× ABONNEREN

Orale graft-versus-hostziekte: implicaties voor mondzorgverleners

  • Inleiding
  • Graft-versus-hostziekte
  • Manifestaties en klachten van orale GVHD
  • Differentiële diagnose
  • Orale complicaties samenhangend met GVHD
  • Behandeling van orale GVHD
  • Ondersteunende zorg in de algemene tandheelkundige praktijk
  • Slot
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

Graft-versus-hostziekte (GVHD) is een ernstige complicatie na allogene stamceltransplantatie, waarbij de mond frequent is aangedaan. Immunologische reactiviteit tegen eigen gezond weefsel ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van GVHD. Chronische orale GVHD kan zich manifesteren in de slijmvliezen en/of de speekselklieren en kan scleroserende veranderingen teweegbrengen het in het hoofd-halsgebied. Patiënten kunnen pijnlijke slijmvliezen, monddroogte, smaakveranderingen en een beperkte mondopening ervaren. Door de pijnlijke slijmvliezen en beperkte mondopening kunnen het uitvoeren van mondhygiëne en tandheelkundige interventies lastig zijn. Immuunsuppressie in combinatie met veranderde speekselproductie verhoogt het risico op infectieuze complicaties, zoals cariës en Candida-infecties. Mondzorgverleners kunnen een belangrijke rol spelen in de preventie van orale complicaties.

Inleiding

Hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) is een frequent gebruikte behandeling voor een aantal ernstige verworven en aangeboren ziekten (Passweg et al, 2019). Zo wordt HSCT vaak ingezet als behandelingsmogelijkheid bij hemato-oncologische indicaties, zoals leukemie, lymfomen, ziekte van Hodgkin en multipele myeloom (ziekte van Kahler).

HSCT wordt gerealiseerd door een transfusie van multipotente hematopoëtische (bloedcelvormende) stamcellen die worden verkregen uit perifeer bloed, navelstrengbloed of uit het beenmerg (Copelan, 2006). Bloedcelvormende stamcellen zijn primitieve, onrijpe cellen, die zich delen om nog meer stamcellen te vormen of die zich ontwikkelen tot leukocyten, erythrocyten of trombocyten (afb. 1).

Afb. 1. Ontwikkeling van verschillende soorten bloedcellen uit een bloedcelvormende stamcel in het beenmerg. (Illustrator: Serge Steenen)

In Europa worden jaarlijks bijna 45.500 HSCT’s uitgevoerd, waarvan ongeveer 60% autoloog en 40% allogeen (Passweg et al, 2019). Met autoloog wordt bedoeld dat de stamcellen afkomstig zijn van de patiënt zelf, terwijl bij een allogene transplantatie de stamcellen afkomstig zijn van een immunologisch geschikte donor (familielid of niet-verwant).

Voorafgaand aan de transfusie van de stamcellen wordt conditioneringstherapie toegediend (Nagler en Shimoni, 2019). Deze therapie bestaat uit een behandeling met hooggedoseerde chemotherapie, soms in combinatie met volledige lichaamsbestraling van 2-14 Gy. Dit myeloablatieve behandelprotocol is zeer toxisch, waardoor zowel kwaadaardige cellen als gezonde bloedcelvormende stamcellen in het beenmerg onherstelbaar worden beschadigd. Er ontstaat dan een pancytopenie. Ook gezonde cellen in andere snel delende weefsels (zoals de orale en gastro-intestinale slijmvliezen) worden beschadigd. De beschadigde stamcellen worden vervangen door de stamcellen afkomstig van het transplantaat (donor of teruggave van eigen stamcellen), die zich nestelen in de beenmergholten en vervolgens weer bloedcellen gaan produceren. Bij allogene HSCT’s worden tegenwoordig ook minder toxische reduced intensity en niet-myeloablatieve conditioneringsprotocollen gebruikt. De verminderde toxiciteit van deze protocollen biedt perspectief voor oudere patiënten (> 55 jaar) en patiënten met comorbiditeit. Het aantal allogene HSCT’s is daardoor de laatste decennia flink toegenomen. Bij deze mildere conditioneringsprotocollen berust het effect vooral op een immunologische reactie van cellen afkomstig van de donor, gericht tegen de kankercellen bij leukemie of andere hematologische maligniteiten.

Bij circa 80% van de patiënten treden na transplantatie orale complicaties op (Bogusławska-Kapała et al, 2017). Bij autologe transplantaties zijn de mondproblemen vooral het gevolg van de toxische conditioneringstherapie. Deze zijn in het algemeen kortstondig en verbeteren meestal zodra er weer gezonde bloedcellen worden gevormd (Raber-Durlacher et al, 2016). Patiënten die een allogene transplantatie ontvangen, ontwikkelen echter vaak complicaties op de korte en lange termijn (Raber-Durlacher en Laheij, 2017; Samim et al, 2019). Bij allogene transplantaties treden acute orale complicaties (zoals pijnlijke orale mucositis, infecties en een droge mond) vooral op bij myeloablatieve conditioneringsbehandeling. Bij mildere vormen van conditionering zijn de mondproblemen op korte termijn meestal relatief gering. Bij alle allogene transplantaties kan zich graft-versus-hostziekte (GVHD) ontwikkelen (Raber-Durlacher en Laheij, 2017).

Graft-versus-hostziekte

GVHD is het gevolg van een immunologische aanval van cellen (voornamelijk cytotoxische T-lymfocyten) afkomstig van de donor (de graft) tegen weefsels van de patiënt (de host). Deze immunologische reactie is gewenst tegen maligne cellen (graft versus tumor/leukemie-effect), maar ongewenst tegen gezonde cellen (Dickinson et al, 2017). Het risico op en de ernst van GVHD kan variëren en hangt af van de mate van histocompatibiliteit tussen donor en ontvanger, de wijze van oogsten van de stamcellen, het aantal toegediende donor-T-lymfocyten en de leeftijd van de patiënt (hoger risico bij oudere patiënten). Ook is de kans op GVHD groter bij een vrouwelijke donor en een mannelijke ontvanger. Het succes van preventieve behandeling met immunosuppressiva is ook van belang. GVHD gaat gepaard met verminderde kwaliteit van leven en kan levensbedreigend zijn.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen acute (< 100 dagen) en chronische vormen van GVHD (> 100 dagen) (Lee, 2017). Een strikte indeling op basis van verstreken tijd is echter verlaten, omdat de tijd door nieuwe behandelstrategieën zoals donorlymfocytinfusie kan variëren en zich ook mengvormen kunnen voordoen (overlapsyndroom) (Lee, 2017). Tegenwoordig zijn de klinische manifestaties bepalend. Bij acute GVHD zijn de huid, de lever en de darmen het meest aangedaan; bij chronische GVHD zijn de huid, de mond, de lever, de ogen en de longen frequent aangedaan (Flowers et al, 2002). Manifestaties van chronische GVHD ontwikkelen zich bij 30-50% van de patiënten, meestal in het eerste jaar post-HSCT. Deze kunnen ontstaan vanuit acute GVHD, maar chronische GVHD kan zich ook de novo ontwikkelen, soms enige jaren (tot ongeveer 7 jaar) na de transplantatie. De prognose is onvoorspelbaar; soms duurt het jaren tot chronische GVHD uitdooft. Bij chronische GVHD ontstaan bij ongeveer 80% van de patiënten orofaciale en dentale klachten (Treister et al, 2012). Deze vorm is daarom het relevantst is voor mondzorgverleners.

Manifestaties en klachten van orale GVHD

Meestal komt orale chronische GVHD voor in combinatie met GVHD op andere plaatsen in het lichaam, maar de mond kan ook de enige plaats van manifestatie zijn (Raber-Durlacher, 2009; Fall-Dickson et al, 2019). Orale mucosale GVHD wordt beschreven als een lichenoïde ontsteking die resulteert in pijnlijke orale en gingivale slijmvliezen (afb. 2, tab. 1) (Carpenter et al, 2015; Raber-Durlacher en Laheij, 2017). Er kunnen dan erytheem, witte hyperkeratotische reticulaties en ulceraties, al dan niet bedekt door een pseudomembraan, worden waargenomen. Hoewel orale GVHD zich overal in en om de mond kan manifesteren, zijn de tong, buccale mucosa en lippen voorkeursplaatsen.

19ntvt101 02

Afb. 2. Ernstige graft-versus-hostziekte met hyperkeratotische plaques op de tongrug.

De klachten spelen vooral op bij het eten en spreken, waarbij ulceraties pijnlijk zijn en de orale mucosa branderig kan aanvoelen. Hierbij hoeft niet altijd sprake te zijn van zichtbare veranderingen. Deze pijn kan worden getriggerd door gekruid of zuur eten en drinken, en alcohol- en tandpastagebruik. Daarnaast hebben veel patiënten last van smaakveranderingen.

Patiënten met GVHD kunnen ook kampen met beschadiging van de speekselklieren, wat hyposalivatie (te weinig speekselvorming) en xerostomie (gevoel van droge mond) tot gevolg heeft (tab. 1) (Imanguli et al, 2010; Carpenter et al, 2015). Deze vorm lijkt veel op Sjögren-syndroom. Bij GVHD van de kleine speekselklieren kunnen ook oppervlakkige mucokèles ontstaan die opkomen bij het eten en in veel gevallen daarna weer verdwijnen. Chirurgisch ingrijpen is meestal niet nodig.

In tegenstelling tot orale mucosale GVHD worden symptomen met betrekking tot disfunctie van de speekselklieren minder snel klinisch herkend (Elad, 2015). Speeksel heeft diverse, onmisbare functies. Zo speelt speeksel een belangrijke rol bij slikken, spijsvertering, smaak, spraak, remineralisatie van glazuur, pH-balans, het intact houden van de mucosa en bescherming tegen orale infecties. Naast GVHD kunnen veel medicamenten die patiënten krijgen toegediend na HSCT bijdragen aan een droge mond.

Door GVHD en toegediende immunosuppressiva zijn deze patiënten verhoogd vatbaar voor infecties, waarbij schimmelinfecties en reactivering van latent aanwezige virusinfecties het frequentst voorkomen.

Bij enkele patiënten ontwikkelt zich een scleroserende GVHD (tab. 1). Deze vorm is geassocieerd met ernstige morbiditeit. Symptomen en kenmerken zijn: ontsteking, pijn en fibrosering van de huid en/of mucosa en bindweefselstructuren (Elad et al, 2015). Door fibrosering in het hoofd-halsgebied ervaren patiënten trismusklachten en een (fors) beperkte mondopening (Raber-Durlacher et al, 2009; Raber-Durlacher en Laheij, 2017).

Tabel 1. Klinische manifestaties en symptomen van chronische orale mucosale graft-versus-hostziekte (GVHD), GVHD van de speekselklieren en sclerotische orale GVHD (Carpenter et al, 2015; Treister et al, 2012).

Differentiële diagnose

De differentiële diagnose voor de lichenoïde ontsteking veroorzaakt door orale GVHD omvat lichen planus, schimmelinfectie, chronisch wangbijten, goedaardige migratoire glossitis, leukoplakie en plaveiselcelcarcinoom (Carpenter et al, 2015). Het risico op leukoplakie en plaveiselcelcarcinoom is verhoogd bij de aanwezigheid van orale GVHD (of een historie van GVHD) en hangt samen met de immuunsuppressie veroorzaakt door GVHD zelf of de behandeling daarvan met immunosuppressiva (Treister et al, 2012). Vaak is het lastig maligne veranderingen te herkennen bij ernstige lichenoïde of ulcererende orale GVHD. Bij verdenking op maligniteiten is het verstandig te verwijzen naar een mka-chirurg, bij voorkeur in het transplantatiecentrum.

GVHD kan zich ook presenteren met ulceraties op de slijmvliezen. Deze ulceraties kunnen lijken op afteuze stomatitis, auto-immuun mucosale ziekten, reactivatie van herpessimplexvirus (ondanks profylaxe), fototoxiciteit van voriconazol of een maligniteit. Ulceraties die lijken op aften kunnen ook ontstaan na mTOR-gerichte immunosuppresieve medicatie zoals sirolimus, die patiënten bij de behandeling kunnen krijgen toegediend (Elad et al, 2015; Raber-Durlacher en Laheij, 2017). Ciclosporine, ook een immunosuppressief middel, kan gingivahyperplasie tot gevolg hebben (afb. 3). Een verminderde leverfunctie en de aanwezigheid van GVHD elders in het lichaam kan helpen bij het diagnosticeren van orale GVHD en vice versa.

