× ABONNEREN

Serie: Leermeesters. Professor dr. Leo Coppes, een markante persoonlijkheid (1921-2008)

Door op 07-12-2018
  • Inleiding
  • Universiteit
  • Reacties (0)

Inleiding

Na zijn, door de Tweede Wereldoorlog onderbroken, studie tandheelkunde (toen nog een 4-jarige niet-academische opleiding) ontving Leo Coppes op 21 juni 1946 het tandartsdiploma van de Universiteit Utrecht. Hij vestigde zich al snel als algemeen practicus met speciale belangstelling voor de parodontologie in Amsterdam, aan de Vondelstraat 23. Hij werd lid van de Nederlandse ARPA (Association pour les Recherches sur le Paradentose, de voorloper van de Nederlandse Vereniging voor Parodontologie) en trad in 1950 toe tot het bestuur van deze vereniging. Samen met onder andere Maarten Hut, die in 1948 hoogleraar in de Mondheelkunde en Chirurgische Prothetiek was geworden, bestuurde hij gedurende 12 jaar de Nederlandse ARPA.

Afb. 1. Prof. dr. Leo Coppes.

De wetenschappelijke belangstelling voor de parodontologie van Coppes bleek al snel tijdens zijn eerste optreden als spreker op de voorjaarsvergadering in 1950. Hij gaf toen al blijk van wat wij tegenwoordig ‘evidencebased’ denken noemen. De titel van zijn voordracht luidde: ‘Critische beschouwingen van de methoden, gebruikt bij het elimineren van pathologische pockets’. Hij bleef tot in 1962 bestuurslid van de Nederlandse ARPA en heeft gedurende die jaren grote invloed gehad op de ontwikkeling van de parodontologie, alhoewel de sprekers op de jaarvergaderingen beperkt bleven tot Nederlanders. Daar kwam in 1961 een eind aan toen op voorstel van Coppes het jaarlijks wisselende voorzitterschap werd ingevoerd. Elke nieuwe voorzitter was verantwoordelijk voor het organiseren van een volwaardig wetenschappelijk congres in het daarop volgende jaar. Zo gaf Coppes de aftrap van een traditie om wetenschappelijke congressen te organiseren waar de sprekers uit binnen- en buitenland werden gekozen op basis van hun wetenschappelijke verdienste. Het gevolg hiervan was dat vanaf 1961 vele buitenlandse grootheden in de parodontologie, zoals Jens Waerhaug (1961) en Harald Löe (1967), naar Nederland kwamen om het wetenschappelijk inzicht te verdiepen. Vanwege zijn grote verdienste voor de toen nog Nederlandse ARPA ontving Coppes in 1967 het erelidmaatschap van de vereniging.

Universiteit

Tot 1961 werden tandartsen alleen opgeleid bij de universiteiten van Utrecht en Groningen. Het onderwijs in de parodontologie was in Groningen ondergebracht bij de afdeling Mondheelkunde, terwijl in Utrecht het onderwijs behoorde bij de afdeling Conserverende tandheelkunde. Ten gevolge van het grote tandartsentekort eind jaren 1950, werd besloten 2 nieuwe tandartsenopleidingen in te richten. Eerst bij de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1961 en vervolgens in 1964 bij de Universiteit van Amsterdam. Intussen was professor Hut in 1960 vanuit Groningen naar Amsterdam gekomen om de afdeling Mondheelkunde van het Wilhelmina Gasthuis te leiden. Samen met Jan Visser (hoogleraar Conserverende tandheelkunde) en Frits Tempel (hoogleraar Prothetische tandheelkunde) werd Hut belast met de organisatie van het onderwijs bij de nieuwe tandheelkunde opleiding in Amsterdam. Bij deze opleiding moest uiteraard ook onderwijs in de parodontologie worden gegeven. Professor Hut besloot dit onderwijs niet vanuit zijn eigen afdeling Mondheelkunde te geven, maar dit toe te vertrouwen aan een nieuwe zelfstandige afdeling Parodontologie. Gezien de nauwe samenwerking met Leo Coppes in de Nederlandse ARPA is het niet verwonderlijk dat Hut ervoor koos om hiervoor de tevens zeer chirurgisch ingestelde Coppes te vragen. Deze aanvaarde het ambt en werd op 1 oktober 1967 benoemd tot lector in de parodontologie. Hij hield op 2 april 1968 zijn oratie, getiteld ‘Parodontologie, een perifere liefhebberij’.

Toen ik in 1968 in mijn derde studiejaar zat, maakte ik voor het eerst kennis met Coppes. Een gebeurtenis die diepe indruk op mij maakte. In die tijd waren de andere hoogleraren nog gekleed in driedelig grijs. Zo niet Coppes: gekleed in een ‘leren jackie’ vertelde hij met enorm enthousiasme en uitstraling over de wondere wereld van de parodontologie. Coppes was niet alleen tandarts maar hield ook van tekenen en beeldhouwen, en verkeerde naast de tandheelkunde in de wereld van de kunst. De tekeningen die hij voor de colleges had gemaakt over de problemen bij het sonderen van pockets waren bijzonder; ik gebruik ze nog steeds. Nog veel bijzonderder was het feit dat hij in die tijd al het verband legde tussen parodontale gezondheid en de algemene gezondheid. Om dit tijdens zijn college te kunnen illustreren, had hij uitgerekend dat het totale oppervlak van de ulcererende subgingivale pocketwand van een ernstige parodontitispatiënt ongeveer 25 cm2 is. Vervolgens had hij deze ‘wond’ op de bovenarm van zijn dochter laten grimeren (afb. 2). De dia hiervan, groot geprojecteerd, was spectaculair en maakte diepe indruk. Het is geen wonder dat deze dia, die nog altijd actueel is, veel wordt gebruikt.

Afb. 2. De ‘wond’ die het totale oppervlak van een ulcererende subgingivale pocketwand weergaf. Met grote dank aan wijlen Prof. dr. Leo Coppes.

Coppes nam ook geen blad voor de mond. Hij vond het absurd dat tandartsen wel cariës behandelden maar parodontitis niet. Hij zei daarover: “Het is toch raar dat als je naar de tandarts gaat voor controle, hij alleen naar de tanden kijkt en niet naar het bot waar die tanden in staan. Je gaat toch ook niet naar de dokter voor iets aan je linker been die vervolgens zegt, ik bekijk en behandel alleen rechter benen.”

Op het moment dat Coppes lector was geworden, was hij nog niet gepromoveerd. Toen zijn lectoraat zou worden omgezet in een ordinariaat vond Coppes dat hij, ondanks wat hij allemaal al had gepresteerd, toch een proefschrift moest schrijven. En zo promoveerde hij op 18 mei 1972 op een proefschrift getiteld ‘Routine-sulcus-dieptemetingen in de parodontologie’. Ook daarna zat hij niet stil. Hij stimuleerde zijn jonge stafmedewerkers om zich eerst wetenschappelijk te scholen voordat alle tijd zou opgaan aan onderwijs. Hierbij hanteerde hij de slogan: “Er zijn al vele honderden tandartsen afgestudeerd zonder enig parodontaal benul, dus er kunnen heus nog wel een paar bij”. Desalniettemin werd er wel degelijk onderwijs aan tandheelkundestudenten gegeven. Als basis hiervoor gebruikte Coppes de rapportage van de World Workshop in Periodontics uit 1966, de parodontale bijbel in die tijd zoals Coppes dat noemde. Bovendien had hij goede contacten met de mensen van de afdeling Parodontologie van de Royal Dental Hospital in Londen en de Universiteit van Oslo waarvan veel onderwijsmateriaal werd gekregen. Belangrijk was ook dat, toen Coppes aan de universiteit ging werken, hij stopte met de patiëntenbehandeling in de privépraktijk. Deze praktijk functioneerde al enige tijd als verwijsadres voor patiënten met ernstige parodontale problemen. Door deze praktijk over te hevelen naar de universiteit, kon aanschouwelijk onderwijs in de parodontale chirurgie worden gegeven aan de tandheelkundestudenten. Bovendien schiep dit de mogelijkheid om jonge nieuwe stafleden op te leiden in de klinische aspecten van de parodontologie.

Intussen was ik student-assistent bij de afdeling Parodontologie geworden en ik herinner me nog heel goed hoe ik door Coppes bij de hand werd genomen tijdens mijn eerste flapoperatie in 1969. Steriliteit en hygiëne stonden bij Coppes hoog in het vaandel. Voordat we de behandelkamer binnen gingen, werden schone witte operatiejassen, broeken en klompen aangetrokken. In de operatiekamer werden de instrumenten steriel opgedekt, mondmasker en pet opgedaan. De handen werden zeer uitgebreid gewassen met zeep (alle ringen af) en na het afdrogen overgoten met alcohol. Vervolgens konden steriele handschoenen worden aangetrokken. Door de assistent werd de polsmeter over een vinger van de patiënt geschoven en het gebied rond de mond afgenomen met alcohol, waarna de patiënt werd toegedekt met een steriel splitlaken. In het licht van het tandheelkundig handelen in een tijd waarin niemand met handschoenen werkte en tanden en kiezen met blote handen werden geëxtraheerd, was dit heel een bijzondere ervaring.

Naast al het bovenstaande heeft Coppes zich enorm ingezet voor de ontwikkeling van hulpkrachten in de tandheelkunde. Er werd in 1972, ook in Amsterdam, een opleiding voor mondhygiënist ingericht en later startte hij het hulpkrachtenproject dat later het Jordaanproject zou worden genoemd. Niet alleen moesten er hulpkrachten voor de tandheelkunde komen maar ook specialisten op het gebied van de parodontologie. Dit werd uiteindelijk in 1989 gerealiseerd toen de eerste parodontologen werden benoemd door het Consilium Parodontologicum. Coppes’ inspirerende persoonlijkheid, onorthodox denken, doorzettingsvermogen, kennis en kunde maakten het mogelijk dat de parodontologie in Nederland kon uitgroeien tot het huidige niveau.

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • U. van der Velden
  • Emeritus hoogleraar klinische parodontologie aan het Academisch ­Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)/Universiteit van Amsterdam.
  • Datum van acceptatie: 16 oktober 2018
  • Adres: em. prof. dr. U. van der Velden, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • u.vd.velden@acta.nl

Download bij dit artikel