× ABONNEREN

Organisatie en financiering van de curatieve zorg

Door op 07-06-2019
  • Inleiding
  • Mondzorg in het Nederlandse zorgstelsel
  • Ordening van markten in de gezondheidszorg
  • Gereguleerde marktwerking bij de verplichte basisverzekering
  • Marktwerking is geen wondermiddel
  • Overheidsbemoeienis is onmisbaar
  • Collectieve financiering
  • Tot slot
  • Literatuur
  • Verantwoording
  • Verdiepingstips
  • Reacties (0)

Inleiding

De grote waarde die gezondheid voor ons heeft, maakt de gezondheidszorg tot een bijzondere sector waar terecht veel aandacht naar uitgaat. Vanuit economisch perspectief luidt een belangrijke vraag: hoe kan deze sector zodanig worden georganiseerd dat iedereen toegang heeft tot zorg van een goede kwaliteit terwijl tegelijkertijd ook de betaalbaarheid voldoende in acht wordt genomen? In dit artikel, dat mede is gebaseerd op de oratie van Varkevisser (2019), wordt op hoofdlijnen de organisatie en bijbehorende financiering van de curatieve gezondheidszorg in Nederland besproken. De gereguleerde marktwerking en collectieve financiering van deze deelsector is ook relevant voor een deel van de mondzorg.

Mondzorg in het Nederlandse zorgstelsel

De basis van het Nederlandse zorgstelsel wordt gevormd door de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet (Ministerie van VWS, 2016). Van deze zogeheten stelselwetten is voor de mondzorg de Zvw veruit het belangrijkst. Op grond van de Zvw is iedereen die in Nederland woont of werkt verplicht om een basisverzekering af te sluiten. De inhoud en omvang van het wettelijk verzekerde basispakket wordt vastgesteld door de overheid. Hiertoe behoort alle medisch noodzakelijke zorg en die moet voor iedereen toegankelijk zijn. Het Zorginstituut Nederland vervult op dat vlak een belangrijke adviserende rol. Hoewel het basispakket, zeker ook in internationaal perspectief bezien, als omvangrijk kan worden getypeerd, is de mondzorg hiervan een beperkt onderdeel. Alleen voor jongeren tot 18 jaar worden de meeste kosten voor mondzorg volledig vergoed op grond van de Zvw. Naast een jaarlijkse preventieve controle maken ook de meest voorkomende behandelingen – zoals het verwijderen van tandsteen, fluoridebehandelingen en het restaureren van cariëslaesies – voor jongeren tot 18 jaar deel uit van de basisverzekering. Voor volwassenen vanaf 18 jaar geldt dit alleen voor chirurgische mondzorg, uitneembare gebitsprothesen en bijzondere mondzorg. Een bezoek aan een tandarts of mondhygiënist behoort voor de volwassenen dus niet tot de basisverzekering. Men kan hiervoor op vrijwillige basis een aanvullende zorgverzekering afsluiten. De overheid bemoeit zich niet met deze verzekeringen. De verzekeraars bepalen zelf welke zorg hier wel of geen deel van uitmaakt. Ook de premiestelling en polisvoorwaarden worden niet van overheidswege gereguleerd. Anders dan bij de basisverzekering is bij aanvullende verzekeringen dus geen sprake van afgedwongen solidariteit. In 2018 waren 14,3 miljoen verzekerden (83,7%) aanvullend verzekerd en van hen had 72% een dekking voor mondzorg (NZa, 2018). Binnen de aanvullende verzekeringen zijn mondzorg en paramedische zorg veruit de grootste kostenposten: van de in totaal uitgekeerde vergoedingen was 45% voor mondzorg en ging 29% naar paramedische zorg (Vektis, 2018). Voor de mensen die geen aanvullende verzekering met een dekking voor mondzorg hebben afgesloten geldt dat zij de kosten van mondzorg volledig uit eigen zak moeten betalen.

Ordening van markten in de gezondheidszorg

In algemene zin geldt dat in Nederland, net als in verschillende andere landen (bijvoorbeeld Siciliani et al, 2017), bij de organisatie van gezondheidszorg in toenemende mate gebruikgemaakt wordt van marktprikkels. Dit betekent dat voor de afstemming van vraag en aanbod van zorg niet langer wordt vertrouwd op gedetailleerde aanbod- en prijsregulering door de overheid. De ervaringen hiermee zijn, zo laat de volgende paragraaf zien, namelijk niet onverdeeld positief geweest. In plaats daarvan speelt onderlinge concurrentie een steeds belangrijkere rol. Zorgaanbieders hebben aanzienlijke vrijheden gekregen en dienen nu veel meer dan in het verleden te wedijveren om de gunst van patiënten en zorgverzekeraars. Veel prijzen zijn niet langer vooraf vastgesteld, maar onderhandelbaar tussen zorgaanbieders en verzekeraars. Inkomsten zijn niet langer gegarandeerd in de vorm van vaste budgetten, maar prestatieafhankelijk geworden. Deze marktwerking vormt natuurlijk geen doel op zich. Het is een middel om te komen tot betere zorg tegen de juiste prijs.

Dit is echter geen vanzelfsprekendheid, want de zorg is geen gewone markt. De gezondheidszorg heeft veel specifieke kenmerken die maken dat wat economen “de onzichtbare hand van de markt” noemen zeker niet tot optimale uitkomsten leidt. Helaas geldt dat strakke regulering van de gezondheidszorg evenmin een wondermiddel is. Zo kampt de overheid deels met precies dezelfde informatieproblemen die ook de marktwerking parten spelen. Ook is bij de politieke besluitvorming sprake van tekortkomingen, zoals beïnvloeding door belangengroepen en een focus op snelle kortetermijnoplossingen die gedreven wordt door incidenten. Het is niet voor niets dat zelfs in de van oudsher zeer sterk staatsgestuurde Engelse National Health Service (NHS) de afgelopen 25 jaar verschillende vormen van marktwerking zijn geïntroduceerd. Een bespreking van deze opeenvolgende hervormingen is te vinden in het interessante overzichtsartikel van Propper (2018).

Niet alleen de onzichtbare hand van de markt schiet dus tekort, maar ook aan de kant van de overheid is sprake van falen. Wat is dan nu de meest geschikte wijze van marktordening in de gezondheidszorg? Een eenvoudig en eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. Ook al niet omdat de gewenste marktordening in de gezondheidszorg medebepaald wordt door tijd- en plaatsgebonden maatschappelijke opvattingen over solidariteit, keuzevrijheid, welvaart en gezondheid.

Cartonist: B.J. Vonk

Gereguleerde marktwerking bij de verplichte basisverzekering

Nederland heeft van oudsher een zorgstelsel met veel particulier initiatief – in de vorm van private zorgaanbieders en private zorgverzekeraars – maar dan wel in combinatie met strakke overheidsregulering. Deze regulering begon in de loop van de tijd, door een toename van de bureaucratie en groeiende wachtlijsten als gevolg van rantsoenering, steeds meer te knellen. Al vanaf het begin van de jaren 1990 is daarom in de Nederlandse gezondheidszorg stapsgewijs meer marktwerking geïntroduceerd. Er was sprake van een “stille revolutie in ziekenfondsland” (Van de Ven, 2015).

De politieke discussie over een fundamentele herziening van het curatieve zorgstelsel kwam in een stroomversnelling op het moment dat het toenmalige tweede kabinet-Kok (ook wel ‘Paars II’ genoemd) in de zomer van 2001 “een samenhangende visie” presenteerde “op basis waarvan de komende jaren de noodzakelijke vernieuwing van het Nederlandse zorgstelsel kan plaatsvinden”. In deze nota met de veelzeggende titel ‘Vraag aan bod’ werden de belangrijkste tekortkomingen van het destijds sterk door de overheid gedomineerde zorgstelsel op de volgende wijze kernachtig samengevat (Tweede Kamer, 2001):

“Een belangrijke tekortkoming in het huidige zorgstelsel is dat het onvoldoende aan de vraag van patiënten en cliënten tegemoetkomt. Deze tekortkoming uit zich in een aantal knelpunten, zoals beperkte keuzemogelijkheden, onvoldoende samenhang en gebrekkige aansluiting van aanbod op vraag (kwalitatief en kwantitatief).”

“De gezondheidszorg is op dit moment nog vooral een aanbiedersmarkt. (…) Het tegenspel van patiënten, verzekeraars of concurrerende aanbieders is beperkt. De klantgerichtheid van de zorgsector is beperkt, mede omdat het systeem tekortschiet in het bevorderen van innovatie en flexibiliteit. (…) De mogelijkheden van verzekeraar, zorgaanbieder en consument om tot afstemming van het aanbod op de vraag te komen, zijn beperkt. De ervaring leert dat het gedrag van deze partijen sterk door regels is gestuurd. Dit draagt er niet toe bij dat zij uit zichzelf of met elkaar naar oplossingen zoeken.”

Het was daarna het kabinet-Balkenende II dat in haar regeerakkoord koos voor een fundamentele herziening van het zorgstelsel waarbij “eigen verantwoordelijkheid en initiatief van partijen in de zorg” voorop kwam te staan (Tweede Kamer, 2003):

“De centrale aanbodsturing is vastgelopen en wordt zo snel als verantwoord is vervangen door gereguleerde marktwerking.”

Per 1 januari 2006 is vervolgens de reeds genoemde Zorgverzekeringswet (Zvw) ingevoerd. Een historische mijlpaal, omdat met de komst van deze voor iedereen verplichte basisverzekering het jarenlange onderscheid tussen particuliere en ziekenfondsverzekerden verviel. De stelselherziening resulteerde daarnaast in de vorming en hervorming van 3 onderling samenhangende markten: de zorgverleningsmarkt, de zorgverzekeringsmarkt en de zorginkoopmarkt (afb. 1). De marktwerking op elk van deze 3 markten kan als volgt worden samengevat:

1. Op verschillende zorgverleningsmarkten kunnen patiënten vrij kiezen uit de aanwezige zorgaanbieders. Wel kan aan bepaalde keuzen een (hoger) prijskaartje hangen als een bepaalde zorgaanbieder niet door hun verzekeraar is gecontracteerd. In 2018 had iets meer dan 13% van de verzekerden (2,3 miljoen mensen) in ruil voor een lagere premie een polis met minder keuze uit gecontracteerde aanbieders en een beperkte vergoeding bij het gebruik van niet-gecontracteerde zorg (NZa, 2018).

2. Op de nationale zorgverzekeringsmarkt mag iedere Nederlander die dat wenst 1 keer per jaar van zorgverzekeraar en/of basisverzekeringspolis wisselen. De laatste jaren ligt het overstappercentage tussen de 6% en 7%.

3. Op verschillende zorginkoopmarkten onderhandelen zorgverzekeraars met zorgaanbieders over welke zorg van de basisverzekering tegen welke voorwaarden wordt geleverd. Zij zijn daarbij niet verplicht om met iedere aanbieder een contract overeen te komen. Het is de totstandkoming van deze zorginkoopmarkt die kenmerkend is voor de ingrijpend veranderde rolverdeling in de Nederlandse gezondheidszorg. Kort gezegd is het niet langer de overheid die de prijzen, hoeveelheden en capaciteit van zorgaanbieders vaststelt maar dient dit nu hoofdzakelijk te gebeuren via decentrale contractonderhandelingen van aanbieders met zorgverzekeraars. In hun hoedanigheid als kritische zorginkopers, die oog moeten hebben voor zowel de kwaliteit als de kosten van zorg, hebben de verzekeraars daarmee feitelijk de regierol van de overheid overgenomen.

