× ABONNEREN

Serie: Communicatie in de tandartspraktijk. Motiveren tot gedragsverandering

Door op 01-03-2019
  • Inleiding
  • Determinanten van gedrag
  • Motiverende gespreksvoering
  • Motivationele fasen
  • Slotopmerkingen
  • Literatuur
  • Verantwoording
  • Reacties (0)

Leerdoelen:
Na het lezen van dit artikel hebt u:
- inzicht in hoe tandartsen met behulp van motiverende gespreksvoering gedragsdeterminanten kunnen beïnvloeden om de mondgezondheid van hun patiënten te verbeteren;
- kennis van de determinanten die gedrag bepalen.

Inleiding

De meeste problemen die tandartsen in de algemene praktijk tegenkomen, zijn het gevolg van ontoereikend mondgezondheidsgedrag van patiënten. Zo kan het zijn dat de mondhygiëne van de patiënt te wensen over laat, de patiënt rookt of dat hij een, voor het gebit schadelijk, voedingspatroon heeft. Denk daarbij ook aan andere gewoontes zoals het openen van plastic verpakkingen met de tanden, duimzuigen en het niet dragen van een mondbeschermer bij hoog-risicosporten. In de rol van zorgverlener is het de taak van een tandarts zijn patiënt over de schadelijkheid van dit gedrag te informeren, hem voor te lichten over hoe hij zijn gedrag kan veranderen en hem daarin te begeleiden.

Veranderen van gedrag is moeilijk. Gewoontes zijn ingesleten en het kost patiënten moeite om ander gedrag aan te leren. Dit artikel tracht enig inzicht te geven in hoe tandartsen met behulp van motiverende gespreksvoering gedragsdeterminanten kunnen beïnvloeden om de mondgezondheid van hun patiënten te verbeteren.

Determinanten van gedrag

Voordat de tandarts begint met pogingen om gedrag van zijn patiënt te veranderen, zal hij moeten uitzoeken of er werkelijk een relatie is tussen het gedrag van de patiënt en het bij de patiënt waargenomen of te verwachten gezondheidsprobleem. Zo kan bijvoorbeeld erosie het gevolg zijn van drinken van veel frisdranken en vruchtensappen maar ook van maagzuur (oprispingen, overgeven) waarbij gedrag niet altijd een rol speelt. De tandarts moet in de anamnese daarom vragen stellen over gedrag dat en attitude die aan de waargenomen ziektebeelden ten grondslag kunnen liggen. Enige kennis van de determinanten die gedrag bepalen is dan noodzakelijk. Anders blijft het bij goedbedoelde kennisoverdracht en adviezen zonder dat er gelet wordt op de haalbaarheid en toepasbaarheid voor de patiënt.

Kennisoverdracht alleen is vaak niet voldoende om verandering in gedrag te bewerkstelligen. Het gevolg hiervan is dat de patiënt adviezen niet of onvolledig opvolgt. De tandarts zal geneigd zijn opnieuw te beklemtonen dat de patiënt zijn gedrag moet veranderen. Dit heeft wéér geen effect met als gevolg dat zowel de patiënt als de behandelaar gefrustreerd raakt en verdere voorlichtingspogingen worden gestaakt. Hierdoor kunnen niet alleen kansen worden gemist op een betere mondgezondheid maar ook kansen om bepaalde behandelingen te kunnen uitvoeren (zo is een slechte mondhygiëne en parodontitis een contra-indicatie voor het plaatsen van implantaten).

Een model dat inzicht geeft in de factoren die van invloed zijn op gedrag en gedragsveranderingen is de theorie van gepland gedrag (afb. 1) (Ajzen, 1991; Ajzen en Fishbein, 2005). Samengevat laat het model zien dat de intentie om gedrag te veranderen afhangt van 3 determinanten: attitude, sociale normen en eigen effectiviteit. Externe variabelen, zoals demografie, spelen indirect een rol door hun invloed op deze 3 determinanten. Gedragsintentie (de intentie om een bepaald ander gedrag te vertonen) voorspelt redelijk goed of echt gedragsverandering zal optreden. Daarbij speelt de eigen effectiviteit van de patiënt, ook wel waargenomen gedragscontrole genoemd, een belangrijke rol (Scheerman et al, 2016). Dit laatste gaat over de inschatting of men de vaardigheden beheerst om het gewenste gedrag uit te voeren, dan wel barrières kan overwinnen die het gewenste gedrag in de weg staan. Ten slotte hebben eerdere ervaringen met het uitvoeren van het gewenste gedrag invloed op de 3 determinanten.

Afb. 1. Theorie van geplande gedragsverandering.

Om de patiënt effectief te begeleiden bij het veranderen van zijn gedrag moet een tandarts aansluiting proberen te vinden bij wat de patiënt al weet en doet en bij wat hij met zijn gebit wil en kan. De tandarts zal daarom eerst meer moeten weten over gedragsbepalende factoren van de patiënt, zoals attitude, sociale normen en de eigen wil om gedrag te veranderen (intermezzo 1).

Intermezzo 1. Determinanten van gedrag, leestips
- Brug J, Assema P van, Lechner L. Gezondheidsvoor­lichting en gedragsverandering: een planmatige aanpak; Assen: Van Gorcum, 2016.
- Mostofsky DI, Fortune F. Behavioral dentistry; Hoboken (NJ): Wiley, 2015.
- Motiveren tot gedragsverandering. In: Smith AJE, Oomen AJM, Truin GJ. Handboek communicatie in de mondzorg. Houten: Prelum, 2017.

Motiverende gespreksvoering

Met informatie over de patiëntspecifieke gedragsdeterminanten kan de tandarts met zijn patiënt werken aan gedragsverandering. Systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van motiverende gespreksvoering (motivational interviewing, MI) op mondgezondheid laat zien dat dit een veelbelovende methode is om mondgezondheidsgedrag te verbeteren (Cacaes et al, 2014; Gao et al, 2014; Harrison, 2014; Kopp et al, 2017). MI is een interventie die op een respectvolle en patiëntgerichte manier aansluit bij de verschillende stadia in verandering.

De patiënt die gedragsverandering overweegt, wordt binnen MI uitgenodigd na te denken over de voor- en nadelen van die verandering. Deze ambivalentie wordt als een normale fase in het veranderingsproces beschouwd. De tandarts gaat het gesprek aan met als doel om de interne motivatie te versterken. Hij kan de patiënt de voordelen van de gedragsverandering voorleggen en hem laten nadenken over een manier om de nadelen ervan te beperken. Dit vergroot de kans op grotere inspanning en gedragsverandering van de patiënt.

MI is voor het eerst toegepast bij mensen met een alcoholverslaving (Miller, 1983). Wanneer zij werden gestimuleerd om te praten over verandering was de kans op daadwerkelijke gedragsaanpassing ook groter. MI is niet gericht op een confrontatie met de patiënt, maar juist op communicatie over en weer en onderhandeling. De patiënt houdt zelf de regie op welke manier en welk moment hij begint met de gedragsverandering. Confrontatie vergroot vaak juist de weerstand tegen gedragsverandering bij patiënten.

Een samenvatting van de principes van MI:

  1. De tandarts biedt een veilige omgeving waarin de patiënt wordt geaccepteerd en gerespecteerd. De positie van de tandarts en de patiënt is tijdens het gesprek gelijkwaardig. De tandarts schrijft geen gedragsverandering voor maar laat de patiënt zelf meedenken en beslissen. De tandarts toont begrip bij weerstand.
  2. De tandarts stelt discrepanties vast tussen het huidige en het gewenste gedrag bij de patiënt. Wat is het actuele gedrag van de patiënt? Wat ziet de patiënt als het gewenste gedrag in de (ideale) situatie? Hierbij kunnen de consequenties op korte en lange termijn worden besproken.
  3. De tandarts erkent weerstand bij de patiënt en kijkt of deze verminderd kan worden. Van belang hierbij is het meeveren met de patiënt en het respecteren van de mening van de patiënt.
  4. De tandarts uit zijn vertrouwen in de patiënt om het gedrag te veranderen en stelt haalbare veranderingsdoelen op om op die manier succeservaringen te creëren voor de patiënt.

Motivationele fasen

Prochaska en DiClemente hebben de motivationele fasen in gedragsverandering geïntroduceerd (afb. 2). In de eerste fase, de precontemplatie, overweegt de patiënt nog niet om op korte termijn zijn gedrag te veranderen of is zich nog niet bewust van de noodzaak daarvan. In de tweede fase, de contemplatie, is de patiënt zich al bewust van de gevolgen van zijn gedrag, denkt hij na over de voor- en nadelen van de gedragsverandering en overweegt hij op korte termijn zijn gedrag te veranderen (bijvoorbeeld te gaan tandenstoken). In de derde fase, de preparatie fase, onderneemt de patiënt acties die voorafgaan aan het veranderen van zijn gedrag (bijvoorbeeld nadenken over hoe hij tandenstokers het beste kan gebruiken en op welk tijdstip, tandenstokers op de boodschappenlijst zetten, naar de winkel gaan en het kopen van tandenstokers). De laatste fase is die van gedragsbehoud. Wanneer het goed gaat, lukt het de patiënt om de gedragsverandering te incorporeren in zijn dagelijks leven en er een gewoonte van te maken. Wanneer er toch terugval optreedt, kan gekeken worden waaraan dat ligt en welke barrières de patiënt ervaart. De patiënt kan kijken hoe deze kunnen worden weggenomen om toch te slagen in zijn gedragsverandering (afb. 3).


Afb. 2. Overzicht van de verschillende motivationele stadia en interventies. (Illustrator Guido van Gerven, Duplo Studio)

Afb. 3. De motivationele fasen in gedragsverandering (door Prochaska en DiClemente).

De specifieke motivationele fase waarin een patiënt zich bevindt, heeft consequenties voor de voorlichting en begeleiding die gegeven wordt (Zwart en Gresnigt-Bakker, 2017). Door vragen te stellen krijgt de tandarts een indruk van in welke fase de patiënt zich bevindt en kan hij met gepaste interventies aansluiten bij de bereidheid tot verandering.

Fase 1: precontemplatie

In de precontemplatiefase wordt de patiënt zich bewust gemaakt van de gezondheidsrisico’s en mogelijk negatieve gevolgen van zijn gedrag. De tandarts laat hierbij de patiënt (of de ouder/voogd van de patiënt) zoveel mogelijk zelf verwoorden. Zie als voorbeeld casus 1.

Casus 1
Patiënt A, een 22-jarige man, komt bij de tandarts voor een periodiek mondonderzoek. Hij geeft aan dat hij af en toe bij kauwen of bij het eten van een grapefruit zijn molaren gevoelig zijn. Hij is een zeer fanatieke sporter, letterlijk en figuurlijk een doorbijter, en eet naar eigen zeggen gezond. Hij heeft nog nooit een caviteit gehad en begrijpt niet waar die gevoeligheid vandaan kan komen. De tandarts constateert bij het intraorale onderzoek dat A’s molaren een geelachtig aspect vertonen met cupping ter plaatse van de knobbels. De tandarts vraagt door en komt er achter dat A veel sportdrank drinkt tijdens en na het sporten. Ook klemt A tijdens het sporten de molaren vaak op elkaar.
De tandarts realiseert zich dat A in de precontemplatiefase zit. A is zich er niet van bewust dat sportdrankjes zuur zijn en deze het gebit eroderen. Ook had hij zich tot dit consult nog niet gerealiseerd dat hij tijdens het sporten zijn molaren vaak op elkaar klemt en wat de gevolgen daarvan zijn. Door de vragen over klemmen, sportdrankjes en de informatie over de gevolgen van dit gedrag maakt de tandarts A bewust van het probleem. De tandarts kan A nu vragen of hij zelf een idee heeft wat hij kan doen om de klachten op te lossen en, waar nodig, kan de tandarts aanvullingen geven voor suggesties.

Fase 2: contemplatie

In de contemplatiefase exploreert de tandarts de ambivalentie tegenover verandering bij de patiënt. Voor- en nadelen van het huidige gedrag en van de gewenste gedragsverandering worden besproken. Hierbij is het belangrijk dat de balans uiteindelijk uitslaat naar de voordelen van gedragsverandering en de nadelen van het huidige gedrag. In dit verband kan message framing (het afstemmen van informatie op het individu of de situatie) de motivatie en attitude van de patiënt beïnvloeden. Een positief verwoorde boodschap is daarbij effectiever dan een boodschap die de negatieve consequenties van gedrag benadrukken (Buunk-Werkhoven et al, 2011; Gallagher en Updegraff, 2012; Notthoff et al, 2016; Yang, 2018). Dit is echter wel afhankelijk van het te veranderen gedrag. Het onderzoek van Rosenblatt naar gedragsverandering bij diabetespatiënten toonde juist aan dat nadruk op negatieve consequenties effectiever was (Rosenblatt et al, 2018).

