× ABONNEREN

Herkenning van wekedelenopaciteiten op een panoramische röntgenopname: heterotopische ossificaties en corpora aliena

  • Inleiding
  • Ossificatie van het ligamentum stylohyoideum
  • Osteoma cutis
  • Myositis ossificans
  • Traumatische myositis ossificans
  • Fibrodysplasia ossificans progressiva
  • Corpora aliena
  • Literatuur
  • Dankwoord
  • Reacties (0)

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel:
- kent u de radiologische en klinische kenmerken van heterotopische ossificaties en corpora aliena;
- weet u wanneer aanvullende beeldvorming nodig is;
- en kent u de indicaties tot behandeling.

Inleiding

Regelmatig worden op een panoramische röntgenopname opake structuren gezien waarbij het van belang is om vast te stellen of de structuur in het bot of in de weke delen is gelegen of in beide. Vanwege de diversiteit is het duiden van een wekedelenopaciteit op een panoramische röntgenopname vaak lastig. Wekedelenopaciteiten worden onderverdeeld in heterotopische calcificaties, heterotopische ossificaties en corpora aliena (tab. 1). De differentiële diagnose van dergelijke opaciteiten omvat vaak voorkomende maar ook zeldzamere afwijkingen (tab. 2).

Tabel 1. Indeling van radiologische opaciteiten in de weke delen.

Tabel 2. Differentiële diagnose van wekedelenopaciteiten zoals deze op een panoramische röntgenopname kunnen worden waargenomen.

In de februari-editie en de aprileditie stonden respectievelijk de dystrofische calcificaties en de idiopathische calcificaties centraal (Van der Meij et al, 2019a; Van der Meij et al, 2019b). Metastatische verkalkingen in de weke delen van het hoofd-halsgebied zijn uitermate zeldzaam en werden daarom niet besproken. In dit artikel komen de heterotopische ossificaties (afb. 1) en corpora aliena aan bod.

Afb. 1. Heterotopische ossificaties zoals deze op een panoramische röntgenopname kunnen worden waargenomen. Differentiële diagnose van wekedelen– opaciteiten op een panoramische röntgenopname.

Bij heterotopische ossificatie wordt op min of meer georganiseerde wijze extraskelettaal, dat wil zeggen buiten het skelet gelegen, bot gevormd in de weke delen. Heterotopisch bot kan opgebouwd zijn uit alleen corticaal bot maar ook trabeculair bot en beenmerg kunnen hier deel van uitmaken. Heterotopische ossificaties zijn te onderscheiden in ossificatie van het ligamentum stylohyoideum, osteoma cutis en myositis ossificans, waarbij die laatste weer wordt onderverdeeld in traumatische myositis ossificans en fibrodysplasie ossificans progressiva (fop).

Ossificatie van het ligamentum stylohyoideum

De processus styloideus heeft zijn oorsprong aan de caudale zijde van het os temporale en bevindt zich anterieur en mediaal van het foramen stylomastoideum. Naast de musculus stylohyoideus, musculus stylopharyngeus, musculus styloglossus en het ligamentum stylomandibulare heeft het ligamentum stylohyoideus zijn origo aan de processus styloideus (afb. 2). Het ligamentum stylohyoideus hecht aan de cornu minus van het os hyoideum. Ossificatie van het ligamentum stylohyoideum komt frequent voor en begint meestal ter plaatse van de origo daar waar het ligament gehecht is aan de processus styloideus. De normale lengte van de processus is 20 tot 30 mm. Indien de processus styloideus door ossificatie van het ligamentum stylohyoideum langer is dan 30 mm wordt gesproken van een processus styloideus elongatus. Ossificatie vanuit de cornu minus van het os hyoideum of soms zelfs halverwege het ligament treedt minder vaak op. Ossificatie van het ligamentum stylohyoideum komt meestal bilateraal voor. De prevalentie van ossificatie varieert sterk van 4 tot zelfs 52% (Bagga et al, 2012).

Afb. 2. Anatomische tekening van de locatie van het ligamentum stylohyoideum. (Illustrator: Serge Steenen)

Klinische aspecten

De meeste patiënten met een processus styloideus elongatus hebben geen klachten. Bij de aanwezigheid van klachten wordt gesproken van het syndroom van Eagle (Eagle, 1937; Langlais et al, 1986; Fini et al, 2000; Elimairi et al, 2015). Het syndroom wordt onderverdeeld in 2 subtypen: 1. het klassieke syndroom van Eagle veroorzaakt door inklemming van hersenzenuwen en 2. het arteria-carotissyndroom, ook wel stylohyoidsyndroom genoemd, ten gevolge van inklemming van de arteria carotis en hiermee gepaard gaande stimulatie van de rondom de wand van de arterie gelegen sympathische zenuwvezels (Colby en Del Gaudio, 2011). Het syndroom van Eagle komt meestal voor op volwassen leeftijd, vaker bij vrouwen dan bij mannen.

Het klassieke syndroom van Eagle ontstaat na een tonsillectomie. Een geossificeerd ligamentum stylohyoideum veroorzaakt in de aanwezigheid van littekenweefsel inklemming van hersenzenuwen V, VII, IX, X en XII. Klachten bestaan uit vage cervicofaryngeale pijn die vooral optreedt tijdens eten, spreken, slikken, gapen en draaien van het hoofd. De patiënt heeft bij slikken het gevoel alsof ‘er iets in de keel zit’. Soms is er sprake van oorsuizen en oorpijn.

Indien het arteria-carotissyndroom wordt veroorzaakt door prikkeling van de sympatische plexus van de arteria carotis externa ervaart de patiënt pijn in de regio infraorbitalis. Betrokkenheid van de arteria carotis interna leidt tot pijn in de orbita, temporopariëtale hoofdpijn, migraine, afasie, visusklachten en TIA’s met duizeligheid en flauwvallen. De klachten treden op als het hoofd naar de aangedane zijde wordt gedraaid.

Röntgenologisch beeld

Een geossificeerd ligamentum stylohyoideum kan worden waargenomen op een panoramische röntgenopname als een lineaire opaciteit die zich uitbreidt van het mastoid via de posteroinferieure zijde van de ramus mandibulae tot aan de cornu minus van het os hyoideum (afb. 3). Soms worden in het verloop van het verkalkte ligament één of meerdere radiolucente onderbrekingen gezien passend bij pseudogewrichtjes.

Afb. 3. Panoramische röntgenopname met aan de rechterzijde het beeld van een volledig en aan de linkerzijde een partieel geossificeerd ligamentum stylohyoideum. De opaciteit in het midden betreft een halsketting.

Differentiële diagnose

Omdat een geossificeerd ligamentum stylohyoideum vaak gezien wordt op een panoramische röntgenopname en de klachten van patiënt meestal niet specifiek zijn, is het niet altijd eenvoudig het syndroom van Eagle te diagnosticeren. Differentieel diagnostisch kunnen overbelastingsklachten in het kader van een temporomandibulaire stoornis, migraine, trigeminusneuralgie, glossofaryngeusneuralgie en sfenopalatinale (Hortonse) neuralgie worden overwogen. Provocatie van de klachten door palpatie van het geossificeerde ligament in de fossa tonsillaris kan behulpzaam zijn bij het stellen van de diagnose. Door sommigen wordt proefanesthesie geadviseerd waarbij ter plaatse van het caudale uiteinde van de processus styloideus een lokaal anestheticum wordt toegediend.

Behandeling

Conservatieve behandeling zoals het voorschrijven van NSAID’s, fysiotherapie of het lokaal toedienen van een corticosteroïd of anestheticum kan bij milde klachten soms uitkomst bieden. Het langetermijneffect hiervan is echter niet bekend.

Bij ernstiger klachten of persisterende klachten na conservatieve behandeling rest slechts chirurgische behandeling. Hierbij wordt de verlengde processus styloideus geheel of gedeeltelijk via een transorale benadering verwijderd (stylohyoidectomie). Voor een beter overzicht van het operatiegebied zal een aanwezige tonsil veelal mede worden verwijderd. Bij een beperkte mondopening bestaat de mogelijkheid van een extraorale benadering. Bijkomend voordeel is dat completere verwijdering van de verlengde processus styloideus meestal mogelijk is.

Osteoma cutis

Osteoma cutis is een zeldzame aandoening waarbij botafzetting plaatsvindt in de cutis en subcutis. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een primaire en secundaire vorm. Bij de primaire vorm is geen predisponerende factor aanwezig en vindt de botvorming de novo in gezonde huid plaats. De secundaire vorm wordt gekenmerkt door botappositie in beschadigde of ontstoken huid (Safi et al, 2016). Osteoma cutis komt vaker voor bij vrouwen en manifesteert zich meestal op een leeftijd van 20 tot 30 jaar. In 85% van de gevallen betreft het de secundaire vorm. Voor botvorming in het slijmvlies van de mondholte wordt de term osteoma mucosae of osseus choristoom gebruikt. Osteoma mucosae is uitermate zeldzaam en wordt bijna altijd dorsaal op de tongrug aangetroffen.

Klinische aspecten

Alhoewel osteoma cutis overal in de huid kan voorkomen wordt deze het vaakst aangetroffen in de huid van het hoofd-halsgebied. Ter plaatse van de afwijking is de overliggende huid intact en nauwelijks veranderd van kleur, soms is deze iets lichter van kleur. Bij palpatie wordt een beenharde structuur gevoeld (afb. 4a). Bij de variant multipele miliaire osteoma cutis worden meerdere tot soms enkele honderden kleine botapposities in de huid van het gelaat aangetroffen. Meestal betreft het hier vrouwen van middelbare leeftijd (Chabra en Obagi, 2014).

Afb. 4a. Ter plaatse van het osteoma cutis van de linker wang is de overliggende huid intact en nauwelijks veranderd van kleur.

Röntgenologisch beeld

Bij voorkomen van osteoma cutis in het gelaat kunnen op een panoramische röntgenopname één of meerdere opaciteiten met een doorsnede van enkele mm ’s tot cm ’s worden gezien (afb. 4b) (Alhazmi et al, 2017). Bij grotere osteomen, waarbij centraal in de afwijking beenmerg voorkomt, kan het röntgenologisch beeld doen denken aan dat van een donut; in het centrum van de radiopaciteit bevindt zich een radiolucente zone.

Afb. 4b. Het osteoma cutis van deze patiënt presenteert zich op een panoramische röntgenopname (b) als een scherp begrensde opaciteit aan de voorzijde van de linker ramus mandibulae.

Differentiële diagnose

Veelal is de patiënt bekend met het osteoma cutis en zullen de op de beeldvorming waargenomen afwijkingen diagnostisch geen problemen opleveren. Bij twijfel of de op een conventionele röntgenopname geconstateerde opaciteit zich daadwerkelijk in de huid bevindt kan een aanvullende conebeamcomputertomogram (CBCT) worden vervaardigd (afb. 4c).

Afb. 4c. Op een aanvullende CBCT-scan (axiale doorsnede) (c) is in de subcutis een osteoma cutis te zien.

Behandeling

Alhoewel er geen strikte indicatie bestaat voor behandeling zal in de meeste gevallen om cosmetische redenen gekozen worden voor chirurgische verwijdering. Vaak wordt gekozen voor lokale nabehandeling met een vitamine-A-zuurcrème.

Myositis ossificans

Myositis ossificans is een zeldzame aandoening waarbij in het interstitium van spieren, pezen en ligamenten heterotopische botafzetting plaatsvindt. Er worden 2 typen onderscheiden, een gelokaliseerd (traumatische myositis ossificans) en een gegeneraliseerd of progressief type (fibrodysplasia ossificans progressiva).

Traumatische myositis ossificans

In ruim driekwart van de gevallen kan een traumatische gebeurtenis worden achterhaald die de traumatische myositis ossificans (ook wel myositis ossificans circumscripta genoemd) heeft uitgelokt (Arends et al, 2003). In de meeste gevallen betreft het trauma met een directe impact zoals een auto-ongeval, geweldsdelict of schotwond. Gebitsextracties, toedienen van lokale anesthesie en dentogene ontstekingen worden minder vaak gezien als mogelijk oorzakelijk moment. Er wordt verondersteld dat traumatische myositis ossificans begint met een intramusculaire bloeding die gepaard gaat met vasculaire proliferatie en uitgebreide formatie van granulatieweefsel. Vanuit dit weefsel ontstaan via metaplastische veranderingen kraakbeen en bot. Macrofagen worden naar het beschadigde weefsel aangetrokken en produceren osteogene groeifactoren. De term myositis is verwarrend omdat er geen sprake is van een ontstekingsproces.

Klinische aspecten

Traumatische myositis ossificans komt het meest voor in de musculus quadriceps femoris en de musculus brachialis anticus en wordt vooral gezien bij jonge, atletisch gebouwde mannen. In het hoofd-halsgebied is de musculus masseter het meest aangedaan, gevolgd door de musculus pterygoideus medialis, de musculus pterygoideus lateralis en de musculus temporalis (Fité-Trepat et al, 2016). Het moment waarop klinische symptomen herkenbaar zijn varieert van enkele weken tot enkele maanden na het doorgemaakte trauma. Trismus is het meest voorkomende symptoom. Daarnaast worden vaak pijn, zwelling en daaraan gerelateerde asymmetrie van het gelaat gezien. Bij lichamelijk onderzoek kan een vastaanvoelende, al dan niet gefixeerde massa met een doorsnede van maximaal 6 centimeter in de aangedane spier worden gepalpeerd. In eerste instantie wordt de diagnose traumatische myositis ossificans meestal niet overwogen omdat de klachten, die veelal aspecifiek zijn, worden toegekend aan het doorgemaakte trauma. Een persisterende palpabele massa in combinatie met het specifieke röntgenbeeld moeten de clinicus op het juiste spoor brengen.

Röntgenologisch beeld

Een (CB)CT-scan geeft afhankelijk van het stadium een karakteristiek beeld. Daar er initieel geen calcificatie is, levert een (CB)CT-scan weinig meer op dan een lichte toename van de weefseldensiteit. Typische perifere mineralisatie verschijnt 4-6 weken na het ontstaan van de afwijking, terwijl het onrijpe centrum aanvankelijk radiolucent blijft. De radiopake afwijking kan ovaal van vorm zijn maar ook een meer lineair verloop, in de richting van de spiervezels, vertonen (pseudotrabeculae). Dit laatste is zeer kenmerkend voor myositis ossificans. In de loop van maanden vindt verdere uitrijping van het heterotopische bot plaats waarbij steeds meer gelijkenis ontstaat met de densiteit en structuur van gezond bot. Deze veranderingen in de tijd zijn optimaal met (CB)CT-scan herkenbaar. Op een panoramische röntgenopname kunnen in de loop van de weken, uiteraard afhankelijk van het stadium van ossificatie, opake veranderingen worden waargenomen. Dit betreft soortgelijke veranderingen zoals deze op de (CB)CT-scan kunnen worden gezien. De lokalisatie op de panoramische röntgenopname is afhankelijk van welke kauwspier is aangedaan. De meerwaarde van MRI is beperkt.

Differentiële diagnose

Differentieel diagnostisch moet een extraossaal osteosarcoom worden uitgesloten. Hierbij staat echter een uitgebreidere cellulaire atypie en infiltratieve groei op de voorgrond. In de vroege fase, waarbij geen botformatie aanwezig is, kan dit onderscheid moeilijk zijn.

Behandeling

Omdat in een derde van de gevallen het heterotopische bot spontaan weer verdwijnt, is een afwachtend beleid in eerste instantie gerechtvaardigd. Er bestaat geen consensus over de meerwaarde van de vele beschreven conservatieve therapieën, zoals lokale injectie met corticosteroïden, magnesiumsulfaat of magnesiumlactaat en de diverse medicamenten waaronder ontstekingsremmende medicatie, indomethacine, retinoïden en vitamine K-antagonisten. In sommige situaties wordt gekozen voor chirurgische resectie van het aangedane weefsel. Geadviseerd wordt chirurgische behandeling te plannen op een moment dat het heterotopische bot is uitgerijpt en geen botactiviteit meer vertoont. Hiervoor kan botscintigrafie behulpzaam zijn. In de praktijk betekent dat veelal chirurgische behandeling zal worden uitgesteld 6 tot 12 maanden na aanvang van de eerste klinische symptomen. Ondanks de diverse behandelingsstrategieën wordt in 35% van de gevallen recidief van de afwijking gezien.

Fibrodysplasia ossificans progressiva

Fibrodysplasie ossificans progressiva is een uitermate zeldzame autosomaal dominant overervende aandoening die gekenmerkt wordt door progressieve heterotopische ossificatie van pezen, ligamenten en dwarsgestreept spierweefsel en hiermee gepaard gaande karakteristieke skelettale malformaties.

Klinische aspecten

Congenitale malformatie van de grote tenen, de eerste metatarsale en proximale falanx zijn verkort, is het eerste kenmerk van fibrodysplasia ossificans progressiva en wordt bij nagenoeg alle patiënten bij de geboorte reeds waargenomen (afb. 5). Heterotopische botafzetting vindt plaats vanaf de tienerjaren en volgt in de loop der jaren een karakteristiek anatomisch patroon. Botafzetting begint in de dorsale, axiale, craniale en proximale regionen van het lichamen en breidt zich vervolgens uit naar ventraal, appendiculair, caudaal en distaal. Ten gevolge van de ossificatie van spieren vindt immobiliteit van gewrichten plaats. De meeste patiënten zijn rond het twintigste levensjaar aan een rolstoel gebonden. Pulmonale insufficiëntie ten gevolge van verminderde mobiliteit van de thorax leidt uiteindelijk tot de dood. Exacerbaties van de aandoening kunnen spontaan optreden maar ook het gevolg zijn van beperkt, al dan niet iatrogeen veroorzaakt, trauma.

Afb. 5. Deformatie van beide grote tenen met verkorting van de middenvoetsbeentjes (pijlen).    

Betrokkenheid van het maxillofaciale gebied leidt snel tot permanente verminderde mobiliteit van de mandibula. Dit wordt bij ongeveer 80% van de patiënten voor het achttiende levensjaar waargenomen (Van der Meij et al, 2006).

Röntgenologisch beeld

Op een MRI-scan, CT-scan en botscan kunnen afwijkingen worden waargenomen voordat deze zichtbaar zijn op conventionele röntgenopnamen, zoals een panoramische röntgenopname. Deze afwijkingen zijn vergelijkbaar met de afwijkingen zoals deze voorkomen bij de traumatische myositis ossificans (afb. 6 en 7).

Afb. 6. CT-scan (axiale doorsnede) die botafzetting aan de mediale zijde van de linker arcus zygomaticus in de musculus temporalis toont.

Afb. 7. Conventionele röntgenopname van de hals waarop beiderzijds in het verloop van de musculus sternocleidomastoideus botafzetting wordt gezien.

Differentiële diagnose

Vanwege de grote kans op exacerbatie van de ziekte is een proefexcisie gecontra-indiceerd. Omdat de diagnose in eerste instantie vaak wordt gemist zal hier in veel gevallen toch vaak voor worden gekozen. Op grond van het histopathologisch beeld kan dan onterecht de diagnose agressieve juveniele fibromatose of sarcoom worden gesteld.

Behandeling

Chirurgische behandeling dient te allen tijde vermeden te worden. Er bestaat een groot risico op exacerbatie van de ziekte in het geopereerde gebied. Tijdelijk kan door chirurgische behandeling verhoogde mobiliteit van een gewricht worden verkregen, echter na 2 maanden is door verhoogde botafzetting de mobiliteit van het gewricht beperkter dan voor de chirurgie.

Er bestaat geen etiologische behandeling voor fibrodysplasia ossificans progressiva. In de toekomst zal, omdat het gen en de betreffende mutaties bekend zijn, gerichte therapie wellicht mogelijk zijn.

Omdat de mobiliteit van de mandibula bij veel patiënten reeds op jonge leeftijd beperkt is en tandheelkundige behandeling wordt bemoeilijkt, zal veel aandacht moeten worden besteed aan preventieve tandheelkundige maatregelen.

Corpora aliena

Diverse corpora aliena kunnen zich in de weke delen van het hoofd-halsgebied bevinden en op een conventionele panoramische röntgenopname al dan niet als toevalsbevinding worden waargenomen. Het is niet altijd duidelijk of de wekedelenopaciteit een corpus alienum dan wel heterotopische calcificatie of ossificatie betreft. Voorbeelden van corpora aliena die zich kunnen voordoen als calcificatie of ossificatie zijn intradermaal geïnjecteerde fillers (afb. 8 en 9), metaalpartikels door schotwonden (afb. 10), operatieclips (afb. 11) of achtergebleven contrastvloeistof na sialografie (afb. 12 en 13). Veelal zal bij verdenking op een corpus alienum de anamnese duidelijkheid verschaffen. Soms is aanvullende (CB)CT-scan noodzakelijk om de exacte locatie van de opaciteit vast te kunnen stellen. In het algemeen is verdere behandeling niet geïndiceerd.

Afb. 8. Panoramische röntgenopname met multipele diffuse opake veranderingen geprojecteerd over de mandibula beiderzijds. Bij de patiënt waren intradermaal fillers aangebracht. 

Afb. 9. CT-scan (axiale doorsnede) waarop beiderzijds in het gelaat multipele opake afwijkingen zijn te zien als gevolg van intradermaal geïnjecteerde fillers.

Afb. 10. Multipele opake veranderingen geprojecteerd over de linker ramus mandibulae en de rechter incisura mandibulae ontstaan vanwege in het verleden opgelopen schotwonden.

Afb. 11. In de linker kaakhoek bevinden zich meerdere operatieclips. De vaatclips werden geplaatst op vaatjes van een vrij gerevasculariseerd onderarmstransplantaat in het kader van een reconstructie na verwijdering van een orofarynxcarcinoom.

 Afb. 12. Opaciteit geprojecteerd over regio van gebitselementen 47 en 48 van onbekende origine (a). Bij navraag werd 4 jaar eerder een sialogram van de glandula parotidea aan deze zijde uitgevoerd. De opaciteit berust op achtergebleven contrastvloeistof mogelijk als gevolg van een destijds veroorzaakte fausse route.

Afb. 13a. Diffuse opake veranderingen dorsaal van de linker ramus mandibulae 4 dagen nadat een sialogram van de glandula parotidea werd verricht.

Afb. 13b. Het betreft hier nog niet volledig uitgewassen zich intraductaal bevindende contrastvloeistof. Het 4 dagen tevoren vervaardigde sialogram van de linker glandula parotidea.

Literatuur

  • Alhazmi D, Badr F, Jadu F, Jan AM, Abdulsalam Z. Osteoma cutis of the face in CBCT images. Case Rep Dent 2017; 2017: 8468965.
  • Arends JE, Drillenburg P, Woude van der HJ, Roozendaal KJ, Valk de B. Niet-traumatische ontstane myositis ossificans circumscripta in de M.teres major. Ned Tijdschr Geneeskd 2003; 147: 768-771.
  • Bagga MB, Kumar CA, Yeluri G. Clinicoradiologic evaluation of styloidprocess calcification. Imaging Sci Dent 2012; 42: 155-161.
  • Chabra IS, Obagi S. Evaluation and management of multiple miliary osteoma cutis: case series of 11 patients and literature review. Dermatol Surg 2014; 40: 66-68.
  • Colby C, Del Gaudio J. Stylohyoid complex syndrome: a new diagnostic classification. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 2011; 137: 248-252.
  • Eagle WW. Elongated styloid processes. Report of 2 cases. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1937; 25: 584-587.
  • Elimairi I, Baur DA, Altay MA, Quereshy FA, Minisandram A. Eagle’s syndrome. Head Neck Pathol 2015; 9: 492-495.
  • Fini G, Gasparini G, Filippini F, Becelli R, Marcotulli D. The long styloid process syndrome or Eagle’s syndrome. J Craniomaxillofac Surg 2000; 28: 123-127.
  • Fité-Trepat L, Martos-Fernández M, Alberola-Ferranti M, Romanini-Montecino C, Saez-Barba M, Bescós-Atín C. Myositis ossificans of the masseter muscle: A rare location. Report of a case and review of literature. J Clin Exp Dent 2016; 8: e210-213.
  • Langlais RP, Miles DA, Van Dis ML. Elongation and mineralized stylohyoid ligament complex: a proposed classificationn and report of a case of Eagle’s syndrome. Oral Surg Oral Med Oral Pathol 1986; 61: 527-532.
  • Meij EH van der, Berkhout WER, Sanderink GCH, Visscher JGAM de. Herkenning van wekedelenopaciteiten op een panoramische röntgenopname: dystrofische calcificaties. Ned Tijdschr Tandheelkd 2019a; 126: 79-88.
  • Meij EH van der, Berkhout WER, Sanderink GCH, Visscher JGAM de.Herkenning van wekedelenopaciteiten op een  panoramische röntgenopname:idiopatische calcificaties. Ned Tijdschr Tandheelkd 2019; 126:199-205.
  • Meij van der EH, Becking AG, Waal van der I. Fibrodysplasia ossificans progressiva. An unusual cause of restricted mandibular movement. Oral Dis 2006; 12: 204-207.
  • Safi Y, Valizadeh S, Vasegh S, Aghdasi MM, Shamloo N, Azizi Z. Prevalence of osteoma cutis in the maxillofacial region and classification of itsradiographic pattern in cone beam CT. Dermatol Online J 2016; 15: 22.

Dankwoord

De auteurs danken collega I. ten Hove, mka-chirurg in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, voor het vrijgeven van afbeelding 9.

Lees verder

U heeft geen rechten om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.  

Auteursinformatie

  • E.H. van der Meij1, W.E.R. Berkhout2, G.C.H. Sanderink2, J.G.A.M. de Visscher1,3
  • Uit 1de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van het Medisch Centrum Leeuwarden, 2de afdeling Tandheelkundige Radiologie van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 3 de afdelingen Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie/ Orale Pathologie van het Vrije Universiteit Medisch Centrum/ACTA te Amsterdam
  • Datum van acceptatie: 28 maart 2019
  • Adres: dr. E.H. van der Meij, Medisch Centrum Leeuwarden, Postbus 888, 8901 BR Leeuwarden
  • erik.van.der.meij@znb.nl

Download bij dit artikel