Afb. 1. De 3 samenhangende markten in de gezondheidszorg.

Marktwerking is geen wondermiddel

Het is van belang om te erkennen dat marktwerking in de gezondheidszorg geen wondermiddel is tegen alle kwalen (Barros et al, 2016). Bij verkeerd gebruik brengt het zelfs serieuze risico’s met zich mee, zoals is gebleken uit het experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg. Om te komen tot “een toename van de ondernemerszin, meer zorginhoudelijke kwaliteit, meer innovatie, en een groter productassortiment” startte op 1 januari 2012 een experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg. Dit werd zeker geen onverdeeld succes. Integendeel, er ontstond al vrij snel veel onrust over gestegen prijzen. Op 5 juli 2012 nam de Tweede Kamer uiteindelijk een motie aan met het verzoek om het experiment met vrije prijsvorming per 1 januari 2013 te beëindigen. Aldus geschiede en inmiddels is in de mondzorg alweer enige jaren sprake van regulering, inclusief door de Nederlands Zorgautoriteit (NZa) vastgestelde maximumtarieven. In de kern is het mislukte experiment met vrije prijsvorming in de mondzorg een schoolvoorbeeld van ‘haastige spoed is zelden goed’. Dat wil zeggen, er is destijds door de minister van VWS besloten om de bestaande regulering los te laten terwijl nog onvoldoende werd voldaan aan de voorwaarden voor een goed functionerende marktwerking, te weten transparantie van prijzen en kwaliteit (Den Blijker, 2012). De eerder door de NZa (2009) gesignaleerde risico’s werden hierdoor bij uitstek relevant: “Over de mate waarin vrije prijsvorming op de markt voor mondzorg het consumentenbelang goed kan borgen bestaat echter wel onzekerheid. De belangrijkste risico’s zijn hierbij het gebrek aan transparantie, mogelijke regionale schaarste (toetredingsdrempels), de doorverwijsrol van de tandarts en de inkooprol van de consument.” Volgens de NZa beschikken tandartsen, mede omdat zij voor de patiënt vaak het directe aanspreekpunt zijn en een (informele) doorverwijsfunctie hebben, “over een betere marktpositie” dan bijvoorbeeld orthodontisten of mondhygiënisten. Een interessante beleidswetenschappelijke reconstructie van dit mislukte experiment, op basis van interviews en beleidsdocumenten, is te vinden in Felder et al (2018).

Overheidsbemoeienis is onmisbaar

Vanwege de onwenselijkheid van vrije marktwerking in de gezondheidszorg is ondanks de toegenomen ruimte voor marktwerking op elk van de hierboven genoemde zorgmarkten nog steeds sprake van stevige overheidsbemoeienis in de vorm van wet- en regelgeving (Varkevisser en Schut, 2016). Zo worden patiënten op de zorgverleningsmarkt onder andere beschermd door wettelijke opleidingseisen en bewaakt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de veiligheid en kwaliteit van de zorg. Ook op de markt voor basisverzekeringen gelden tal van regels die tot doel hebben om misstanden te voorkomen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de verplichting voor zorgverzekeraars om iedereen voor de basisverzekering te accepteren en het verbod om bij het berekenen van de nominale zorgpremie rekening te houden met de gezondheidsverschillen die tussen mensen bestaan. Voor Nederlanders zijn deze acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie vanuit het oogpunt van solidariteit volstrekt vanzelfsprekend. In tal van andere landen, bijvoorbeeld de Verenigde Staten, is dat echter niet het geval. Het is voor mensen met hoge zorgkosten dan simpelweg onmogelijk om tegen een betaalbare premie een, zeker voor hen broodnodige, zorgverzekering af te sluiten.

Op de zorginkoopmarkt is een belangrijke rol weggelegd voor toezicht op eerlijke concurrentie, het zogeheten mededingingstoezicht. Het is voor patiënten en premiebetalers essentieel dat de concurrentie in de zorg adequaat wordt beschermd. Misbruik van een te sterke machtspositie bij de zorgaanbieders kan bijvoorbeeld leiden tot onnodig hoge prijzen, onvoldoende aandacht voor kwaliteit en het weren van innovatieve toetreders. Misbruik van een te sterke machtspositie bij de inkopende zorgverzekeraars kan onder andere leiden tot een verschraling van de kwaliteit en aanbod van zorg en een gebrek aan bereidheid om een innovatief zorgaanbod te contracteren. Hoewel dit veelal anders wordt gepercipieerd, is de feitelijke machtspositie van de Nederlandse zorgverzekeraars over het algemeen zwakker dan hun grote marktaandelen suggereren (Schut en Varkevisser, 2016). Dit geldt vooral bij de basisverzekering waar zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht hebben en zij, als gevolg van het zogeheten ‘hinderpaalcriterium’, de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg niet of nauwelijks mogen beperken.

Collectieve financiering

De stevige overheidsbemoeienis met de gezondheidszorg is ook duidelijk zichtbaar in de financiering ervan. Met 79,7 miljard euro is de zorg in 2019 na de sociale zekerheid (81,8 miljard euro) de op één na grootste uitgavenpost op de rijksbegroting (totaal 295 miljard euro). Omdat vanuit het oogpunt van solidariteit is gekozen voor een voor iedereen verplichte basisverzekering – gezonde verzekerden betalen zodoende zonder uitzondering mee aan de zorg voor ongezonde verzekerden – wordt de door de overheid als medisch noodzakelijk bestempelde curatieve zorg in zeer sterke mate collectief gefinancierd. De totale bruto-uitgaven voor zorg die behoort tot de Zvw bedragen dit jaar 50,4 miljard, waarvan slechts 3,1 miljard (6,2%) wordt gefinancierd in de vorm van eigen betalingen. Zoals reeds opgemerkt maakt mondzorg beperkt deel uit van de collectief gefinancierde basisverzekering. In 2019 is voor de uitgaven aan de collectief gefinancierde eerstelijns mondzorg in de begroting van het ministerie van VWS een bedrag van 791 miljoen euro gereserveerd. Dat komt neer op 13% van de totale uitgaven aan eerstelijnszorg. Alleen aan de huisartsenzorg (3,0 miljard euro) en paramedische zorg (828 miljoen euro) wordt binnen deze deelsector meer uitgegeven. De kosten voor de collectief gefinancierde tweedelijns mondzorg maken deel uit van de medisch-specialistische zorg (22,8 miljard euro) en zijn niet afzonderlijk in de begroting terug te vinden.

Als gevolg van het geringe aandeel eigen betalingen worden de kosten van de curatieve zorg die tot het wettelijk verzekerde basispakket behoort vrijwel volledig gefinancierd door de verplichte, en door de overheid vastgestelde, inkomensafhankelijke premie en de nominale zorgpremie. Deze laatstgenoemde premie wordt door de verzekeraars zelf bepaald en is daarmee belangrijk voor hun onderlinge concurrentie. De collectieve financiering van onze gezondheidszorg heeft natuurlijk grote voordelen, maar kent ook een keerzijde. Omdat feitelijk sprake is van een ‘geoormerkte belasting’ zorgt iedere stijging van de zorguitgaven namelijk voor lastige (politieke) dilemma’s. Daar waar in het verleden budgettering en rantsoenering het beproefde recept voor uitgavenbeheersing in de gezondheidszorg vormden, is dit in het huidige zorgstelsel met gereguleerde marktwerking niet meer mogelijk. In het geval van sterke groeiende zorguitgaven resteert in de curatieve zorg derhalve eigenlijk een keuze tussen een kleiner basispakket, hogere eigen betalingen of een combinatie van beide. Het mag duidelijk zijn dat dergelijke maatregelen voor politici, vanuit electorale overwegingen, weinig aanlokkelijk zijn.

Helaas is ook het verder laten oplopen van de zorgpremie geen aantrekkelijke route. Dit brengt namelijk 2 serieuze risico’s met zich mee. Ten eerste leidt een toename van de zorgpremie vanwege het verplichte karakter tot een toename van de collectievelastendruk en daarmee tot een afname van het vrij besteedbare inkomen van mensen. Heel kort door de bocht geredeneerd zorgt dit voor hogere looneisen – en dus hogere loonkosten – of een afname van het arbeidsaanbod omdat werken minder oplevert. Beide mechanismen hebben een remmend effect op de economische groei. Ten tweede leidt een toename van de zorgpremie ertoe dat een extra beroep wordt gedaan op de onderlinge solidariteit. Hoewel de bereidheid om mee te betalen aan de zorg voor anderen in Nederland onverminderd hoog is (Nivel, 2018), is het niet vanzelfsprekend dat dit bij een toenemend beroep op de solidariteit zo blijft.

De stijgende zorguitgaven zorgen er daarnaast voor dat, wanneer zowel ‘remmende’ maatregelen als premiestijgingen uitblijven, binnen de rijksbegroting relatief steeds minder ruimte overblijft voor andere nuttige collectieve uitgaven. Ook de belastingdruk kan immers niet oneindig worden verhoogd. Door deze (dreigende) verdringing worden de zorguitgaven ook wel getypeerd als een ‘koekoeksjong’. Deze metafoor werd ruim 8 jaar geleden geïntroduceerd door de inmiddels emeritus-hoogleraar Flip de Kam (2010) en is nog onverminderd relevant: “Dit verdringingsproces, waarbij de zorgsector als een koekoeksjong steeds meer uitgaven voor andere bestemmingen uit het warme nest van het collectieve budget werkt, kan natuurlijk niet eindeloos doorgaan. Ook voor andere essentiële overheidstaken – openbaar bestuur, zeeweringen, politie, onderwijs, en zo meer – moeten de nodige middelen beschikbaar blijven. Daarom vormt doeltreffende beheersing van de collectieve zorguitgaven een van de grootste opgaven.”

Gezien de hierboven genoemde risico’s is het dan ook niet voor niets dat beheersing van de collectief gefinancierde zorguitgaven altijd hoog op de politieke agenda staat. Het vorige kabinet is erin geslaagd om de trendmatige groei van de collectieve zorguitgaven fors terug te brengen. Dit is te danken aan een combinatie van maatregelen waaronder een ingrijpende hervorming van de langdurige zorg, effectieve inkoop van geneesmiddelen door zorgverzekeraars, beperkte loon- en prijsstijgingen, een aanzienlijke verhoging van eigen betalingen voor de burger en een effectieve beperking van de kosten van ziekenhuiszorg via zogeheten ‘hoofdlijnenakkoorden’. In deze akkoorden werd door de overheid met het zorgveld een maximale stijging van de totale uitgaven afgesproken.

Inmiddels is duidelijk dat de gematigde groei van de collectieve zorguitgaven zoals die de afgelopen jaren zichtbaar was ook een keerzijde heeft. Zo lopen de wachttijden in de ziekenhuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en langdurige zorg steeds verder op. Ook zijn er toenemende zorgen over de kwaliteit van de ouderenzorg en de hoogte van de eigen betalingen. Mede door de sterk verbeterde conjunctuur heeft het huidige kabinet ervoor gekozen om – naast de investeringen in onderwijs en in veiligheid en defensie – aanzienlijk meer geld uit te trekken voor de gezondheidszorg (afb. 2). Hoewel met het regeerakkoord de zorguitgaven iets minder snel groeien dan zonder het regeerakkoord, kan worden betwijfeld of het kabinet-Rutte III voldoende doet om de betaalbaarheid van de zorg op langere termijn te kunnen garanderen (Schut et al, 2017). Een uitbreiding van de mondzorg in de basisverzekering lijkt dan ook uiterst onwaarschijnlijk.

Afb. 2. Ontwikkeling zorguitgaven in vergelijking met de overheidsuitgaven aan sociale zekerheid, onderwijs en veiligheid & defensie (index 2006 = 100) (Bron: Miljoenennota 2019).

Tot slot

Hoewel uit recente internationale vergelijkingen blijkt dat het Nederlandse zorgstelsel prima resultaten kan overleggen (OECD/European Observatory on Health Systems and Policies, 2017; RIVM, 2018), staat het model van gereguleerde marktwerking voor een belangrijke test. Als gevolg van de gekozen rolverdeling is het vanuit het perspectief van de collectief gefinancierde zorguitgaven cruciaal dat de zorgverzekeraars zich bij basisverzekering namens alle patiënten én (gezonde) premiebetalers de komende jaren in steeds sterkere mate gaan opstellen als inkopers van goede en betaalbare gezondheidszorg. Mede gezien het gebrek aan objectieve kwaliteitsindicatoren is dit voor hen geen eenvoudige opdracht. Recent onderzoek onder bestuursvoorzitters, zorginkopers en marketeers van de Nederlandse zorgverzekeraars laat zien dat deze bij de contractonderhandelingen met aanbieders worstelen met hun inkooprol (Stolper et al, 2019). Ook bij de mondzorg, zo blijkt bijvoorbeeld uit de onrust die begin dit jaar ontstond naar aanleiding van het zelf inkopen van tandheelkundige implantaten door VGZ (Skipr, 2019), doen zich fricties voor. Voor het functioneren van het Nederlandse zorgstelsel is het juist cruciaal dat zorgaanbieders en verzekeraars elkaar bij de contractering steeds beter gaan vinden (Van der Geest et al, 2017). Dit geldt vooral voor de basisverzekering, maar eveneens voor de voor mondzorg belangrijke aanvullende verzekeringen. Een toename van het onderlinge vertrouwen is hiervoor dringend gewenst. Hoewel dit ook binnen de mondzorg natuurlijk primair ‘van onderaf’ moet gaan gebeuren, kan de overheid langs 2 wegen een bijdrage leveren. Ten eerste moet scherp worden toegezien op ongelijke machtsverhoudingen en het mogelijke misbruik ervan door verzekeraars of zorgaanbieders. Ten tweede is en blijft het nodig om, in nauwe samenwerking met de zorgpartijen zelf, stug door te werken aan kwaliteitstransparantie en innovatieve waardegedreven bekostigingsmethoden.

Literatuur

  • Barros PP, Brouwer WBF, Thomson S, Varkevisser M. Competition among health care providers: helpful or harmful? Eur J Health Econo 2016; 17: 229-233.
  • Blijker J den. Woede over smoren tandartsexperiment misplaatst.Trouw, 7 juli 2012.
  • Felder M, Bovenkamp H van de, Bont A de. Politics of policy learning: evaluating an experiment on free pricing arrangements in Dutch dental care. Evaluation (Lond) 2018; 24: 6-25.
  • Geest SA van der, Rijken JJ, Schut FT, Varkevisser M. Beleidsopties voor het stimuleren van gunstige zorgcontracten onder de restrictie van een macrobudget. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam/AKD, 2017. 
  • Kam F de. Een koekoeksjong in Den Haag. NRC Handelsblad, 20 november 2010. Ministerie van VWS. Het Nederlandse zorgstelsel, Den Haag: Ministerie van VWS, 2016.
  • Nivel. Solidariteit in de zorg: een onderzoek naar de bereidheid om voor anderen te betalen onder de algemene bevolking in 2013, 2015 en 2017. Utrecht: Nivel, 2018.
  • NZa. Visiedocument bekostigingstructuur mondzorg. Utrecht: NZa, 2009.
  • NZa. Monitor zorgverzekeringen 2018. Utrecht: NZa, 2018.
  • OECD/European Observatory on Health Systems and Policies. Nederland: Landenprofiel Gezondheid 2017, State of Health in the EU. Brussel/Paris: OECD Publishing/European Observatory on Health Systems and Policies, 2017.
  • Propper C. Competition in health care: lessons from the English experience. Health Econ Policy Law 2018; 13: 492-508.
  • RIVM. Het Nederlandse gezondheidszorgsysteem in internationaal perspectief. Bilthoven: RIVM, 2018.
  • Schut FT, Varkevisser M. Hebben zorgverzekeraars teveel macht? NedTijdschr Geneeskd 2016; 160: D1133.
  • Schut FT, Varkevisser M, Geest SA van der. Vertrouwen in de toekomst van de zorg? TPE digitaal 2017; 11: 21-25.
  • Siciliani L, Chalkley M, Gravelle H. Policies towards hospital and GP competition in five European countries. Health Policy 2017; 121: 103-110.
  • Skipr. Tandartsen boos om inkoopbeleid VGZ. Skipr, 8 februari 2019. Geraadpleegd op www.skipr.nl
  • Stolper KCF, Boonen LHHM, Schut FT, Varkevisser M. Managed competitionin the Netherlands: do insurers have an incentive to steer on quality? Health Policy 2019; 123: 293-299.
  • Tweede Kamer. Vernieuwing van het zorgstelsel: nota ‘Vraag aan bod’. Vergaderjaar 2000-2001, 27855, nr. 2. Den Haag: Tweede Kamer, 2001.
  • Tweede Kamer. Kabinetscrisis en -formatie: hoofdlijnenakkoord voor een kabinet van CDA, VVD en D66. Vergaderjaar 2002-2003, 28637, nr. 19. Den Haag: Tweede Kamer, 2003.
  • Varkevisser M, Schut FT. Marktordening in de gezondheidszorg. In Schut FT, Varkevisser M (red.). Economie van de gezondheidzorg. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2016.
  • Varkevisser M. Hand in hand: op zoek naar de juiste balans tussen marktwerking en overheidsingrijpen in de gezondheidszorg. Inaugurele rede. Rotterdam: ESHPM / Erasmus Universiteit Rotterdam, 2019.
  • Vektis. Zorgthermometer verzekerden in beeld 2018. Zeist: Vektis, 2018.
  • Ven WMM van der. Het beste zorgstelsel? Afscheidscollege. Rotterdam:Erasmus Universiteit Rotterdam, 2015.

Verantwoording

Dit artikel is mede gebaseerd op de inaugurele rede die prof. dr. M. Varkevisser op vrijdag 18 januari 2019 uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Marktordening in de Gezondheidszorg aan Erasmus School of Health Policy & Management (ESHPM) van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Verdiepingstips

Varkevisser M. Hand in hand: op zoek naar de juiste balans tussen marktwerking en overheidsingrijpen in de gezondheidszorg. Inaugurele rede. Rotterdam: ESHPM / Erasmus Universiteit Rotterdam, 2019.

Propper C. Competition in health care: lessons from the English experience. Health Econ Policy Law 2018; 13: 492-508.

Felder M, Bovenkamp H van de, Bont A de. Politics of policy learning: evaluating an experiment on free pricing arrangements in Dutch dental care. Evaluation (Lond) 2018; 24: 6-25 .


Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • M. Varkevisser
  • Uit de School of Health Policy & Management (ESHPM) van de Erasmus Universiteit Rotterdam
  • Datum van acceptatie: 25 maart 2019
  • Adres: prof. dr. M. Varkevisser, ESHPM, Bayle Building, kamer 8.61, postbus 1738, 3000 DR Rotterdam
  • varkevisser@eshpm.eur.nl

Download bij dit artikel