Casus 2 dient als voorbeeld om dieper in te gaan op de contemplatiefase. Deze casus zal voor veel tandartsen herkenbaar zijn. Er treedt weliswaar enige gedragsverandering op, maar niet voldoende om het tandvlees echt gezond te krijgen.

Casus 2
Patiënt B, een 43-jarige man, is 2 jaar geleden doorverwezen omdat er duidelijk begin was van parodontitis. De DPSI die de tandarts registreerde was 3 en de mondhygiënist heeft een pocketstatus gemaakt. Bij meerdere molaren werden pockets gemeten van 4 en 5 mm. Op de intraorale opnamen is al hier en daar wat botafbraak te zien, indicatief voor parodontitis. De mondhygiëne van B was slecht en de mondhygiënist heeft een elektrische tandenborstel en ragers voor het interdentaal reinigen aangeraden. B heeft een elektrische tandenborstel aangeschaft en de mondhygiëne is wel wat verbeterd. Toch haalt de tandarts tijdens de controle-afspraken elke keer weer veel plaque weg tussen de gebitselementen en worden de pockets niet minder. De pockets verdiepen zich zelfs hier en daar.
Elke keer belooft B dat hij meer zal gaan rageren. Verder rookt B ongeveer 1 pakje sigaretten per 2 dagen.

Het verhogen van de interne motivatie als voorbereiding op de volgende fase is de moeilijkste stap in het gedragsveranderingsproces. De tandarts in casus 2 weet dat het verstandig is om de patiënt eerst toestemming te vragen om de gedragsverandering opnieuw te bespreken. Het ongevraagd doen van een plaquekleuring om de problemen aan te wijzen, heeft het risico dat de patiënt denkt “Daar gaan we weer...” en het verhaal geduldig voor de zoveelste maal aanhoort zonder dat er enige verbetering optreedt. Een te directe vraag zoals “Vindt u het goed dat ik het nog eens met u over de mondhygiëne/het roken heb?” zou er juist toe kunnen leiden dat de patiënt denkt of zegt “Dat weet ik nu zo langzamerhand wel” en antwoordt dat hij geen gesprek meer wil.

De tandarts in casus 2 kan het beste proberen de ambivalentie (tussen oud en nieuw gedrag; wat patiënt wil versus de prognose, enzovoort.) te verhogen. Hij kan daarbij als volgt te werk gaan:

  1. Hij beschrijft de situatie zoals hij nu is (deelt zijn bevindingen mee): “Ik heb net bij u in de mond gekeken en gezien dat er veel plaque zit tussen de kiezen, dat het tandvlees daar ook behoorlijk bloedt en dat de situatie (pocketdiepte) op enkele plekken is verslechterd. Wat denkt u als u dat zo hoort?”
  2. Bij een onverschillige reactie wordt op neutrale toon doorgevraagd: “Wat denkt u dat er zou kunnen gebeuren als de pockets nog dieper worden?” Ook kan teruggegrepen worden op vragen naar de beleving van het gebit. Een neutraal gestelde vraag als: “Hoe erg zou u het vinden om een kies te missen?” kan de discrepantie tussen wat de patiënt wil en de prognose van het gebit bij onveranderd gedrag, boven tafel krijgen.
  3. De tandarts laat de patiënt de voor- en nadelen van de bestaande en van de gewenste situatie benoemen, voegt daar nog nadelen van de bestaande situatie en voordelen van de gewenste situatie aan toe en laat zo de balans doorslaan in het voordeel van het gewenste gedrag. Voorzichtigheid is geboden met het ontkrachten van door de patiënt genoemde voor- en nadelen. Daarmee loopt de tandarts namelijk het risico in een discussie met de patiënt te komen waarbij de patiënt zijn standpunten gaat verdedigen.
  4. Op het moment dat de patiënt zich realiseert dat voordelen van het gewenste gedrag de nadelen overstijgen wordt zijn interne motivatie vergroot en neemt de kans op gedragsverandering toe.