Afb. 3. Ciclosporinehyperplasie van de gingiva. Een zeer strikte mondhygiëne kan dit verbeteren.

Orale complicaties samenhangend met GVHD

Patiënten met GVHD van de speekselklieren hebben door verminderde en veranderde speekselproductie en immuunsuppressie een verhoogd risico op secundaire infectieuze complicaties, zoals schimmelinfecties. Ook is het risico op cariës verhoogd. De predispositieplaatsen voor cariës zijn cervicaal en interproximaal, waar tandplaque makkelijk accumuleert. Verminderde speekselproductie, cariogene voeding, een slechte mondhygiëne vanwege pijn en overgevoeligheid voor tandpasta’s en een eventueel beperkte mondopening dragen bij aan deze vaak snel voortschrijdende vorm van cariës (afb. 4) (Raber-Durlacher et al, 2009). Omgekeerd zijn er aanwijzingen dat orale infecties (zoals candidiasis, cariës, gingivitis en parodontitis) en een slechte mondhygiëne GVHD kunnen triggeren en in stand kunnen houden. Het is belangrijk dat deze patiënten herhaaldelijk worden geattendeerd op het belang van frequente controles en een niet-cariogeen dieet, en worden ondersteund bij bereiken van een optimale mondhygiëne om de microbiële belasting zo gering mogelijk te houden.

Afb. 4. Snel progressieve cariës bij patiënt met ernstig verkleinde mondopening ten gevolge van scleroserende graft-versus-hostziekte.

Hyposalivatie kan slijtage van de gebitselementen versnellen (Villa et al, 2014). Gebitselementen worden scherp, met als gevolg dat de slijmvliezen worden geïrriteerd in een reeds droge mond. Door het overmatig afslijten en het verloren gaan van gebitselementen door cariës kunnen occlusiestoornissen en kaakgewrichtsklachten ontstaan. Smaakstoornissen kunnen ook het gevolg zijn van GVHD. De smaak kan veranderen, verminderen of zelfs geheel verdwijnen (Treister et al, 2012). De precieze oorzaak hiervan is niet bekend, mogelijk spelen neurotoxische effecten van GVHD of de behandeling met chemotherapie een rol. Deze smaakstoornissen kunnen worden verergerd door hyposialie of medicatie.

Patiënten met GVHD ondervinden vaak moeilijkheden met spreken en slikken doordat de bewegelijkheid van de tong en de wangen is verminderd door zowel mucosale als scleroserende GVHD. Ook deze orale functies worden bemoeilijkt door hyposalivatie. Soms is ook de farynx en de oesophagus aangedaan door GVHD, waarbij er vernauwingen ontstaan die slikken en de passage van voedsel bemoeilijken.

Het risico op het ontwikkelen van orale maligniteiten is aanzienlijk verhoogd na allogene HSCT (Rizzo et al, 2009). Patiënten met GVHD (of een historie van GVHD) hebben een vergrote kans op het ontwikkelen van een plaveiselcelcarcinoom, ook vele jaren na de transplantatie (Rizzo et al, 2009; Majhail et al, 2014; Elad et al, 2015; Treister et al, 2012). De ernst en de duur van de immuunsuppressie dragen bij aan het verhoogde risico. Mondzorgverleners moeten hierop bedacht zijn en dienen de orale slijmvliezen 2 keer per jaar te inspecteren op abnormaliteiten (Majhail et al, 2014; Carpenter et al, 2015). Roken en overmatig alcoholgebruik dienen sterk te worden afgeraden. Slechte mondhygiëne en de aanwezigheid van onbehandelde parodontitis hebben mogelijk ook invloed op de ontwikkeling van orale maligniteiten. Tevens is het beschermen van de lippen tegen de zon aan te bevelen.

