× ABONNEREN

Komvormige defecten in occlusale vlakken van molaren: meer dan alleen erosieve belasting?

  • Inleiding
  • Materiaal en methode
  • Resultaten
  • Discussie
  • Conclusie
  • Literatuur
  • Verantwoording
  • Reacties (0)

Samenvatting

De mechanismen die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van komvormige (cup-shaped) defecten op occlusale tandoppervlakken zijn nog steeds niet geheel duidelijk. Het doel van dit onderzoek was het evalueren van factoren die mogelijk bijdragen aan in vitro cupvorming en om het klinische proces te verklaren. Geëxtraheerde humane molaren werden blootgesteld aan demineraliserende oplossingen met een pH van 4,8 en 5,5, in combinatie met verschillende mechanische belastingprotocollen: geen belasting (0N, controle), 30N of 50N. Voor en na 3 maanden van blootstelling en belasting werden de preparaten gescand met een contactloze profi lometer. Bij pH 4,8 werden verschillen gevonden voor het gemiddelde hoogte- en volumeverlies (p < 0,002). Komvormige laesies ontwikkelden zich alleen bij een pH van 4,8 indien gelijktijdig mechanisch werd belast. Het onderzoek toonde aan dat cupping in glazuur kan ontstaan en dat gelijktijdige zure (lager dan de kritische pH van glazuur) en mechanische belasting van het tandoppervlak hiervoor vereist zijn.

LEERDOELEN
Na het lezen van dit artikel kent u:
- het in vitro effect van het mechanisch belasten van glazuurpreparaten bij verschillende zuurgraden;
- de voorwaarden voor het ontstaan van komvormige defecten op het occlusale vlak.

WAT WETEN WE?
Komvormige defecten (cupping) in occlusale vlakken worden vaak in verband gebracht met tanderosie.
WAT IS NIEUW?
Dit onderzoek toont aan dat een komvormige laesie volledig in het glazuur kan ontstaan waarbij een mechanische belasting naast een erosie een vereiste is.
PRAKTIJKTOEPASSING
Bij het zien van (erosieve) occlusale slijtage moet worden nagegaan welke mechanische belasting (bijvoorbeeld klemmen of knarsen) in combinatie met erosie daarbij een rol speelt.

Inleiding

Erosieve tandslijtage wordt beschreven als een multifactoriële aandoening waarbij chemische en mechanische factoren zijn betrokken. De chemische factor in dit proces wordt erosie genoemd en omvat het oplossen van tandweefsels door zuren met een niet-microbiologische oorsprong. De bron van deze zuren kan extrinsiek zijn (zoals de consumptie van frisdranken, citrusvruchten e.d.) of intrinsiek (reflux of braken) (Jarvinen et al, 1991). De mechanische factoren bij slijtage zijn gerelateerd aan wrijving door tand-tandcontact (attritie) of interactie met andere objecten of substanties, bijvoorbeeld nagelbijten, tandenpoetsen of kauwen (abrasie). Hoewel elk van deze processen tandslijtage kan veroorzaken, zal de etiologie in de meeste gevallen multifactorieel zijn. Attritie/abrasie in combinatie met een erosieve blootstelling van het tandweefsel leidt tot meer weefselverlies (Shellis et al, 2014).

Karakteristieke klinische kenmerken van erosieve slijtage zijn een glad zijdeachtig uiterlijk van het glazuur en het verdwijnen van perikymata, en een lokaal defect in occlusale oppervlakken beschreven als cupping, grooving of cratering (Khan et al, 2001; Lussi et al, 2006; Ganss en Lussi, 2014). Cupping wordt vaak beschreven als pathognomonisch voor erosieve slijtage (Verrett, 2001), maar er is enige discussie over de mechanismen die leiden tot cupping (intermezzo 1). Volgens Mair (1992) worden cups gevormd door versnelde slijtage van het zachtere dentine nadat het glazuur is weggesleten. Dergelijke cups zouden het gevolg zijn van een combinatie van inwerking van zuur en abrasie omdat er geen direct contact mogelijk is met het tegenoverliggende tandoppervlak. Terwijl sommigen menen dat slijtage de belangrijkste factor is (Abrahamsen, 2005), benadrukken anderen de rol van erosie (Mair, 1992). Klinisch is het erg moeilijk om onderscheid te maken tussen het specifieke effect van beide factoren (Ganss et al, 2014). In onze eigen tandheelkundige kliniek werden beginnende cups waargenomen die zich tot het glazuur beperkten, zoals ook is beschreven door Johansson (Johansson et al, 2012). Het doel van dit onderzoek was om in vitro de effecten van verschillende erosieve en mechanische belastingen op het ontstaan van cups op de occlusale vlakken van molaren te onderzoeken, met het specifieke doel cupping te creëren en om te bepalen of cupping zich kan ontwikkelen in het glazuur.

INTERMEZZO 1. CUPPING
Cupping wordt beschreven als het gecombineerde effect van demineralisatie van het tandoppervlak door een zuur en abrasie van het gedemineraliseerde oppervlak door contact met omringende orale zachte weefsels, kauwen van voedsel en tandenpoetsen (Ganss et al, 2006).

Materiaal en methode

Geëxtraheerde humane derde molaren werden geselecteerd, schoongemaakt en bewaard in water. De molaren werden met uitzondering van de kroon ingebed in PMMA (autoplast koudhardende prothesebasismateriaal, Candulor AG). Er werden 48 preparaten gemaakt en vervolgens willekeurig toegewezen aan 1 van de 6 onderzoeksgroepen (n = 8), De preparaten werden blootgesteld aan een demineralisatievloeistof met een pH van 4,8 of 5,5, en aan 1 van de 3 mechanische belastingprotocollen: geen belasting (controle) of mechanische belasting met een kracht van 30N of 50N. De preparaten werden gedurende 3 maanden in de Rub & Roll-simulator (Ruben et al, 2014; Ruben et al, 2018) geplaatst in een demineralisatievloeistof in de buitenste cilinder. Samenstelling van de vloeistof: 0,1 M melkzuur, 1,5 mmol/l CaCl2, 0,9 mmol/l KH2PO4, 10 ml chlooramine 1% en 0,5 ppm fluoride als NaF in gedemineraliseerd water en getitreerd met 10M KOH tot respectievelijk pH 4,8 en pH 5,5. De pH werd elke dag gecontroleerd en de demineralisatieoplossing werd 2 keer per week vervangen of bij een maximale pH-verhoging van 0,2. De mechanische belasting werd uitgevoerd in de Rub & Roll (afb. 1). Dit is een in vitro vermoeiings- en/of slijtage-simulator die een gecontroleerde toepassing van kracht, snelheid, type vloeistof en duur mogelijk maakt, om belastingen na te bootsen die representatief zijn voor de menselijke orale omgeving. De Rub & Roll bestaat uit een container waarin een cilinder met preparaathouder wordt geplaatst die een andere cilinder (rvs staaf omhuld met pvc slang) aandrijft. De staaf roteert in een tegengestelde richting van de draairichting van de motor, rollend over de in de cilinder gemonteerde preparaten. Wanneer de staaf contact met het preparaat maakt, wordt er een vergelijkbare kracht uitgeoefend als tijdens een kauwbeweging in de orale omgeving (afb. 2 en verdiepingstip).

Afb. 1. Binnenaanzicht van de Rub & Roll met uitgesneden vooraanzicht (a), doorsnede AA (b), uitvergroting van preparaat gemonteerd in de cilinder (c): 1. container; 2. preparaatcilinder; 3. preparaathouder; 4. antagonist binnenbuis met pvc slang; 5. uitsparing voor debrispuin en vloeistof 6. deksel; 7. cilinderdeksel.
Afb. 2. Richting van de belasting van het preparaat tijdens rotatie van de cilinder (a). De belasting uitgeoefend op de knobbel tijdens het draaien van de cilinder (b).

De Rub & Roll werd aangedreven met een rotatiesnelheid van 20 rpm, 0,4 Hz, wat resulteerde in 1.422.000 mechanische belastingen die kauwbewegingen simuleerden, toegepast in de axiale richting. Controlegroepen werden niet mechanisch belast, maar werden simultaan in dezelfde cilinder blootgesteld aan de demineralisatie-oplossingen.

Metingen

Vóór en na 3 maanden blootstelling werden op de preparaten met een optische contactloze driedimensionale profilometer hoogtemetingen uitgevoerd (Proscan 2100™). De stapgrootte werd ingesteld op 0,04 mm en de aantal stappen bij 375 in de (X-)as; en 300 in de (Y-)as, wat leidt tot een totaal scanoppervlak van 15 × 12 mm. Met het gebruik van speciale software (Proform™) werden de vóór en na scans (3 maanden) ‘over elkaar’ gelegd en de hoogteverschillen zichtbaar gemaakt. Het gemiddelde hoogteverlies (μm) en het volumeverlies (mm³) van 8 preparaten van iedere groep werden berekend.

Statistische analyse

De gegevens werden statistisch gecontroleerd op een normale verdeling met Shapiro-Wilk-tests. Als aan deze voorwaarde was voldaan, werd een ANOVA met post-hoc Tukey-tests uitgevoerd voor vergelijkingen tussen groepen. De software IBM SPSS Statistics™ (IBM Corp. uitgebracht 2013 IBM SPSS Statistics for Windows, versie 22 Armonk, NY) werd gebruikt voor de berekeningen. Het significantieniveau werd ingesteld op p < 0,05.

Scanningelektronenmicroscopie

Voor scanningelektronenmicroscopie (SEM) werd uit elke groep 1 preparaat geselecteerd. Om met SEM het mogelijk beschadigde bovenoppervlak van de aangetaste occlusale oppervlakken te kunnen onderzoeken werd de smeerlaag zorgvuldig verwijderd met behulp van 1% NaOCl (Wang et al, 2017). De preparaten werden vervolgens aan de lucht gedroogd, waarna met een sputtercoater een coating van enkele nanometers goud werd aangebracht en de preparaten werden geanalyseerd onder een scanningelektronenmicroscoop (Zeiss Sigma 300 veldemissie scanningelektronenmicroscoop), met een vergroting van 50x, 2.000x en 10.000x op het occlusale/transversale aangetaste gebied.

Lichtmicroscopie

Uit elke groep werd 1 preparaat geselecteerd voor lichtmicroscopie. Van elke molaar werd een sectie gezaagd uit het centrale deel van de laesie met een diamantzaag en tot een dikte van 50 µm geslepen om de morfologie van het gedemineraliseerde oppervlak op de glazuurpreparaten te kunnen evalueren (Leica M50 stereomicroscoop uitgerust met een digitale camera Canon EOS1) (De Medeiros et al, 2012).

μCT

Uit de groep met een zuurgraad van 4,8 en 50N-groep werd eveneens 1 preparaat geselecteerd. Het preparaat werd gescand met X-ray microtomografie (Phoenix NanoTom S), om doorsneden van de molaar te maken die kunnen worden gebruikt om een model te creëren om de mineraalverschillen en -verdelingen in het preparaat te kunnen beoordelen.

Resultaten

Het gemiddelde hoogteverlies en het gemiddelde volume weefselverlies na 3 maanden blootstelling voor elke groep is weergegeven in afbeelding 3. Tussen de 3 groepen met verschillende mechanische belastingen (0, 30 en 50 N.) blootgesteld aan pH 5,5 werden geen statistische verschillen gevonden tussen de gemiddelde hoogte (p = 0,926) en het volume (p = 0,843). De 50N-groep bij een pH 4,8 gaf een statistisch significante toename in hoogteverlies (266 ± 101 μm) en volumeverlies (17,8 ± 6,83 mm3) in vergelijking met de 0N-controlegroep, met een hoogteverlies van 135 ± 19 μm en een volumeverlies van 8,7 ± 1,0 mm3 (p < 0,002). Er werd geen statistisch significant effect gevonden voor de 30N-groep vergeleken met de 0N-controlegroep (hoogteverlies p = 0,791, volumeverlies p = 0,496).

 Afb. 3. Gemiddelde volumeverlies (mm3) en gemiddelde hoogteverlies (μm) voor alle onderzoeksgroepen. Standaarddeviaties worden aangegeven evenals de statistische verschillen tussen de groepen.

Cupvormige laesies werden waargenomen bij een pH van 4,8 in de 30N- en 50N-groepen (afb. 4 en 5). In de controlegroep werd bij pH 4,8 minimale slijtage waargenomen op de knobbels (afb. 4, zie 0N). Verschillende kenmerken en/of regio’s kunnen worden onderscheiden in de zwaarder belaste molaren. De komvormige laesies worden gekenmerkt door meerdere holtes en gedeeltelijk overlappende groeven, waardoor op het oppervlak een terrasstructuur wordt waargenomen met een getande laag maar ook (micro)-breuken en structureel weefselverlies (afb. 5). Het glazuur aan de rand van de cup is licht gepolijst (afb. 5a, 5e) en erosieve slijtage van het glazuur kan worden geconstateerd door het zichtbaar worden van key-holes (prisma)structuren (afb. 5f). Separatie van glazuurprisma’s werd direct achter de rand van de cup waargenomen (afb. 5b). In het middelste deel (diepste gebied) van de cup is het materiaalverlies groter. De beschadigde glazuurprisma’s zijn geërodeerd of geabradeerd en gecomprimeerd en er lijkt een smeerlaag te zijn gevormd (afb. 5c, d, g). Een meer uitgesproken smeerlaag is zichtbaar op het 50N-preparaat (afb, 5h, i). Bij een belasting van 50N is de cupvorming in zowel de diepte als het oppervlak groter dan bij 30N, waarbij meerdere cups zich voortzetten tot in het dentine (afb. 5i). Licht- en gepolariseerd-lichtmicroscopie uit de pH 4,8/50N-groep toonde oppervlakte demineralisatie aan (afb. 6, zie deel 2 en 3). Afbeelding 7 toont een μCT-beeld van een vergelijkbaar preparaat. Er kan een gedemineraliseerde laag aan het oppervlak worden waargenomen, waarbij de gedemineraliseerde laag dunner lijkt in de komvormige laesie. Het mineraal onder het belaste deel van de knobbels is geabradeerd en het glazuur lijkt plaatselijk beschadigd te zijn.

Afb. 4. Beelden van een representatief preparaat van elke belastingsgroep (0N, 30N en 50N) blootgesteld aan pH 4,8: lichtmicroscopisch (a); noncontact profilometerscan (b); ‘over elkaar gelegde’ beelden van de profilometer (c). Minimale hoogte verschillen worden waargenomen bij de 0Ngroep en een cupvormig defect is te zien bij de 30N-groep en meer uitgesproken bij de 50N-groep. In het licht microscopische beeld van het 50N-preparaat is op de bodem van de cup dentine waar te nemen.
Afb. 5. SEM-beelden van cup waarvan het preparaat blootgesteld is aan pH 4,8 en een mechanische belasting van 50N (boven, een cup voortgezet tot aan het dentine) en een preparaat blootgesteld aan pH 4,8 en een mechanische belasting van 30N (onder, cup alleen gevormd in het glazuur), overzicht vergroting 50x in de kaders aangegeven van a tot j vergrotingen van gebieden in de cup met vergrotingen van 2000x en 5000x. In de overzichtsfoto’s zijn in de cup meerdere holtes en gedeeltelijk overlappende groeven te zien waardoor een terrasstructuur met een getande laag kan worden waargenomen.
a en e. Het glazuur op de top van de knobbel is licht gepolijst, het glazuur is gedemineraliseerd en het opgeloste materiaal zorgt voor een ‘smerend’ oppervlak resulterend in minder wrijving en schade.
b. Gesepareerde glazuur prisma’s waardoor er een diepere inwerking kan plaatsvinden door zuur.
f. Gepolijste key-hole-stucturen.
c, d en g. Beschadigde prisma’s zijn geërodeerd/geabradeerd en gecomprimeerd en er lijkt een smeerlaag te zijn ontstaan.
h en i. In het diepste gedeelte van de gevormde cup is het oppervlak geërodeerd/geabradeerd en gecomprimeerd, een meer uitgesproken smeerlaag is zichtbaar.
j. Dentine.
Afb. 6. De bovenste rij lichtmicroscopische beelden van een gezonde molaar (links) en na blootstelling van 3 maanden aan pH 4,8 / 50N (rechts), waarbij de lijnen A en B de locatie weergeven van de onderliggende 50μm dikke secties. Lichtmicroscopische beelden (2a en 2b) en gepolariseerd licht (3a en 3b). a. geeft een origineel omlijning weer van de gezonde molaar, b. geeft het gedemineraliseerde buitenoppervlak aan van het glazuur, en c. het diepst gelegen punt van de cup in de richting van de dentineknobbel.
Afb. 7. Representatief preparaat van de pH 4,8 / 50N-groep. Boven: een SEM-opname met een vergroting van 50x en daarvoor een μCT-uitsnede van een doorsnede gemarkeerd door de zwarte lijn. Oppervlakte demineralisatie (a); beschadigd glazuur nabij de knobbeltop (b); glazuur tussen de bodem van de cupvormig defect en de dentineknobbel (c).

Discussie

Dit onderzoek had tot doel de specifieke omstandigheden te onderzoeken naar de ontwikkeling van cupvormige laesies en het ontstaan in tandglazuur aan te tonen. In de huidige opzet kunnen zowel de mechanische als de chemische blootstelling worden gevarieerd en gecontroleerd (Ruben et al, 2014, 2018). Komvormige ‘erosieve slijtage’-laesies werden gevormd in aanwezigheid van een erosieve vloeistof met een pH-waarde van 4,8 bij een gesimuleerde kauwkrachtbelasting van 30 of 50N. De mechanische belasting van de knobbels gebeurde met een klinisch realistische druk en snelheid (vergelijkbaar met de gemiddelde krachten tijdens het kauwproces). In deze in vitro-opstelling werden de molaren gedurende 3 maanden continu blootgesteld aan een zure omgeving, wat afwijkt van de klinische omstandigheden. In de klinische setting zullen de periodes van een erosieve blootstelling van gebitselementen beperkter zijn en worden afgewisseld met periodes van (super) verzadiging, die de vorming van de cup zullen vertragen. Het ontstaan van dergelijke defecten neemt in een klinische situatie meerdere jaren in beslag.

In een pilotonderzoek (niet gepubliceerd) produceerde een erosief medium met een pH-waarde lager dan 4,6 alleen erosieve slijtage van alle blootgestelde vlakken en met facetten op de knobbeltoppen zonder cupping. Bij een pH van 5,5 werden zeer weinig slijtage en geen komvormige glazuurdefecten waargenomen. Om een komvormige laesie te ontwikkelen, moet een balans worden gevormd tussen een mechanische kracht en een zure omgeving, die iets lager moet zijn dan de kritische pH-waarde (± 5,3) van het glazuuroppervlak dat wordt blootgesteld. De kritische pH-waarde van glazuur is niet constant. Door de concentratie van calcium en/of fosfaat in de demineralisatie-oplossing te verhogen, is het mogelijk om de effectieve kritische pH te verlagen, zodat het glazuur bestand is tegen lagere pH-waarden voor demineralisatie (Dawes, 2003; Feather­stone, 2008). In dit onderzoek werd een speekselachtige samenstelling van de demineralisatie-oplossing gebruikt, dus de gebruikelijke kritische pH zoals gedefinieerd voor cariës is hier relevant.

De ontwikkeling van een cup lijkt een zeer delicaat proces te zijn, waarbij een juiste verhouding van erosie (demineralisatie) en abrasieve slijtage cruciaal lijkt. Bij een pH ≤ 4,6 lijkt dit evenwicht te zijn verstoord om specifieke komvormige laesies te ontwikkelen maar treedt er volledig erosieve slijtage op. Wanneer de pH te laag is, kunnen de opgeloste componenten een smerende werking vertonen, wat resulteert in minder wrijving (Eisenburger en Addy, 2002). Een hogere pH kan het glazuur nog steeds eroderen, als er voldoende wrijvingsbelasting is om het glazuur te beschadigen door de glazuurprisma’s te scheiden. Separatie van prisma’s zal een diepe penetratie van het zuur mogelijk maken (Bajaj en Arola, 2009). Door het zuur zal het glazuur oplossen en de interprismatische ruimte toenemen en uiteindelijk zullen de glazuurprisma’s losbreken. De resterende glazuurprisma’s zullen vervolgens in toenemende mate worden blootgesteld aan zijwaartse krachten. Dergelijke krachten hebben een meer ontwrichtend effect dan axiale krachten, vermoedelijk omdat de glazuurprisma’s van de knobbels bestand zijn tegen de groei van scheuren onder het buitenoppervlak van het glazuur (Gao et al, 2016).

Glazuur is het meest gemineraliseerde weefsel in het menselijk lichaam en heeft glazuurprisma’s gerangschikt in een kolomvorm omgeven door een laag van een niet collageenachtige matrix, de prismaschede. De prismaschede bevat een klein percentage proteïne dat het glazuur metaalachtige eigenschappen geeft met een vermogen om repetitieve cyclische contactbelastingen te weerstaan (He en Swain, 2007). Glazuur heeft anisotrope eigenschappen vanwege zijn prismatische structuur, waardoor het glazuur stijver is in de lengterichting van de prisma’s in vergelijking met de loodrechte richting. Zowel de hardheid als de elasticiteitsmodulus zijn hoog, maar variëren sterk binnen de locatie op de tand (Xu et al, 1998). Het glazuur dankt zijn slijtvastheid ook aan zijn breuktaaiheid, die het vermogen heeft de groei van scheuren te weerstaan. Verweven netwerken van prismabundels in glazuur vergroten de weerstand tegen breuken, bekend als decussatie. De weerstand tegen barstgroei is een functie van de afstand tot het tandoppervlak, waar rechte prisma’s aanwezig zijn in het buitenste glazuur en schuin over elkaar lopen van bundels prisma’s (decusserend) in het binnenste glazuur (Bajaj en Arola, 2009). Volgens Lucas en Van Casteren (2015) kunnen barsten (breuken) worden geïnitieerd als voldoende rekkracht beschikbaar is. Een groot en hard deeltje onder het contactgebied kan een breuk in het onderliggende glazuur veroorzaken net boven de glazuur-dentinegrens, hoewel een kleiner en zachter deeltje ook breuken kan veroorzaken als gevolg van buigvervorming verder van het contactgebied.

De belasting in dit onderzoek werd toegepast voornamelijk in de axiale richting in een rollende (niet glijdende) beweging. De antagonist die in dit onderzoek werd gebruikt, bestaat uit een metalen binnenbuis omgeven door een pvc slang die een taaie voedselbolus nabootst. De vorming van cups is duidelijk afhankelijk van de belasting, waarbij hogere belastingen leiden tot diepere komvormige defecten bij dezelfde pH-waarde van de oplossing (afb. 5j). Hoewel het exacte gedrag van de vloeistof, uitgeperst tussen het tandoppervlak en de binnenbuis, en de vervorming van de pvc slang niet duidelijk is, kan worden geconcludeerd dat de combinatie van deze krachten in een zure omgeving een ernstige schade en slijtage teweegbrengt, zoals te zien is bij de verschillende gebieden in het occlusale vlak met de SEM, met gescheiden prisma’s (afb. 5b) en gepolijst glazuur (afb. 5d). Het effect van mechanische belasting in de aanwezigheid van een erosief medium zorgt ervoor dat het zure medium gemakkelijker kan diffunderen (doordringen) in het glazuuroppervlak. Dit proces kan op termijn resulteren in het los raken en volledig uit elkaar vallen van glazuurprisma’s. Op dat moment zullen toenemende laterale krachten (voedselbolus of de vloeistofstroom) optreden op het beschadigde glazuur, resulterend in een verwijding van de cup en opruwing van het omliggende glazuur.

Scheuren die ontstaan aan het glazuuroppervlak en zich naar binnen voortplanten, kunnen door decussering worden ‘omgeleid’, terug naar het oppervlak. De resulterende vorm van de breuk kan variëren met de krachtrichting. Aan de kant waar de mechanische belasting het defect binnendringt (afhankelijk van de tandoriëntatie en draairichting van de Rub & Roll) worden de glazuurprisma’s in de richting van de cup geduwd, waar ze niet worden ondersteund, resulterend in een sneller verlies. Aan de tegenovergestelde ‘uitgangszijde’ van de cup worden de glazuurprisma’s gecomprimeerd en tegen gezond glazuur gedrukt. Het ‘diepste’ punt van de komvormige laesie lijkt zich op de plaats van de oorspronkelijke knobbeltop te bevinden, zich voortbewegend in de richting van het overeenkomstige bovenuitstekende deel van het dentine.

Conclusie

De combinatie van een zure vloeistof (met een lagere pH dan de kritische pH van glazuur) en mechanische belasting resulteerde in vitro in komvormige glazuurdefecten op occlusale vlakken van permanente molaren. Dit onderzoek toonde aan dat een cup volledig in glazuur kan ontstaan.

Literatuur

  • Abrahamsen TC. The worn dentition – pathognomonic patterns of abrasion and erosion. Int Dent J 2005; 55: 268-276.
  • Bajaj D, Arola DD. On the R-curve behavior of human tooth enamel. Biomaterials 2009; 30: 4037–4046.
  • Dawes C: What Is the critical pH and why does a tooth dissolve in acid? J Can Dent Assoc 2003; 69: 722–724.
  • Eisenburger M, Addy M. Erosion and attrition of human enamel in vitro Part I: Interaction effects. J Dent 2002; 30: 341–347.
  • Featherstone JDB: Dental caries: a dynamic disease process. Aust Dent J 2008; 53: 286–291.
  • Ganss C, Lussi A. Diagnosis of erosive tooth wear. Monogr Oral Sci 2014; 25: 22-31.
  • Ganss C, Klimek J, Lussi A. Accuracy and consistency of the visual diagnosis of exposed dentine on worn occlusal/Incisal surfaces. Caries Res 2006; 40: 208–212.
  • Ganss C, Lussi A, Schlueter N. The histological features and physical properties of eroded dental hard tissues. Monogr Oral Sci 2014; 25: 99-107.
  • Gao SS, An BB, Yahyazadehfar M, Zhang D, Arola DD. Contact fatigue of human enamel: Experiments, mechanisms and modeling. J Mech Behav Biomed Mater 2016; 60: 438-450.
  • He LH, Swain MV. Enamel - A “metallic-like” deformable biocomposite. J Dent 2007; 35: 431-437.
  • Jarvinen VK, Rytomaa II, Heinonen OP. Risk Factors in Dental Erosion. J Dent Res 1991; 70: 942-947.
  • Johansson AK, Omar R, Carlsson GE, Johansson A. Dental erosion and its growing importance in clinical practice: from past to present. Int J Dent 2012: 2012: 632907.
  • Khan F, Young WG, Law V, Priest J and Daley TJ. Cupped lesions of early onset dental erosion in young southeast Queensland adults. Aust Dent J 2001; 46: 100-107.
  • Lucas PW, Casteren van C. The wear and tear of teeth. Med Princ Pract 2015; 24 (suppl 1): 3-13.
  • Lussi A, Hellwig E, Zero D, Jaeggi T. Erosive tooth wear: Diagnosis, risk factors and prevention. Am J Dent 2006; 19: 319-325.
  • Mair LH. Wear in dentistry-current terminology. J Dent 1992; 20: 140-144.
  • Medeiros RCG de, Soares JD, Sousa FB de. Natural enamel caries in polarized light microscopy: differences in histopathological features derived from a qualitative versus a quantitative approach to interpret enamel birefringence. J Microsc 2012; 246: 177–189.
  • Ruben JL, Roeters FJM, Montagner AF, Huysmans MCDNJM. A multifunctional device to simulate oral ageing: the “Rub&Roll. J Mech Behave Biomed 2014; 30: 75-82.
  • Ruben JL, Truin GJ, Loomans BAC, Huysmans MCDNJM. Mimicking and measuring occlusal erosive tooth wear with the “Rub&Roll” and non-contact profilometry. J Vis Exp 2018; 132: e56400.
  • Shellis RP, Featherstone JDB, Lussi A. Understanding the chemistry of dental erosion. Monogr Oral Sci 2014; 25: 163-179.
  • Verrett VR. Analyzing the etiology of an extremely worn dentition. J Prosthodont 2001; 10: 224-233.
  • Wang T, Feng XW, Gao YX, Wang M, Wang YN, Sa Y, Jiang T. Effects of different concentrations and exposure time of sodium hypochlorite on the structural, compositional and mechanical properties of human dentin. J Huazhong Univ Sci Technol Med Sci 2017; 37: 568-576.
  • Xu HHK, Smith DT, Jahanmir S, Romberg E, Kelly JR, Thompson VP, Rekow ED. Indentation damage and mechanical properties of human enamel and dentin. J Dent Res 1998; 77: 472-480

Verantwoording

Dit artikel is een verkorte bewerking van het oorspronkelijke artikel: Cupshaped tooth wear defects: more than erosive challenges? Ruben JL, Roeters FJM, Truin GJ, Loomans BAC, Huysmans MDNJM. Caries Res 2019; 53:467-474. doi: http://doi.org/10.1159/000496983.

VERDIEPINGSTIP
Voor de werking van de Rub & Roll zie https://www.jove.com/video/56400/

Dit programma is niet meer geaccrediteerd en kan daarom niet meer worden aangeschaft

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • J.L. Ruben1, F.J.M. Roeters2, G.J. Truin1, B.A.C. Loomans1, M.C.D.N.J.M. Huysmans1
  • Uit 1de afdeling Tandheelkunde van het Radboud universitair medisch centrum in Nijmegen en 2de afdeling Tandheelkundige Materialen van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)
  • Datum van acceptatie: 31 juli 2019
  • Adres: J.L. Ruben, Philips van Leijdenlaan 25, 6525 EX Nijmegen
  • jan.ruben@radboudumc.nl

Download bij dit artikel