Fase 3: voorbereiding

In de voorbereidingsfase helpt de tandarts om het vertrouwen in het eigen kunnen te versterken en een geschikte strategie te vinden voor het uitvoeren van het nieuwe gedrag. Hij helpt de patiënt doelen te stellen en deze ‘SMART’ te formuleren (zie intermezzo 2). Hij laat de patiënt oefenen met het gedrag en geeft daarbij zo nodig aanwijzingen om de eigen effectiviteit te verhogen. Bij mensen die bijvoorbeeld niet beschikken over een voldoende fijne motoriek om met flos om te gaan, moet gekeken worden naar andere methodes om interdentaal te reinigen. Oefenen volgens het principe van tell–show–do kan in veel gevallen al helpen. De tandarts laat de patiënt ook al nadenken over de manier waarop hij de gedragsverandering kan inpassen in zijn dagelijks leven. Waar gaat de patiënt de stokers bewaren en op welk moment van de dag kan hij het beste tandenstoken? De tandarts laat de patiënt een actieplan uitspreken, misschien zelfs uitschrijven, en kan vragen stellen die de patiënt daarbij kunnen helpen.

Intermezzo 2. SMART doelen stellen
Voor het evalueren en eventueel bijsturen van de gedragsverandering in de actiefase is het van belang om al in de voorbereidingsfase doelen te stellen volgens de ‘SMART’ methode. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden. Een voorbeeld daarvan is: ik ga ’s avonds na het poetsen de ruimtes tussen mijn molaren in de onderkaak rageren met een 7 mm rager (S + A + R) zodat mijn tandvlees daar over 2 maand (T) als ik de mondhygiënist weer bezoek niet meer bloedt (M). Bij Acceptabel wordt gekeken naar wat de patiënt zelf denkt te kunnen. Bij Realistisch kijkt men naar de mate van verandering. De gedragsverandering moet niet te klein zijn (de patiënt denkt dan al snel: “dat doe ik al”, maar mag ook niet te groot zijn. Dat kan de gedachte oproepen: “dat lukt me nooit”. Als patiënt B in casus 2 gemotiveerd kan worden om ragers te gebruiken, kan het een te grote verandering zijn om verschillende maten ragers voor verschillende delen van de mond voor te schrijven. Het is dan verstandig om kleinere stappen te nemen en, zoals bovenstaand doel beoogt, te beginnen om alleen de molaren in de onderkaak te gaan rageren

Ook de sociale normen van de omgeving waarin de patiënt leeft, kunnen een rol spelen. Durft de patiënt het gewenste gedrag te vertonen en te rechtvaardigen wanneer dat afwijkt van de sociale norm?

Daarnaast laat de tandarts de patiënt nadenken over mogelijke obstakels (intermezzo 3) bij het uitvoeren van het nieuwe gedrag en manieren waarop hij die kan overwinnen. De patiënt maakt zelf een copingplan. Onderzoek laat zien dat het maken en uitschrijven van een actie- en copingplan de kans op succes verhoogt (Gholami et al, 2015; Lhakang et al, 2015; Zhou et al, 2015).

Intermezzo 3. Mogelijke obstakels
- Financiële zaken zoals de kosten verbonden aan het uitvoeren van het gedrag, bijvoorbeelde de aanschaf van een elektrische tandenborstel.
- Bereikbaarheid: parkeergelegenheid of drempels, een trap om bij de behandelaar te komen.
- Beschikbaarheid: geen gezond eten te verkrijgen op werkplek, geen mondhygiënist in de regio.
- Fysieke beperkingen: bijvoorbeeld reuma.
- Geen weerstand kunnen bieden aan de sociale druk om het ongewenst gedrag te vertonen.

Fase 4: actie

Succes in de actiefase kan worden verhoogd door de patiënt op een kalender te laten bijhouden wanneer hij het gedrag heeft uitgevoerd en dat te vergelijken met het actie- en copingplan dat hij heeft gemaakt. In de actiefase ondersteunt de tandarts de patiënt door een evaluatiemoment in te lassen. Hierbij worden de ervaringen bij de uitvoering van het nieuwe gedrag besproken. Daarbij complimenteert hij de patiënt met gewenst gedrag dat heeft plaatsgevonden en kan hij bijvoorbeeld door middel van plaquekleuring laten zien dat er vooruitgang is geboekt. Dit is zeker van belang als het plan voor gedragsverandering in kleinere stappen is opgedeeld.

Fase 5: gedragsbehoud of terugval

Als het nieuwe gedrag langer dan 6 maanden bestaat, spreekt men van gedragsbehoud. Het gedrag is dan geïncorporeerd in het dagelijks leven en gewoonte geworden. Bij terugval in het oude gedrag (dus in feite naar een eerdere motivationele fase) onderzoekt de tandarts wat daarvan de oorzaak was en brainstormt hij met de patiënt over wat er nodig is om het gewenste gedrag weer op te pakken en terugval in de toekomst te voorkomen.

Voorbeeldvragen
In de contemplatiefase
- Onderzoek laat zien dat stoppen met roken het tandvlees weer gezonder kan maken. Ik zou graag weten wat u daarvan vindt.
- Kinderen die naar bed gaan met een flesje zoete drank of zelfs gewone melk, krijgen vaak gaatjes. Wat zou u ervan vinden als dat bij uw kinderen gebeurt?
- Welke stappen zou u kunnen zetten om ervoor te zorgen dat het gebit van uw kinderen gezond blijft?
In de voorbereidingsfase
- Wat zou het moeilijk maken voor u om elke dag: 2 keer 2 minuten te poetsen en te stoken? Of: minder vaak te eten? Of: te stoppen met roken?
- Komt het weleens voor dat u uw tanden niet poetst? Wat is daar dan de reden van? Hoe vaak is dat dan?
- Wat zou u kunnen tegenhouden om: een gebitsbeschermer te dragen? Of: regelmatig een mondhygiënist te bezoeken?
- Hoe gemakkelijk zou het voor u zijn om een gezond eetpatroon te realiseren?
- Gebeurt het weleens dat u niet aan gezond eten kunt komen omdat het te duur is of omdat het niet gemakkelijk te krijgen is?
Sociale vaardigheden
- Hoe moeilijk zou het voor u zijn om geen sigaret op te steken als uw vrienden wel aan het roken zijn?
- Hoe moeilijk zou het voor u zijn om een koekje bij de koffie te weigeren?
- Wie van de mensen in uw omgeving zou u kunnen helpen bij het veranderen van uw gedrag?
Gedragsbehoud of terugval
- Welke trucjes kunt u bedenken om niet te vergeten dagelijks te rageren?
- Wat zou u kunnen doen als u toch trek krijgt in een sigaret?
- Wat zou u kunnen doen of zeggen als een vriend u iets lekkers aanbiedt terwijl u dat niet wilt? Wat heeft in het verleden voor u gewerkt?

Slotopmerkingen

Een gedragsverandering bij patiënten teweegbrengen, kan moeilijk zijn en daarom is het belangrijk om eerst de nodige informatie te vergaren voordat wordt begonnen met voorlichten. Bij het stellen van vragen over gedrag is het goed om te bedenken dat patiënten neigen naar sociaal wenselijk antwoorden. De meeste mensen weten bijvoorbeeld wel dat snoepen slecht is en dat goed poetsen cariës voorkomt. Zij weten ook dat de tandarts dit belangrijk vindt en zullen daarom hun ‘slechte gedrag’ niet snel toegeven. Wanneer de vraag gericht is naar de ouders van patiëntjes zal dit wellicht een grotere rol spelen omdat ouders immers niet de indruk willen wekken een slechte ouder te zijn.

Als sociale wenselijkheid mogelijk een rol speelt, doet de tandarts er goed aan om de vragen over gedrag zo te formuleren dat de patiënt deze niet als bedreigend ervaart of het gevoel krijgt afgerekend te worden op zijn antwoord. Dat kan bijvoorbeeld door de vragen naar het eetpatroon van cariësactieve kinderen in te leiden met: “Ik heb gezien dat uw dochtertje een aantal gaatjes heeft. Dat kan verschillende oorzaken hebben en ik wil die graag allemaal in kaart brengen zodat ik u beter kan adviseren over hoe we gaatjes in de toekomst kunnen voorkomen.”

Door te spreken in de wij-vorm geeft de tandarts aan dat de ouder er niet alleen voor staat en dat de tandarts hulp aanbiedt. Sociale wenselijkheid kan ook beperkt worden door de schadelijke factoren vooraf te benoemen. Als blijkt dat op vragen van de tandarts steeds een sociaal wenselijk antwoord volgt dan kan de tandarts dit doorbreken door op metaniveau te communiceren. Het gaat dan niet meer over de inhoud van het gesprek maar over hoe het gesprek wordt gevoerd: “Ik krijg het gevoel dat ik op mijn vragen steeds een antwoord krijg waarvan u denkt dat ik het zou willen horen. Dat vind ik jammer, want ik stel de vragen niet om een oordeel te vormen over het eetgedrag van uw dochter maar om u te kunnen helpen om haar mond gezonder te maken”.

Ten slotte: omdat gedrag zo moeilijk is te veranderen, is het voorkomen van slechte gewoontes essentieel en is preventie in een vroeg stadium gewenst. Lopend onderzoek zal uitwijzen of projecten als ‘Giga Gaaf’, waarbij ouders gestimuleerd worden een tandarts te bezoeken voordat bij hun kinderen gebitselementen doorbreken, daarbij effectief kunnen zijn.

Literatuur

  • Ajzen I. The theory of planned behavior. Organ Behav Hum Decis Process 1991; 50: 179-211.
  • Ajzen I, Fishbein M. The influence of attitudes on behavior. In: AlbarracínD, Johnson BT, Zanna MP (red.). The handbook of attitudes. Mahwah (NJ): Erlbaum, 2005; 173-221.
  • Buunk-Werkhoven YAB et al. Persuasive Oral Hygiene Communicationsin Uruguay and Spain. Cross-cultural communication 2011; 7: 1-16.
  • Cascaes AM, Bielemann RM, Clark VL, Barros AJD. Effectiveness of motivational interviewing at improving oral health: a systematic review. Rev Saude Publica 2014; 48: 142-153.
  • Gallagher KM, Updegraff JA. Health message framing effects on attitudes, intentions, and behavior: A meta-analytic review. Ann Behav Med, 2012; 43, 101–116.
  • Gao X, Lo EC, Kot SC, Chan KC. Motivational interviewing in improving oral health: a systematic review of randomized controlled trials. J Periodontol 2014; 85: 426-437.
  • Gholami M, Knoll N, Schwarzer. A brief self-regulatory interventionincreases dental flossing in adolescent girls. Int J Behav Med 2015; 22: 645-651.
  • Harrison R. Motivational interviewing (MI) compared to conventional education (CE) has potential to improving oral health behaviors. J Evid Based Dent Pract 2014; 14: 124-126.
  • Kopp SL, Ramseier CA, Ratka-Krüger P, Woelber JP. Motivational Interviewing as an adjunct to periodontal therapy – a systematic review. Front Psychol 2017; 8: 279.
  • Lhakhang P, Gholami M, Knoll N, Schwarzer R. Comparing a motivational and a self-regulatory intervention to adopt an oral self-care regimen: a two-sequential randomized crossover trial. Psychol Health Med 2015; 20: 381-392.
  • Miller WR. Motivational interviewing with problem drinkers. Behav Cogn Psychother 1983; 11: 147-172.
  • Notthoff N, Klomp P, Doerwald F, Scheibe S. Positive messages enhance older adults’ motivation and recognition memory for physical activity programmes. Eur J Ageing 2016; 13: 251–257.
  • Prochaska JO, DiClemente CC. The transtheoretical approach. In: Norcross JC, Goldfried MR (red.). Handbook of psychotherapy integration. New York: Oxford University Press, 2005; 147-171.
  • Rosenblatt DH et al. Health warnings promote healthier dietary decision making: Effects of positive versus negative message framing and graphic versus text-based warnings. Appetite 2018; 127: 280-288.
  • Scheerman JF, Loveren C van, Meijel B van et al. Psychosocial correlates of oral hygiene behaviour in people aged 9 to 19; a systematic review with meta-analysis. Community Dent Oral Epidemiol 2016; 44: 331-341.
  • Yang DJ. Exploring the communication effects of message framing of smoking cessation advertising on smokers’ mental processes. Int Rev Publ Nonprof Marketing 2018; 15: 315-332.
  • Zhou G, Sun C, Knoll N, Hamilton K, Schwarzer R. Self-efficacy, planning and action control in an oral self-care intervention. Health Educ Res 2015; 30: 671-681.
  • Zwart E, Gresnigt-Bekker COVM. Preventieve tandheelkunde 2. De macht der gewoonte en de verandering naar gezond mondhygiënegedrag. Ned Tijdschr Tandheelk 2017; 124: 28-33.

Verantwoording

Voor dit artikel zijn delen tekst overgenomen uit: Smith AJE, Oomen AJM, Truin GJ. Handboek communicatie in de mondzorg.
Effectieve gespreksvoering in de dagelijkse praktijk. Houten: Prelum, 2017.

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • A.J.E. Smith
  • Uit het Centrum Tandheelkunde en Mondzorgkunde van het Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Datum van acceptatie: 21 januari 2019
  • Adres: A.J.E. Smith, Ant. Deusinglaan 1, 9713 AV Groningen
  • a.j.e.smith@umcg.nl

Download bij dit artikel