Behandeling van orale GVHD

Symptoombestrijding en de preventie en management van secundaire complicaties zijn het doel van de behandeling van orale GVHD (tab. 2). De behandeling bestaat uit applicatie van lokale immunosuppressiva, meestal als aanvulling op de al bestaande systemische behandeling. Wanneer GVHD alleen in de mond-/keelholte voorkomt, volstaat vaak lokale behandeling met immunosuppressiva (Raber-Durlacher et al, 2016). Deze geneesmiddelen worden in principe voorgeschreven door de hematoloog, de verpleegkundig specialist (met receptuurbevoegdheid voor gebruikelijke medicatie binnen het specialisme) of de mka-chirurg. Bij lokale applicatie van corticosteroïden of andere immunosuppressiva komen Candida-infecties vaak voor. Antischimmelprofylaxe kan daarom zijn geïndiceerd bij patiënten met hyposialie of eerdere orale schimmelinfecties. Behandeling met antischimmelmedicatie kan op het klinisch beeld worden voorgeschreven, maar bij voorkeur na overleg met het GVHD-behandelteam in het transplantatiecentrum gezien het risico op interacties.

Tabel 2. Praktijkrichtlijnen ondersteunende zorg bij orale graft-versus-hostziekte in de algemene tandheelkundige praktijk.

De tandarts-algemeen practicus en de mondhygiënist kunnen een belangrijke rol spelen bij de ondersteunende zorg, die bestaat uit het signaleren en de preventie van mondproblemen samenhangend met orale GVHD.

Ondersteunende zorg in de algemene tandheelkundige praktijk

Tot voor kort adviseerden hematologen de patiënt vaak het eerste jaar post-HSCT de tandarts of mondhygiënist niet te bezoeken in verband met de verminderde afweer. In een position paper geschreven door multidisciplinaire experts wordt echter aanbevolen dit standpunt te verlaten (Elad et al, 2015). Het is wenselijk dat na HSCT frequente tandheelkundige controles en mondhygiënische behandelingen plaatsvinden, in het eerste jaar of bij het ontstaan van orale GVHD liefst elke 3 à 4 maanden, later kan de frequentie naar behoefte worden aangepast. Extra alertheid is aangewezen op het verhoogde risico op plaveiselceltumoren. Daarnaast is aandacht geboden voor de verhoogde infectiekans, vooral schimmelinfecties.

Bij ontkalkingen van de vrije vlakken en de cervicale regio van gebitselementen dient men bedacht te zijn op snel voortschrijdende cariës (ook interproximaal) en is het geïndiceerd om vaker röntgenopnamen te maken. Monddroogte en verandering in de samenstelling van speeksel (onder andere verminderde IgA-concentratie) in combinatie met het moeilijker uitvoeren van mondhygiëne resulteert in een hoog cariësrisico (Majhail et al, 2014). Bij deze patiënten is het advies 1 keer per jaar bitewing-röntgenopnamen te maken (Poorterman, 2015).

De mondzorgverlener kan niet-invasieve behandelingen in principe zonder voorbehoud uitvoeren, maar moet uiteraard wel rekening houden met de beperkingen van de patiënt. Bij urgente invasieve tandheelkundige behandelingen bij een patiënt met orale en/of gegeneraliseerde GVHD is overleg met de behandelend hematoloog, de mka-chirurg of ziekenhuistandarts in het transplantatiecentrum aangewezen.

Bij kinderen die een HSCT hebben ontvangen, moet extra worden opgelet. Bij HSCT op jonge leeftijd is er vaak sprake van langetermijneffecten op de gebitsontwikkeling en de kaakgroei (Van der Pas-van Voskuilen, 2010).

Bij prednisongebruik dient bij invasieve behandelingen vooraf met de voorschrijvende arts te worden overlegd (stressprotocol). Ook kan langdurige behandeling met prednison leiden tot osteopenie, osteoporose en problemen met wondgenezing (De Bruyn, 2012). Dit verhoogt de kans op kaakfracturen en mogelijk ook op verergering van parodontitis (Kendler et al, 2018). Veel patiënten worden behandeld met orale bisfosfonaten of andere antiresorptieve middelen; afhankelijk van de duur van het gebruik van deze geneesmiddelen (> 4 jaar) moet rekening worden gehouden met een risico op kaakbotnecrose. Dit kan spontaan ontstaan bij parodontitis, bij slecht passende prothesen of na invasieve behandelingen zoals extracties of chirurgie (NVMKA, 2015). Dit risico is vooral verhoogd bij patiënten met multipele myelomen, waarbij antiresorptieve middelen intraveneus worden toegediend als onderdeel van de oncologische behandeling. Deze patiënten worden echter meestal met een autologe HSCT behandeld.

Het is belangrijk dat patiënten worden geïnformeerd over het belang van goede mondhygiëne, waar tweemaal daags poetsen, interdentale reiniging en professionele tandheelkundige gebitsreiniging onder vallen. Patiënten met orale GVHD ervaren vaak intense gevoeligheid van de slijmvliezen veroorzaakt door de natriumlaurylsulfaat en smaakstoffen in tandpasta. Milde tandpasta’s zonder natriumlaurylsulfaat zijn dan geïndiceerd, zoals Zendium® of Elmex®.

Patiënten hebben vaak een veranderde smaak (Scordo et al, 2018). Zuur, scherp gekruid of hard eten en drinken wordt vaak vermeden. Het kan daardoor lastig zijn voor patiënten om uit eten te gaan en een gevarieerd voedingspatroon te hebben. Deze patiënten hebben er vaak baat bij om naar een diëtist te worden verwezen.

Symptomen van droge mond worden bestreden door gels, sprays en spoelingen, en stimulatie met suikervrije kauwgom. Systemische therapie, zoals pilocarpine, kan mogelijk ook de speekselproductie bevorderen (Treister et al, 2012). Pilocarpine is echter gecontra-indiceerd bij hartritmestoornissen en bepaalde oog- en longafwijkingen; overleg met de behandelend arts is daarom noodzakelijk.

Slot

HSCT is een behandeling die perspectief biedt voor de genezing van verschillende vormen van hematologische maligniteiten. De toename van het aantal allogene HCST’s leidt tot een toename van het aantal patiënten dat orale GVHD ontwikkelt. Deze patiënten kunnen makkelijk uit het oog worden verloren in de algemene tandheelkundige praktijk, wat voorkomen moet worden. De tandarts en de mondhygiënist kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan ondersteunende nazorg voor deze patiënten, bij voorkeur in samenwerking met de behandelend hematoloog, mka-chirurg en/of de ziekenhuistandarts.

Centraal hierbij staat de kennis van complicaties die kunnen optreden en de preventie van deze complicaties. Het handhaven van goede mondhygiëne, palliatie van drogemondklachten, cariëspreventie en diagnostiek van orale infecties en nieuwe tumoren zijn van groot belang. Complicaties kunnen worden beperkt door zorgvuldige, frequente controles en handhaving van een goede mondhygiëne. Intensieve begeleiding draagt bij aan de kwaliteit van leven van deze patiënten na de transplantatie.

Literatuur

  • Bogusławska-Kapała A, Hałaburda K, Rusyan E, Gołąbek H, Strużycka I. Oral health of adult patients undergoing hematopoietic cell transplantation. Pre-transplant assessment and care. Ann Hematol 2017; 96: 1135-1145.
  • Bruyn LD de. Beschouwingen over het gebruik van corticosteroïden in de dentoalveolaire chirurgie. Ned Tijdschr Tandheelkd 2012; 119: 425-430.
  • Carpenter PA, Kitko CL, Elad S, et al. National Institutes of Health Consensus Development Project on Criteria for Clinical Trials in Chronic Graft-versus-Host Disease: V. The 2014 Ancillary Therapy and Supportive Care Working Group Report. Biol Blood Marrow Transplant 2015; 21: 1167-1187.
  • Copelan EA. Hematopoietic stem-cell transplantation. N Engl J Med 2006; 354: 1813-1826.
  • Dickinson AM, Norden J, Li S, et al. Graft-versus-leukemia effect following hematopoietic stem cell transplantation for leukemia. Front Immunol 2017; 8: 496.
  • Elad S, Raber-Durlacher JE, Brennan MT, et al. Basic oral care for hematology-oncology patients and hematopoietic stem cell transplantation recipients: a position paper from the joint task force of the Multinational Association of Supportive Care in Cancer/International Society of Oral Oncology (MASCC/ISOO) and the European Society for Blood and Marrow Transplantation (EBMT). Support Care Cancer 2015; 23: 223-236.
  • Fall-Dickson JM, Pavletic SZ, Mays JW, Schubert MM. Oral complications of chronic graft-versus-host disease. J Natl Cancer Inst Monogr 2019; 53: lgz007.
  • Flowers ME, Parker PM, Johnston LJ, et al. Comparison of chronic graft-versus-host disease after transplantation of peripheral blood stem cells versus bone marrow in allogeneic recipients: long-term follow-up of a randomized trial. Blood 2002; 100: 415-419.
  • Imanguli MM, Atkinson JC, Mitchell SA, et al. Salivary gland involvement in chronic graft-versus-host disease: prevalence, clinical significance, and recommendations for evaluation. Biol Blood Marrow Transplant 2010; 16: 1362–1369.
  • Kendler DL, Body JJ, Brandi ML, et al. Bone management in hematologic stem cell transplant recipients. Osteoporos Int 2018; 29: 2597-2610.
  • Lee SJ. Classification systems for chronic graft-versus-host disease. Blood 2017; 129: 30-37.
  • Majhail NS, Rizzo JD, Lee SJ, et al. Recommended screening and preventive practices for long-term survivors after hematopoietic cell transplantation. Bone Marrow Transplant. 2012; 47: 337–341.
  • Nagler A, Shimoni A. Conditioning. In: Carreras E, Dufour C, Mohty M, Kröger N (eds).The EBMT handbook: hematopoietic stem cell transplantation and cellular therapies. Leiden: Springer, 2019.
  • Nederlandse Vereniging voor Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie (NVMKA). Richtlijn Medicatie gerelateerde osteonecrose van de kaak (MRONJ). Epe: NVMKA, 2015.
  • Pas-van Voskuilen IGM van der. Langetermijneffecten op de gebitsontwikkeling na stamceltransplantatie. Ned Tijdschr Tandheelkd 2010; 117: 331-335.
  • Passweg JR, Baldomero H, Basak GW, et al. European Society for Blood and Marrow Transplantation (EBMT). The EBMT activity survey report 2017: a focus on allogeneic HCT for nonmalignant indications and on the use of non-HCT cell therapies. Bone Marrow Transplant 2019; 10: 1575-1585.
  • Poorterman JHG. Indicatie voor en frequentie van intraorale röntgenopnamen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2015; 122: 272-278.
  • Raber-Durlacher JE, Borne PA von dem, Stokman MA, Gortzak RAT. Hematopoëtische stamceltransplantaties en orale problemen. Ned Tijdschr Tandheelkd. 2009; 116: 330-335.
  • Raber-Durlacher JE, Laheij AMGA. Mondzorg bij kankerpatiënten. Quality Practice Mondhygiëne 2017; 9: 11-16.
  • Raber-Durlacher JE, Slief RIC, Geuke M, Hazenberg MD. Chronische orale graft-versus- hostziekte. Quality Practice Tandheelkunde 2016; 11: 22-28.
  • Rizzo JD, Curtis RE, Socié G, et al. Solid cancers after allogeneic hematopoietic cell transplantation. Blood 2009; 113: 1175-1183.
  • Samim F, Ten Böhmer KL, Koppelmans RGA, Raber-Durlacher JE, Epstein JB. Oral care for hematopoietic stem cell transplantation patients: a narrative review. Oral Health Prev Dent 2019; 17: 413-423.
  • Scordo M, Shah GL, Peled JU, et al. Unlocking the complex flavors of dysgeusia after hematopoietic cell transplantation. Biol Blood Marrow Transplant 2018; 24: 425-432.
  • Treister N, Duncan C, Cutler C, Lehmann L. How we treat oral chronic graft-versus-host disease. Blood 2012; 120: 3407-3418.
  • Villa A, Connell CL, Abati S. Diagnosis and management of xerostomia and hyposalivation. Ther Clin Risk Manag 2014; 11: 45-51.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • I.I. Raghoebar1, J.E. Raber-Durlacher1,2, A.M.G.A. Laheij1, F.R. Rozema1,2
  • Uit 1de afdeling Orale Geneeskunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 2de afdeling Mondheelkunde, Kaak-en Aangezichtschirurgie, locatie AMC/UvA, van het Amsterdam UMC.
  • Datum van acceptatie: 25 november 2019
  • Adres: mw. dr. J. E. Raber-Durlacher, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • j.raber.durlacher@acta.nl

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog