan orthodontisten zal leiden, hangt af van andere ontwikkelingen in de beroepsgroep en het werkveld, en niet te vergeten van de ontwikkelingen in de vraag naar orthodontische zorg.

Literatuur

  • Allareddy V, Rengasamy Venugopalan S, Nalliah RP, Caplin JL, Lee MK, Allareddy V. Orthodontics in the era of big data analytics. Orthod Craniofac Res 2019; 22: 8-13.
  • Baruch Y, Holtom BC. Survey response rate levels and trends in organizational research. Hum Relat 2008; 61: 1139-1160.
  • Batenburg R, Kroneman M, Sagan A. The impact of the crisis on the health system and health in the Netherlands. In: Maresso A, Mladovsky P, Thomson S, et al. (red.) Economic crisis, health systems and health in Europe. Country experiences. Kopenhagen: WHO, 2015.
  • Beehr TA, Glazer S, Nielson NL, Farmer SJ. Work and nonwork predictors of employees’ retirement ages. J Vocat Behav 2000; 57: 206-225.
  • Boer JCL den, Zijderveld SA, Bruers JJM. Preferred and actual retirement age of oral and maxillofacial surgeons aged 55 and older in the Netherlands: a longitudinal study from 2003 to 2016. Hum Resour Health 2018; 16: 25.
  • Bruers JJM, Dam BAFM van. Een vrouw aan de stoel is heel gewoon: De beroepsuitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 563-569.
  • Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2001 voor de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen. Utrecht: Capaciteitsorgaan, 2001.
  • Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2016. Deelrapport 3: Tandheelkundig Specialisten. Bijlage bij het integrale Capaciteitsplan 2016 voor de medische, klinisch technologische, geestelijke gezondheid, FZO en aanverwante (vervolg) opleidingen. Utrecht: Capaciteitsorgaan, 2016.
  • CBS. Conjunctuurklok mei 2019. Heerlen/Voorburg: CBS, 2019.
  • Cedro MK, Moles DR, Hodges SJ. Adult orthodontics - who’s doing what? J Orthod 2010; 37: 107-117.
  • Dekker J den. Mondzorg in de zorgverzekering. In: Sociale tandheelkunde in de praktijk. Houten: Prelum Uitgevers, 2016.
  • Denton FT, Spencer BG. What is retirement? A review and assessment of alternative concepts and measures. Can J Aging 2009; 28: 63-76.
  • Doorne-Huiskes A van. Vrouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 549-554.
  • Grauer D, Wiechmann D, Heymann GC, Swift jr EJ. Computer-aided design/computer-aided manufacturing technology in customized orthodontic appliances. J Esthet Restor Dent 2012; 24: 3-9.
  • KNMT. Tandartsspecialist: orthodontist. www.staatvandemondzorg.nl/werkers-in-de-mondzorg/tandartsspecialist-orthodontist. Geraadpleegd op 25-11-2019.
  • Kutzin J. Health financing policy: a guide for decision-makers. Kopenhagen: WHO, 2008.
  • Li P, Kong D, Tang T, et al. Orthodontic treatment planning based on Artificial Neural Networks. Sci Rep 2019; 9: 2037.
  • Lopes MA, Almeida ÁS, Almada-Lobo B. Handling healthcare workforce planning with care: where do we stand? Hum Resour Health 2015; 13: 38.
  • McMorrow S. Adult orthodontics: internet information and a national survey. 2015. Geraadpleegd via: Melsen B. The role of orthodontics in the regeneration of the degenerated dentition. J Oral Rehabil 2016; 43: 226-237.
  • Mendryk I. Retirement age: preferences of employees representing various age groups. Economics & Sociology 2017; 10: 29-40.
  • Nattrass C, Sandy JR. Adult orthodontics – a review. Br J Orthod 1995; 22: 331-337.
  • Noverraz RRM, Spronsen PH van. Menskrachtontwikkeling in de orthodontie. Ned Tijdschr Tandheelkd 2001; 108: 326-329.
  • NZa. Trends en toegankelijkheid in de orthodontie, deel 2: Uitkomsten onderzoek naar de toegankelijkheidseffecten op de verlaging van de orthodontietarieven. Utrecht: Nederlandse Zorgautoriteit, 2015.
  • Ono T, Lafortune G, Schoenstein M. Health workforce planning in OECD countries: a review of 26 projection models from 18 countries. Parijs: OECD, 2013.
  • Panteia/Etil. Capaciteit in de mondzorg: Eindrapport. Zoetermeer: Panteia/Etil, 2018.
  • Penchansky R, Thomas JW. The concept of access: definition and relationship to consumer satisfaction. Med Care 1981; 19: 127-140. 
  • Preter H de, Looy D van, Mortelmans D. Individual and institutional push and pull factors as predictors of retirement timing in Europe: A multilevel analysis. J Aging Stud 2013; 27: 299-307.
  • Riedel M, Hofer H, Wögerbauer B. Determinants for the transition from work into retirement in Europe. IZA J Europ Lab Stud 2015; 4: 4.
  • Rijksoverheid. Tijdspad verhoging AOW-leeftijd. 2016.
  • Roberfroid D, Leonard C, Stordeur S. Physician supply forecast: better than peering in a crystal ball? Hum Resour Health 2009; 7: 10.
  • RTS. Verslag van het jaar 2016. www.knmt.nl/sites/default/files/jaarverslag_rts_2016.docx. Geraadpleegd op 25-11-2019.
  • RTS. Verslag van het jaar 2017. www.knmt.nl/sites/default/files/jaarverslag_rts_2017.pdf. Geraadpleegd op 25-11-2019.
  • RTS. Verslag van het jaar 2018. www.knmt.nl/sites/default/files/jaarverslag-rts-2018.pdf. Geraadpleegd op 25-11-2019.
  • Scharn M, Sewdas R, Boot CR, Huisman M, Lindeboom M, Beek AJ van der. Domains and determinants of retirement timing: A systematic review of longitudinal studies. BMC Public Health 2018; 18: 1083.
  • Solem PE, Syse A, Furunes T, et al. To leave or not to leave: retirement intentions and retirement behaviour. Ageing and Society 2016; 36: 259-281.
  • Thomson S, Figueras J, Evetovits T, et al. Economic crisis, health systems and health in Europe: impact and implications for policy. Kopenhagen: WHO, 2014.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • J.C.L. den Boer1 2, R.E.G. Jonkman3, J.J.M. Bruers1 2
  • Uit 1de afdeling Onderzoek & Informatievoorziening van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) te Utrecht, 2de afdeling Sociale Tandheelkunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 3de afdeling Orthodontie van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam
  • Datum van acceptatie: 14 november 2019
  • Adres: J.C.L. den Boer, KNMT, Postbus 4141, 3502 HC Utrecht
  • j.den.boer@knmt.nl

 

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog