× ABONNEREN

Mondzorg bij patiënten in de palliatieve levensfase – ook uw zorg?

  • Inleiding
  • Materiaal en methode
  • Resultaten
  • Discussie
  • Aanbevelingen
  • Literatuur
  • Verantwoording
  • Reacties (0)

Samenvatting

In dit vragenlijstonderzoek is de attitude van tandartsen en studenten tandheelkunde ten aanzien van het verlenen van mondzorg aan palliatieve patiënten bestudeerd. Daarnaast is onderzocht in hoeverre zij betrokken willen worden bij de zorg voor deze patiëntengroep. Uit de resultaten bleek dat beide onderzoeksgroepen relatief weinig affiniteit met palliatieve patiënten hadden. Toch vinden ze mondzorg bij deze groep over het algemeen belangrijk en zijn ze van mening dat tandartsen een rol kunnen spelen bij de levenskwaliteit. Een derde van beide onderzoeksgroepen wil echter zelden betrokken worden bij de mondzorg voor deze patiëntengroep. Daarnaast is ook een derde van de respondenten niet of niet erg bereid om palliatieve patiënten te bezoeken in een verpleeghuis of om huisbezoeken af te leggen. Tandartsen en studenten zijn zich bewust van het belang van mondzorg in de palliatieve levensfase, ze zien het echter (nog) niet zitten om hier zelf verantwoordelijk voor te zijn.

Leerdoelen
Na het lezen van dit artikel:
  • kent u de betrokkenheid van tandartsen en tandheelkundestudenten bij palliatieve patiënten.
Wat weten we
Er is geen literatuur beschikbaar waaruit naar voren komt hoe tandartsen tegenover het verlenen van mondzorg aan palliatieve patiënten staan.

Wat is nieuw
Dit onderzoek betreft een verkenning van de attitude van tandartsen en tandheelkundestudenten ten aanzien van de mondzorgverlening aan palliatieve patiënten.

Praktijktoepassing
Momenteel wordt er vanuit de tandheelkunde weinig aandacht gericht op de palliatieve patiënten. Het onderzoek toont het belang van het benadrukken van palliatieve mondzorg in opleidingen en instellingen.

Inleiding

In 2016 waren in Nederland ruim 3 miljoen mensen (3.085.308) 65 jaar of ouder. Van deze groep was 24% 80 jaar of ouder. De prognose is dat deze aantallen en percentages de komende jaren zullen toenemen (CBS Statline, 2019). Iedereen zal zich ooit in de laatste levensfase begeven. Ondanks het feit dat deze fase in ieders leven onvermijdelijk is, zal deze fase soms ook al op jonge leeftijd zijn intrede doen. Wanneer men precies komt te overlijden is meestal onbekend, dát men overlijdt staat vast. Voor mensen met een ongeneeslijke, vergevorderde en progressieve ziekte is het duidelijk dat zij zich in deze laatste levensfase bevinden. In de literatuur wordt dan gesproken over mensen in de palliatieve of terminale levensfase. Palliatief wordt regelmatig geassocieerd met sterven op korte termijn terwijl de palliatieve fase veel langer kan duren, zelfs meerdere jaren (IKNL, 2014).

In Nederland bestaan teams die zorgdragen voor mensen in de palliatieve levensfase, de zogenoemde palliatieve zorgteams. Deze teams ondersteunen de generalistische zorgverleners en hebben een adviserende rol. Het doel van deze teams is, naast het bereiken van een optimale kwaliteit van leven voor deze patiënten en hun naasten, het voorkomen of zo vroeg mogelijk behandelen van zowel symptomen van de ziekte als van bijwerkingen van de behandeling als ook van mogelijke psychologische, sociale en geestelijke gevolgen van de ziekte en behandeling (Wiseman, 2000; Negi et al, 2016). De palliatieve zorgteams zijn multidisciplinair en kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een internist-oncoloog, longarts, maag-darm-leverarts, verpleegkundig consulent, anesthesioloog, radiotherapeut, huisarts, psychiater en een maatschappelijk werker.

Uit het onderhavige onderzoek bleek dat mondzorgverleners geen deel uitmaken van deze zorgteams terwijl mondgezondheid vaak direct of indirect beïnvloed wordt door de gevolgen van een ongeneeslijke ziekte of de behandeling daarvan (Wiseman, 2000; Wilwert, 2003; Mol, 2010; Ettinger, 2012; Mulk et al, 2014; Thanvi en Bumb, 2014; Negi et al, 2016).

Patiënten in de palliatieve levensfase zijn vaak ontvankelijk voor orale problemen zoals xerostomie, ulceraties, smaakveranderingen, orale candidiasis, cheilitis angularis, stomatitis prothetica, mucositis, verhoogd cariësrisico, dysfagie en droge of pijnlijke lippen (Wiseman, 2000; Wiseman, 2006; Saini et al, 2009).

Deze problemen worden dan ook regelmatig door de palliatieve zorgteams opgemerkt, maar worden vaak niet aangepakt (Gordon et al, 1985; Berkey et al, 1987). Mondzorgverleners zouden daarom een rol kunnen spelen bij de zorg voor patiënten in de palliatieve levensfase en een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van hun levenskwaliteit (Wiseman, 2000; Wilwert, 2003; Wiseman, 2006; Saini et al, 2009; Ettinger, 2012; Wilberg et al, 2012; Mulk et al, 2014; Thanvi en Bumb, 2014; Negi et al, 2016). Niet alleen de handhaving van mondhygiëne heeft impact op de levenskwaliteit, het zorgt er ook voor dat patiënten de functionaliteit van de mond kunnen behouden, waardoor ze nog steeds kunnen eten en spreken (Bhatia en Bhatia, 2009). Het bleek onbekend hoe mondzorgverleners tegenover het verlenen van mondzorg aan patiënten in de palliatieve levensfase staan en of zij betrokken zouden willen worden bij palliatieve zorgteams.

Het doel van dit onderzoek was om deze attitude van de mondzorgverleners in kaart te brengen en te onderzoeken in hoeverre zij betrokken zouden willen worden bij de zorg voor de patiënten in de palliatieve fase. Omwille van de leesbaarheid wordt de term ‘palliatieve patiënten’ gebruikt in plaats van ‘patiënten in de palliatieve levensfase’, waarbij als definitie voor palliatieve levensfase wordt gehanteerd ‘de laatste fase van het leven, waarbij de ongeneeslijke zieke patiënt naar verwachting van de zorgverlener binnen 24 maanden zal overlijden’ (zie ook intermezzo 1).

Intermezzo 1. Definities
Palliatieve levensfase: deze fase begint op het moment dat genezing niet (meer) mogelijk is en kan kort of lang duren; van dagen tot enkele maanden of jaren. Voor markering kan de behandelend arts zichzelf de zogenoemde surprise question stellen (“zou het u verbazen als de patiënt binnen het jaar zou overlijden?)
Palliatieve zorg: een benadering die de kwaliteit van het leven verbetert van patiënten die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening en hun naasten, door het voorkomen en verlichten van lijden, door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van pijn en andere problemen van lichamelijke, psychosociale en spirituele aard.
Terminale levensfase: dit is het laatste stuk van de palliatieve fase, het overlijden valt op afzienbare termijn te verwachten.
Terminale zorg: palliatieve zorg gaat over in terminale zorg als de levensverwachting ongeveer 3 maanden is. (Bron: IKNL, 2014).

Materiaal en methode

Het onderzoek werd uitgevoerd onder tandartsen die aangesloten waren bij het netwerk Tandheelkundig Onderzoek en Praktijk Noord-Nederland (TOP-NN) en onder tandheelkundestudenten die in studiejaar 2017-2018 hun master-1- of master-3-programma volgden aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG).

De tandartsen (n = 59) werden benaderd via e-mail en de studenten (n = 98) via de elektronische leeromgeving Nestor van de RUG. Zij werden gevraagd een digitale vragenlijst in te vullen die was opgesteld met Qualtrics (elektronische enquêtetool). De vragenlijst voor tandartsen bevatte vragen over demografische gegevens als geslacht, leeftijd, opleiding en nascholing, over de definitie van een ‘palliatieve patiënt’ (open vraag), of en zo ja, hoe zij in contact waren gekomen met palliatieve patiënten, over hun affiniteit om met deze en andere patiëntengroepen te werken (rapportcijfer 1-10), en hun wens om al dan niet door het palliatieve zorgteam te worden betrokken. Na het beantwoorden van de open vraag over de definitie van een palliatieve patiënt werd de definitie gegeven zoals hierboven staat vermeld.

De vragenlijst voor studenten betrof een ingekorte versie van de vragenlijst voor tandartsen aangezien onderwerpen als nascholing en samenwerking met andere zorgverleners bij studenten nog niet aan de orde zijn.

Betrokkenheid en proactiviteit werden gemeten door verschillende stellingen aan de respondenten voor te leggen waarbij een 4-puntenschaal (helemaal mee oneens tot helemaal eens) werd gehanteerd. Met betrokkenheid wordt bedoeld in hoeverre tandartsen en studenten zich verbonden voelen met de patiëntengroep en denken dat ze een rol kunnen spelen bij hun mondzorg. Dit laatste werd gemeten door middel van 3 stellingen. Met proactiviteit wordt bedoeld de bereidwilligheid van tandartsen en studenten om de palliatieve patiënten op externe locaties te bezoeken. Dit werd gemeten aan de hand van 2 stellingen (tab. 1). De uitkomsten zijn beschreven aan de hand van frequentieverdelingen en gemiddelde waarden met standaardafwijkingen.

Tabel 1. Overzicht stellingen voor tandartsen (in opleiding) betreffende betrokkenheid en affiniteit bij palliatieve patiënten.

Resultaten

De respons onder tandartsen was 32% (n = 19), 58% van hen was man. De gemiddelde leeftijd was 49 jaar (sd 10,9) en zij hadden gemiddeld 24 jaar werkervaring (sd 9,8). De helft (n = 10) van hen was afgestudeerd in Groningen. De andere helft had de studie tandheelkunde in Amsterdam, Utrecht, Nijmegen of elders afgerond. Van de tandartsen was 95% werkzaam in de algemene praktijk, 4 tandartsen werkten (daarnaast) in een verpleeghuis of centrum voor bijzondere tandheelkunde en 3 in een ziekenhuis. Van de respondenten was 79% uitsluitend algemeen practicus. De anderen werkten als gedifferentieerd tandarts (implantoloog, tandarts gehandicaptenzorg of tandarts geriatrie).

De respons onder de studenten was 56% (n = 55). Hun gemiddelde leeftijd was 24 (sd 1,8) jaar. Van hen was 38% man en 38% van de studenten was master-1-student, 62% was master-3-student.

In het antwoord op de open vraag “Wat verstaat u onder een palliatieve patiënt” had een meerderheid van zowel de tandartsen (95%) als de studenten (87%) enige vorm van het woord ‘terminaal’ opgenomen. Studenten benoemden “het verlichten van lijden en/of pijn” en “het behoud van levenskwaliteit” iets vaker in hun omschrijving dan tandartsen (respectievelijk 58% versus 26% en 21% versus 11%).

Van de tandartsen wist 95% zeker in de afgelopen 12 maanden professioneel contact te hebben gehad met een of meerdere palliatieve patiënten, 5% wist zeker dat niet te hebben gehad.

De meerderheid van de tandartsen (61%) gaf aan nooit scholing te hebben ontvangen op het gebied van palliatieve (mond)zorg, 72% gaf aan meer informatie te willen ontvangen. Ook wensten ze een vraagbaak voor deze specifieke patiëntengroep, ondersteuning of samenwerking vanuit de zorg en handvatten voor het uitvoeren van thuisbehandelingen met eenvoudige middelen.

Tien tandartsen gaven aan benaderd te zijn door andere zorgverleners in de afgelopen 12 maanden. Dit waren huisartsen, mantelzorgers, specialisten ouderengeneeskunde, verpleegkundigen, logopedisten, KNO-artsen, fysiotherapeuten en verpleegkundig specialisten. Het contact had betrekking op alle patiëntgroepen. Redenen voor de zorgverleners om contact op te nemen waren pijnklachten, foci, (mondhygiëne)gedrag, poetsen, gebitsprothesen, eten, foetor ex ore, zorgvraag en wettelijke verplichtingen.

Tandartsen kenden hoge rapportcijfers (variërend van 8,2 tot 8,5) toe aan hun affiniteit met ‘reguliere’ patiënten zoals kinderen, adolescenten en volwassenen (0-64 jaar). Hun affiniteit met ouderen (65+) kreeg een 7,7 en het werken met de ‘bijzondere’ zorggroepen (palliatieve, angstige en gehandicapte patiënten) werd gewaardeerd met cijfers tussen de 6,1 en 7,1, waarbij het werken met palliatieve patiënten met een 6,7 werd gewaardeerd.

Mondzorg werd door 50% van de tandartsen en 27% van de studenten gezien als belangrijke zorg bij palliatieve patiënten. Van de tandartsen was 67% van mening dat de tandarts een bijdrage kan leveren aan de levenskwaliteit van palliatieve patiënten, van de studenten was dat 44%. De meerderheid (95% van de tandartsen en 85% van de studenten) was het in bepaalde mate eens tot zeer eens met de stelling dat een tandarts thuishoort in het palliatieve zorgteam. Op de vraag in hoeverre men betrokken wilde worden bij de mondzorg voor palliatieve patiënten, antwoordde 22% van de tandartsen en 11% van de studenten altijd bij een palliatieve patiënt betrokken te willen worden, 28% van de tandartsen en 34% van de studenten wilden zelden betrokken worden. Van de studenten gaf 2% aan nooit betrokken te willen worden. Op de vraag of men als tandarts betrokken wil worden bij het palliatieve zorgteam antwoordde 67% van de tandartsen en 62% van de studenten zelden tot nooit betrokken te willen worden.

Ongeveer de helft van de tandartsen (47%) had wel eens een huisbezoek (niet per se voor een palliatieve patiënt) afgelegd van wie 67% (n = 6) dit ook in de afgelopen 12 maanden had gedaan.

Op de hypothetische vraag of men bereid zou zijn een palliatieve patiënt in een verpleeghuis te bezoeken, gaf 39% van de tandartsen aan zeer zeker daartoe bereid te zijn, 28% gaf aan waarschijnlijk bereid te zijn en een derde van de tandartsen daar waarschijnlijk niet bereid toe te zijn om redenen als gebrek aan ervaring met prothetiek, daar geen assistentie of goede apparatuur te hebben, er geen tijd voor te hebben of opzien tegen de rompslomp rondom de organisatie en financiële honorering van zo’n bezoek. Ongeveer een derde van de studenten (36%) zou waarschijnlijk geen bezoeken afleggen aan een palliatieve patiënt in een verpleeghuis.

Wat betreft het afleggen van huisbezoeken om mondzorg te verlenen aan palliatieve patiënten gaf 28% van de tandartsen en 17% van de studenten aan zeker bereid te zijn dit te doen en 28% van de tandartsen en 36% van de studenten gaf aan dit waarschijnlijk of zeker niet van plan te zijn.

Discussie

Voor zover bekend is dit het eerste onderzoek naar de betrokkenheid en affiniteit van mondzorgverleners voor patiënten in de palliatieve levensfase. Het onderzoek is uitgevoerd in Noord-Nederland onder tandartsen die aangesloten zijn bij het TOP-NN netwerk en onder studenten tandheelkunde die aan de RUG studeerden. Het onderzoek betrof een klein aantal tandartsen en studenten. Ondanks dat de generaliseerbaarheid van het onderzoek laag is, geven de uitkomsten toch enig inzicht in de affiniteit en houding van tandartsen en studenten ten aanzien van het werken met palliatieve patiënten. Tandartsen en studenten zien het belang in van mondzorg bij palliatieve patiënten, maar ze zijn zeker niet allemaal bereid om zelf bij deze zorg betrokken te zijn of te worden. Over het algemeen zijn personen die vragenlijsten beantwoorden over onderwerpen als deze meer geïnteresseerd in het onderwerp dan anderen. Dat betekent dat door toedoen van een responsbias de hier getoonde resultaten naar alle waarschijnlijkheid een te rooskleurig beeld schetsen. Omdat dit onderzoek een scriptieopdracht was en de omvang behapbaar moest blijven, is het onderzoek niet uitgebreid naar de beroepsgroep van mondhygiënisten en de opleiding mondzorgkunde. Mogelijk zou deze beroepsgroep meer affiniteit en betrokkenheid tonen met deze patiëntengroep gezien hun meer preventiegerichte werkveld.

(Beeld: www.azora.nl)

Uit de antwoorden van de tandartsen en studenten bleek dat zij over het algemeen dachten dat een palliatieve patiënt terminaal ziek is. In de literatuur wordt de term ‘terminaal’ echter meestal gebruikt wanneer de te verwachten levensduur minder dan 3 maanden bedraagt en de palliatieve fase kan veel langer duren, zelfs meerdere jaren. Er lijkt dus onder tandartsen en studenten onduidelijkheid te bestaan over de precieze definitie van ‘patiënten in de palliatieve levensfase’. Dit komt overeen met eerdere onderzoeken waaruit bleek dat er behoefte is aan een gestandaardiseerde definitie (Hui et al, 2012; Hui et al, 2013, Van Mechelen et al, 2013; Hui et al, 2014). Hoewel bij de vraag expliciet vermeld was geen kennisbronnen te raadplegen, is het gebruik daarvan niet uit te sluiten en is hier de parate kennis over de definitie mogelijk enigszins te positief belicht.

Onderzoek onder huisartsen en tandartsen toont aan dat de interactie tussen hen vaak beperkt en moeilijk is, ondanks veel gebieden waar beide beroepsgroepen mee te maken hebben. Zorgverleners, experts op hun eigen gebied, zijn vaak niet op de hoogte van elkaars specialisme (Van der Kwast en Van der Waal, 1980; Holzinger et al, 2016; Sippli et al, 2017). Dit ondersteunt het idee dat zorgverleners niet weten op wat voor manier de tandarts een rol zou kunnen spelen. Ook het feit dat de tandheelkunde anders is georganiseerd en gefinancierd dan andere medische deelgebieden kan meespelen bij deze zelden voorkomende samenwerking. Het verbaast daarom niet dat mondzorgverleners geen deel uitmaken van de palliatieve zorgteams.

Iets meer dan de helft van de tandartsen gaf aan tijdens de opleiding geen onderwijs te hebben ontvangen op het gebied van palliatieve (mond)zorg. De opleiding Tandheelkunde aan de RUG bevat in het huidige curriculum geen onderdeel dat specifiek is gericht op (mondzorg voor) palliatieve patiënten, wel voor kwetsbare ouderen. Ook bij de faculteiten in Amsterdam en Nijmegen komt de palliatieve patiënt niet specifiek in het curriculum voor.

Tandartsen hebben de meeste affiniteit met de ‘normale’ zorggroepen, zoals adolescenten, volwassenen en ouderen. Met de palliatieve patiënt hebben zij minder affiniteit. Het grootste deel van tandartsen en studenten gaf aan mondzorg bij palliatieve patiënten wel belangrijk, maar niet heel belangrijk te vinden. Waarschijnlijk spelen gedachten als “deze patiënten hebben in deze fase met andere problemen en zaken met meer importantie te maken” een rol. Het is onbekend in hoeverre palliatieve patiënten en mantelzorgers de mondzorg zelf van belang achten.

Tandartsen en studenten zijn van mening dat tandartsen een bijdrage kunnen leveren aan de kwaliteit van leven van palliatieve patiënten. Ze vinden ook dat mondzorgverleners bij de palliatieve zorgteams betrokken zouden moeten worden. Ongeveer een derde van zowel de tandartsen als de studenten is van mening dat dat andere mondzorgverleners zouden moeten zijn dan zij zelf. Mogelijk spelen onwetendheid over en onbekendheid met deze patiëntengroep en gebrek aan communicatieve vaardigheden hierbij een rol. Het is interessant om in vervolgonderzoek uit te zoeken wat de precieze redenen zijn waar de huivering uit lijkt voort te komen. Dat de situatie waarin de palliatieve patiënt zich bevindt beladen is, moge duidelijk zijn. De tandartsen wensten een vraagbaak voor deze specifieke patiëntengroep. De Nederlandse Vereniging voor Gerodontologie (NVGd) heeft inmiddels aangegeven te willen fungeren als vraagbaak voor behandeling van palliatieve patiënten.

Ongeveer een derde van de tandartsen en studenten twijfelt om huisbezoeken of bezoeken aan verpleeghuizen af te leggen. Tandartsen staan daar weliswaar iets positiever tegenover dan studenten. De reden hiervoor is mogelijk dat er bij studenten minder bekendheid is over de mogelijkheden om patiënten thuis of in een verpleeghuis te behandelen. Het is een zorgwekkend vooruitzicht dat mondzorgverleners twijfelen over het afleggen van thuisbezoeken. Immers, deze patiënten zijn zelf niet meer in staat om een mondzorgpraktijk te bezoeken en daardoor wordt de mogelijkheid om mondzorg te ontvangen hen dus ontnomen. De noodzaak om deze patiënten te bezoeken zal daarom aan tandartsen en studenten moeten worden uitgelegd. Waar de tegenzin voor het afleggen van bezoeken vandaan komt, is onduidelijk. Onwetendheid, onbekendheid en onervarenheid met de patiëntengroep en daarnaast ook de financiële honorering van zo’n bezoek en bijbehorende administratieve rompslomp lijken een rol te spelen (KNMT, 2018).

Aanbevelingen

Er dient meer bekendheid te worden gegeven aan het onderwerp ‘mondzorg aan patiënten in de palliatieve levensfase’. Niet alleen vanuit het oogpunt van de gezondheidszorg, maar ook vanuit het oogpunt van de palliatieve patiënt. Het is niet bekend waaraan zij behoefte hebben. Er dient onderzoek te worden gedaan naar het belang van mondzorg bij deze patiëntengroep en naar wat er voor nodig is om de mondzorg aan deze patiëntengroep te kunnen leveren. Hoe kunnen mondzorgverleners worden gefaciliteerd om mondzorg aan palliatieve patiënten te verlenen? Daarbij dient uitdrukkelijk ook de beroepsgroep van mondhygiënisten te worden betrokken. In de mondzorg is (na)scholing over patiënten in de palliatieve levensfase gewenst. Om de interdisciplinaire samenwerking te bevorderen is het daarnaast gewenst dat andere zorgverleners op de hoogte zijn van de bijdrage die de mondzorgverleners kunnen leveren aan de zorg voor palliatieve patiënten. Ook hier betreft het scholing van toekomstige zorgverleners maar ook nascholing van huidige zorgverleners.

Literatuur

  • Berkey DB, Ofstehage JC, Crane CA, Malley KJ. Is there a role for dental professionals within hospice programs? JPalliat Care 1987; 3: 35-37.
  • Bhatia V, Bhatia G. Palliative care dentistry – a boon for the elderly. J Palliative Care Med 2012; 2: 1-5.
  • Centraal Bureau voor de Statistiek. Statline. CBS 2019.
  • Duin C van, Stoeldraijer L. Projecties van de gezonde levensverwachting tot 2030. Den Haag/Heerlen: CBS, 2014. (geraadpleegd op 28 september 2018)
  • Ettinger RL. The role of the dentist in geriatric palliative care. J Am Geriatr Soc 2012; 60: 367-368.
  • Gordon SR, Berkey DB, Call RL. Dental need among hospice patients in Colorado: a pilot study. Gerodontics 1985; 1: 125-129.
  • Holzinger F, Dahlendorf L, Heintze C. ‘Parallel universes’? The interface between GPs and dentists in primary care: a qualitative study. Fam Pract 2016; 33: 557-561.
  • Hui D, Mori M, Parsons HA et al. The lack of standard definitions in the supportive and palliative oncology literature. J Pain Symptom Manage 2012; 43: 582-592.
  • Hui D, De La Cruz M, Mori M et al. Concepts and definitions for “supportive care”, “best supportive care”, “palliative care” and “hospice care” in the published literature, dictionaires and textbooks. Support Care Cancer 2013; 21: 659-685.
  • Hui D, Nooruddin Z, Didwaniya N et al. Concepts and definitions for “actively dying,” “end of life,” “terminally ill,” “terminal care,” and “transition of care”: a systematic review. J Pain Symptom Manage 2014; 47: 77-89.
  • Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). Palliatieve zorg in beeld. Utrecht: IKNL, 2014. (geraadpleegd op 22 april 2017)
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT). Thuiswonende oudere en adequate mondzorg: geen vanzelfsprekende combinatie. Utrecht: KNMT Actueel, 17 september 2018. (geraadpleegd op 11 oktober 2018)
  • Kwast WAM van der, Waal I van der. De samenwerking tussen huisarts en tandarts. Ned Tijdschr Geneeskd 1980; 124: 19-22.
  • Mechelen M van, Aertgeerts B, De Ceulaer K et al. Defining the palliative care patient: a systematic review. Palliat Med 2013; 27: 197-208.
  • Mol RP. The role of dentist in palliative care team. Indian J Palliat Care 2010; 16: 74-78.
  • Mulk BS, Chintamaneni RL, Mpv P, Gummadapu S, Salvadhi SS. Palliative dental care – a boon for debilitating. J Clin Diagn Res 2014; 8: 1-6.
  • Nederlands Tijdschrift Voor Tandheelkunde. Tandheelkundig Onderzoek en Praktijk Noord-Nederland (TOP-NN). Houten: NTVT Actueel, 26 augustus 2015.
  • Negi BS, Anjana CM, Balan A, Kumar NR, Haris PS. The role of dentists in palliative care. J Dent Med Sci 2016; 15: 1-4.
  • Saini R, Marawar PP, Shete S, Saini S, Mani A. Dental expression and role in palliative treatment. Indian J Palliat Care 2009; 15: 26-29.
  • Sippli K, Rieger MA, Huettig F. GPs’ and dentists’ experiences and expectations of interprofessional collaboration: findings from a qualitative study in Germany. BMC Health Serv Res 2017; 17: 179.
  • Thanvi J, Bumb D. Impact of dental considerations on the quality of life of oral cancer patients. Indian Jmed Paediatr Oncol 2014; 35: 66-70.
  • Wilberg P, Hjermstad MJ, Otessen S, Herlofson BB. Oral health is an important issue in end-of-life cancer care. Support Care Cancer 2012; 20: 3115-3122.
  • Wilwert M. Should dentists be included as members of the hospice care team? Spec Care Dentist 2003; 23: 84-85.
  • Wiseman MA. Palliative care dentistry. Gerodontology 2000; 17: 49-51.
  • Wiseman M. The treatment of oral problems in the palliative patient. J Can Dent Assoc 2006; 72: 453-458.

Verantwoording

Dit onderzoek werd uitgevoerd in het kader van een masterscriptie-opdracht en beperkte zich tot de beroepsgroep tandartsen en tandartsen in opleiding.
Dit programma is niet meer geaccrediteerd en kan daarom niet meer worden aangeschaft

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • M.A. van der Valk1, A.A. Schuller 1,2, A.K.L. Reyners3
  • Uit 1het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde in het Universitair Medisch Centrum Groningen, 2 de expertisegroep Cariologie van TNO Child Health Leiden en 3de afdeling Interne Geneeskunde en Medische Oncologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Datum van acceptatie: 11 november 2019
  • Adres: mw. M.A. van der Valk, Thorbeckelaan 30, 9722 NC Groningen
  • marlot.vandervalk@gmail.com

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog