× ABONNEREN

Serie: Medicamenten en mondzorg. Bijwerkingen van medicatie op de orale mucosa

  • Inleiding
  • Mogelijke bijwerkingen op de orale mucosa
  • Conclusie
  •  Literatuur
  • Reacties (2)

Samenvatting

Veel in Nederland voorgeschreven medicijnen hebben bijwerkingen op de orale mucosa. Bijwerkingen die vaak beschreven worden zijn stomatitis, witte laesies, pigmentafwijkingen en sensibiliteitsstoornissen. Stomatitis wordt frequent gezien bij gebruikers van medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling van maligniteiten en auto-immuunziekten. Belangrijke geneesmiddelengroepen hierin zijn alkylerende middelen, antracyclinederivaten, monoclonale antilichamen, proteïnekinaseremmers, purinederivaten, pyrimidine-antagonisten, taxanen en vinca-alkaloïden. Witte laesies betreffen vaak Candida-infecties, en worden vooral gezien bij gebruik van bepaalde soorten immunosuppressiva en antibiotica. Pigmentafwijkingen worden vaak gezien bij gebruik van hydroxycarbamide, een oncolyticum. Sensibiliteitsstoornissen van de mondholte worden bij gebruik van diverse medicatie gezien, waaronder proteïnekinaseremmers. Voor mondzorgverleners is het van groot belang mogelijke bijwerkingen op de orale mucosa te herkennen. Indien aannemelijk is dat een symptomatische afwijking wordt veroorzaakt door een medicament, dient men te overleggen met de voorschrijvend arts of de medicatie kan worden aangepast of gestaakt.

Wat weten we?
Medicatie kan een breed scala aan bijwerkingen hebben op de orale mucosa.
Wat is nieuw?
Aan de hand van een Nederlandse database voor geneesmiddelinformatie, van het Informatorium Medicamentorum waarin ook medicijnen zijn opgenomen die recent voor de Nederlandse markt zijn geregistreerd, komen verschillende medicijnen naar voren die bij meer dan 1% van de gebruikers orale bijwerkingen geven.
Praktijktoepassing
De informatie uit dit artikel kan door de mondzorgverlener gebruikt worden bij de beoordeling van afwijkingen van het mondslijmvlies. Deze kunnen een gevolg zijn van bijwerkingen van medicatie.

Inleiding

In Nederland gebruikt een zeer groot deel van de bevolking medicijnen. Volgens cijfers van het CBS gebruikte in 2017 66% van de Nederlandse bevolking een of meer medicijnen. Dit percentage neemt toe met de leeftijd; vanaf 65-jarige leeftijd gebruikt 87% medicijnen, bij 75-plussers meer dan 90% (CBS, 2019). Deze medicijnen worden met een specifiek doel voorgeschreven, maar kunnen daarnaast ook verschillende bijwerkingen geven. Een aantal van deze bijwerkingen manifesteert zich in en rondom de mondholte. Kennis van deze bijwerkingen is van belang voor de mondzorgverlener. Deze is immers vaak de eerste die afwijkingen in de mondholte opmerkt. Om onnodige of onjuiste zorg te voorkomen, dient de mondzorgverlener deze afwijkingen te kunnen onderscheiden van orale manifestaties van ziekten.

In aanvulling op eerder gepubliceerde artikelen in de reeks ‘Medicamenten en mondzorg’ zal dit artikel de belangrijkste bijwerkingen van medicijnen op de orale mucosa uiteenzetten. Hierin zijn de bijwerkingen op de gingiva buiten beschouwing gelaten, omdat die in een eerder artikel reeds besproken zijn (De Baat et al, 2018).

Het Informatorium Medicamentorum (IM) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) verzamelt geneesmiddelinformatie en verwerkt deze in een database. Hierin wordt onder andere informatie van wetenschappelijke artikelen, richtlijnen en productsamenvattingen opgenomen. Elke 2 weken wordt deze database geüpdatet. Voor dit onderzoek is in de database gezocht naar relevante bijwerkingen van medicatie op de orale mucosa. Hiervoor is gebruikgemaakt van de versie van de database van 1 augustus 2018 (Rademacher et al, 2019).

Om het overzicht van medicatie zo relevant mogelijk te houden voor de praktijk zijn voor dit onderzoek alleen medicijnen opgenomen die bij meer dan 1% van de patiënten de bijwerking vertoonden. Dit artikel geeft dan ook geen volledig overzicht van alle medicijnen die bijwerkingen hebben op de orale mucosa. Omwille van het overzicht werden sommige beschrijvingen van bijwerkingen onder eenzelfde bijwerkingengroep samengevat.

Mogelijke bijwerkingen op de orale mucosa

De bijwerkingen op de orale mucosa die frequent worden gezien zijn in te delen in een aantal groepen: orale ontstekingen (stomatitis), witte laesies (candida, lichenoïde afwijkingen), pigmentafwijkingen en sensibiliteitsstoornissen.

Ontstekingen van de orale slijmvliezen

Een veelvoud van geneesmiddelen kan stomatitis veroorzaken (tab. 1). Stomatitis omvat ontstekingen van de mondholte in de breedste zin; elk type weefsel kan zijn aangedaan (Raber-Durlacher et al, 2010). Vaak wordt hier verder onderscheid in gemaakt. Zo zijn er verschijningsvormen van stomatitis die gepaard gaan met ulceraties. Voor een aantal geneesmiddelen is specifiek beschreven dat deze orale ulceraties kunnen veroorzaken (Jinbu, 2014). Tabel 2 geeft een overzicht van deze medicijnen. Een aparte entiteit binnen stomatitis is orale mucositis (afb. 1), dat is gedefinieerd als “ontsteking van de orale mucosa ten gevolge van antineoplastische therapie” (MeSH Browser, 2020). Het gaat vaak gepaard met een brandende of tintelende sensatie of pijn. Histologisch wordt atrofie van het plaveiselepitheel gezien, vasculaire schade, inflammatoire infiltraten en ulcera (Raber-Durlacher et al, 2010). Stomatitis en mucositis worden echter vaak door elkaar gebruikt. In dit artikel wordt waar mogelijk het type stomatitis gespecificeerd.

Tabel 1. Medicatie met als frequente bijwerking stomatitis.

Tabel 2. Medicatie waarbij specifiek orale ulceraties worden beschreven.

Afb. 1. Orale mucositis.

Stomatitis wordt frequent gezien bij geneesmiddelen die worden gebruikt binnen de oncologie en bij patiënten die worden behandeld voor auto-immuunziekten (respectievelijk antineoplastische medicatie en bepaalde soorten anti-inflammatoire medicatie). Belangrijke geneesmiddelengroepen hierin zijn alkylerende middelen, antracyclinederivaten, monoklonale antilichamen, proteïnekinaseremmers, purine-antagonisten, pyrimidine-antagonisten, taxanen en vinca-alkaloïden. Tabel 1 geeft een overzicht van stofnamen van deze geneesmiddelengroepen. In intermezzo 1 staan medicijngroepen die de celfunctie en/of celdeling remmen.

Intermezzo 1. Medicijngroepen die celfunctie en/of celdeling remmen

Alkylerende middelen: normaal gesproken is het gecontroleerd alkyleren van DNA (het toevoegen van een alkylgroep aan het DNA; bij DNA is dit meestal in de vorm van methylering, het toevoegen van een methylgroep) nodig tijdens de celdeling om DNA-transcriptie mogelijk te maken, zodat RNA synthese plaats kan vinden, waarmee eiwitten kunnen worden gesynthetiseerd (translatie). Bij gebruik van alkylerende middelen gebeurt het alkyleren ongecontroleerd, waardoor enkel- of dubbelstrengs breuken in het DNA van de cel ontstaan. De cel is hierdoor niet in staat eiwitten te synthetiseren die nodig zijn voor onder meer de celdeling.
Antracyclinederivaten: vormen complexen met het DNA en remmen zo de nucleïnezuursynthese (nodig voor de opbouw van DNA en RNA), de mitose (de celdeling), en remmen onder andere het enzym topo-isomerase II, waardoor DNA-breuken onstaan.
Monoklonale antilichamen: een heterogene verzameling van geneesmiddelen die via specifieke antigeenreceptoren hun werking uitoefenen en zo bepaalde intracellulaire processen kunnen remmen of juist activeren.
Proteïnekinaseremmers: eveneens een heterogene groep geneesmiddelen die via bepaalde enzymen de fosforylering van onder andere signaaleiwitten kunnen remmen. Fosforylering van eiwitten is essentieel voor de werking van signaaleiwitten, die hierdoor als het ware worden geactiveerd. Zonder fosforylering kunnen bepaalde cel processen, waaronder celdeling, niet plaatsvinden.
Purine-antagonisten: remmen de purinesynthese. Purines zijn de bouwstoffen voor nuceleïnezuren (de belangrijkste elementen van DNA en RNA), waardoor de vorming van DNA en/of RNA wordt verstoord, wat tot celdood kan leiden, met name van leukocyten.
Pyrimidine-antagonisten:remmen de synthese van DNA-precursors en ontregelen de eiwitsynthese. Door remming van het enzym methyltransferase en DNA-polymerase wordt DNA-methylering en -synthese verstoord, met apoptose van de cel tot gevolg.
Taxanen, platinaverbindingen en vinca-alkaloïden werken door verstoring van de organisatie en vorming van het microtubuli-netwerk. Tijdens de celdeling zorgen microtubuli ervoor dat het DNA over de bestaande en de nieuw gevormde cel verdeeld wordt, door het DNA uit elkaar te trekken. Wanneer de microtubuli niet functioneren is celdeling niet mogelijk (Farmacotherapeutisch Kompas).

Van een aantal medicijngroepen is de pathofysiologie van het ontstaan van stomatitis bekend. Dit komt vooral voort uit onderzoek naar het ontstaan van mucositis. Over de pathofysiologie van andere vormen van stomatitis is minder bekend.

Bij orale mucositis ten gevolge van chemotherapie is de pathofysiologie beschreven in 5 fases:

  • Fase 1. Initiatiefase: DNA-schade ontstaat door reactieve zuurstofcomponenten en peroxidatie van lipiden, waardoor de cel in apoptose gaat.
  • Fase 2. Signaleringsfase: DNA-schade gaat door, waardoor onder andere nucleaire factor kappa B tot expressie wordt gebracht. Dit leidt tot de productie van pro-inflammatoire cytokinen, waaronder TNF-alfa, IL-1bèta en IL-6.
  • Fase 3. Amplificatiefase: pro-inflammatoire cytokinen komen vrij, waardoor meer weefselschade ontstaat, de permeabiliteit van bloedvaten toeneemt en het enzym cyclooxygenase 2 wordt geactiveerd. Cellen gaan in apoptose.
  • Fase 4. Ulceratiefase: epitheeldefecten ontstaan die een ingang vormen voor micro-organismen. Hierdoor worden macrofagen geactiveerd die op hun beurt weer pro-inflammatoire cytokinen produceren.
  • Fase 5. Genezingsfase: de mucosale schade herstelt door proliferatie en differentiatie van epitheelcellen (Sonis, 2004; Sonis, 2007).

Hoewel de 5 pathofysiologische fasen van mucositis beschreven zijn voor de ‘klassieke’ chemotherapie, zoals 5-fluoro-uracil (pyrimidine-antagonist) en cisplatine (platinaverbinding), is het aannemelijk dat andere medicijnen die DNA-schade veroorzaken een soortgelijke cascade op gang brengen. Echter, de klinische presentatie van mucositis veroorzaakt door de zogenoemde targeted anti-kankertherapieën, zoals proteïnekinaseremmers, is wezenlijk anders dan de klassieke chemotherapie. De mucositis bij targeted therapie uit zich vaker als afteuze stomatitis; er worden scherp omschreven ulcera gezien met een rode halo. Deze ulcera verdwijnen vaak vanzelf, zelfs tijdens de behandeling (Parkhill, 2013). Bij chemotherapie daarentegen wordt vaak eerst erytheem gezien, gepaard gaande met een brandende sensatie van de mond. In sommige gevallen wordt dit gevolgd door oedeem en ulceratie. De ulceraties zijn vaak slecht begrensd en worden vrijwel nooit omringd door erytheem. Soms zijn de ulceraties bedekt met een pseudomembraan. De ulceraties genezen gewoonlijk restloos binnen 2 tot 4 weken (Al-Ansari et al, 2015).

Methotrexaat, een foliumzuurantagonist, is een geneesmiddel dat wordt voorgeschreven bij maligniteiten, alsook bij auto-immuunziekten, zij het in lagere doseringen. Methotrexaat heeft een cytostatische werking. Het remt de omzetting van foliumzuur in tetrahydrofoliumzuur door binding aan het enzym dihydrofolaatreductase. Deze omzetting is essentieel voor de synthese van nucleïnezuren, die nodig zijn voor de celdeling. De werking van methotrexaat bij auto-immuunziekten is niet geheel duidelijk. Verondersteld wordt dat remming van andere enzymen, waaronder thymidilaat synthase en amino-imidazoolcarboxamide ribosyl 5-fosfaat, het anti-inflammatoire effect bewerkstelligt. Deze enzymen zijn betrokken bij de synthese van respectievelijk pyrimidines en purines. Ophoping van intermediaire aminozuren leidt tot het vrijkomen van adenosine, wat een anti-inflammatoire werking heeft (Zorginstituut Nederland, 2019).

Bij gebruik van methotrexaat is stomatitis een frequent optredende bijwerking. Deze bijwerking kan gedurende het gehele behandeltraject optreden, ook wanneer patiënten al jaren methotrexaat gebruiken. Patiënten ervaren een pijnlijke mond al dan niet gepaard gaande met ulceraties. Hoewel het optreden van stomatitis dosisafhankelijk is, wordt ook bij lage doseringen soms een dusdanig hinderlijke vorm van stomatitis gezien, dat de therapie moet worden onderbroken of helemaal gestopt (Kalentzis et al, 2005). De kans op bijwerkingen is van vele factoren afhankelijk, waaronder genetische factoren en omgevingsfactoren (Bachour en Sonis, 2018; Zhou en Rupa, 2018; Laheij et al, 2019). Veel bijwerkingen van methotrexaat, zoals misselijkheid en braken, zijn relatief eenvoudig te couperen door foliumzuur of folinezuur te suppleren. Suppletie van foliumzuur heeft geen negatief effect op de werkzaamheid van methotrexaat. Uit een recent Cochrane literatuuronderzoek bleek echter dat het optreden van stomatitis niet significant vermindert wanneer foliumzuur of folaat wordt gesuppleerd (Shea et al, 2014).

Blaarvorming orale mucosa

Een enkel geneesmiddel, eltrombopag, geeft frequent blaarvorming van de orale mucosa. Eltrombopag is een trombopoëtine agonist. Het bindt aan de trombopoëtinereceptor, waardoor de groei en uitrijping van de megakaryocyt, de precursor van trombocyten, wordt gestimuleerd. Dit resulteert in een toename van de trombocytenproductie. Het is geïndiceerd bij hematologische aandoeningen waarbij het trombocytengetal erg laag is, zoals immuuntrombocytopenie en aplastische anemie (Zorginstituut Nederland, 2019). Waardoor de orale blaarvorming bij gebruik van dit middel ontstaat is niet geheel duidelijk. Eerder onderzoek naar medicatiegeïnduceerd bulleuze pemphigus liet zien dat er histologisch sprake is van acantholyse, een fenomeen waarbij de onderlinge celverbindingen, zoals desmosomen, verloren gaan. Dit werd voornamelijk gezien bij geneesmiddelen die thiolgroepen bevatten. Daar werden echter ook intercellulaire antistoffen gevonden, wat zou duiden op een immuungemedieerde oorzaak van de blaarvorming. Het beeld is klinisch nauwelijks te onderscheiden van idiopathische vormen van pemphigus. Een verbetering van het klinisch beeld wordt gezien wanneer de veroorzakende medicatie werd gestaakt (Brenner et al, 1998).

Orale candidiasis

Het ontstaan van orale candidiasis is een bekende bijwerking van immunosuppressieve medicatie (tab. 3). Candida maakt bij veel mensen deel uit van de commensale mondflora. Orale candidiasis daarentegen is een opportunistische infectie en komt vrijwel uitsluitend voor als uiting van onderliggend lijden, zoals bij immuungecompromitteerde patiënten. Wanneer het afweersysteem systemisch of lokaal wordt onderdrukt door bepaalde medicijnen is het lichaam niet in staat de groei van Candida species te remmen. Het evenwicht in de mond wordt verstoord en er ontstaat als het ware een overgroei die leidt tot infectie (Williams en Lewis, 2011). Orale candidiasis wordt ook vaak gezien als bijwerking van geneesmiddelen die een droge mond veroorzaken (Nadig et al, 2017). Geneesmiddelen die een droge mond veroorzaken zijn eerder beschreven in een andere bijdrage in het NTVT (Wolff et al, 2018).

Tabel 3. Medicatie met als frequente bijwerking orale candidiasis.

Daarnaast staan in de database van de KNMP ook andere geneesmiddelen beschreven die orale candidiasis kunnen veroorzaken, waaronder verschillende typen antibiotica. Waarschijnlijk ligt een verstoring van het orale microbioom ten grondslag aan het optreden van orale candidiasis. Antibiotica kunnen een bacteriostatische of bactericide werking hebben. Afhankelijk van het spectrum van de antibiotica worden bepaalde species bacteriën geremd of gedood. Bij een verlaging van het totale aantal bacteriën in de mond krijgen andere micro-organismen, waaronder gisten als Candida species, de mogelijkheid verder uit te groeien (Soysa et al, 2008; Williams en Lewis, 2011).

De presentatievorm van orale candidiasis verschilt per oorzaak. Bij patiënten die immunosuppressiva gebruiken ziet men vooral pseudomembraneuze candidiasis (afb. 2). Klassiek uit zich dit als roomachtige witte laesies op de mucosa. De laesies zijn afschraapbaar, de onderliggende mucosa is erythemateus en vertoont histopathologisch een beeld van afschilferend epitheel. Patiënten ervaren een branderig gevoel in de mond. Bij gebruik van antibiotica wordt vaker acute erythemateuze candidiasis gezien (afb. 3). Deze vorm is vaak pijnlijk, in tegenstelling tot andere vormen van candidiasis, en wordt vaak gezien op het dorsum van de tong en het harde palatum. De orale candidiasis herstelt vanzelf wanneer de veroorzakende medicatie wordt gestaakt (Reichart et al, 2000; Williams en Lewis, 2011). Eventueel kan orale candidiasis behandeld worden met miconazol orale gel of nystatine suspensie. Bij (ernstig) immuungecompromiteerde patiënten kan sys­temische behandeling met fluconazol overwogen worden (Garcia-Cuesta et al, 2014, Zorginstituut Nederland, 2019).

Afb. 2. Pseudomembraneuze candidiasis (Bron: Prof. Sol Silverman).

Afb. 3. Erythemateuze candidiasis (Bron: Prof. Sol Silverman).
 

Lichenoïde reacties

Een recent systematisch literatuuronderzoek liet zien dat er geen sterk wetenschappelijk bewijs is voor een relatie tussen medicatiegebruik en lichenoïde reacties (Fortuna et al, 2017). Onderzoek van medicatiegerelateerde orale lichenoïde reacties is voornamelijk gebaseerd op case-reports, waarbij de methodologie ontoereikend is om een causale reactie tussen het medicament en de bijwerking aan te tonen. Uit een case-control-onderzoek met 110 orale lichen planus patiënten kon geconcludeerd worden dat als medicatie al de oorzaak van lichenoïde reacties zou zijn, dit slechts zeer zelden optreedt (Hirota et al, 2011). In de database van het KNMP worden eveneens geen geneesmiddelen genoemd die frequent lichenoïde reacties van de orale mucosa tot gevolg hebben.

Pigmentafwijkingen

Hydroxycarbamide, een oncolyticum dat wordt voorgeschreven bij enkele hematologische maligniteiten en sikkelcelziekte, geeft frequent pigmentafwijkingen van de orale mucosa. Het werkingsmechanisme van hydoxycarbamide is niet bekend. Vermoedelijk blokkeert het middel het ribonucleotidereductasesysteem, waardoor DNA-synthese wordt geremd. Hoe de pigmentafwijkingen ontstaan is niet bekend. Hypothesen zijn dat pigmentafwijkingen van de orale mucosa bij medicatiegebruik ontstaan door inductie van pigmentsynthese of melanine accumulatie, door het neerslaan van metabolieten van het geneesmiddel in de orale mucosa of doordat ijzer neerslaat in de mucosa ten gevolge van schade van de vaatwand (Kauzman et al, 2004).

Sensibiliteitsstoornissen mondholte

Diverse geneesmiddelen kunnen sensibiliteitsstoornissen geven van de mondholte. Specifiek worden orale paresthesie, orale hypo-esthesie, branderig gevoel van de mond, orale pijn, oraal ongemak en irritatie van het mondslijmvlies beschreven. Tabel 4 geeft een overzicht van geneesmiddelen die frequent orale paresthesie veroorzaken. Hierin zijn ook de geneesmiddelen die een branderig gevoel van de mond, orale pijn, oraal ongemak en irritatie van het mondslijmvlies veroorzaken opgenomen. Tabel 5 geeft een overzicht van de geneesmiddelen die frequent orale hypo-esthesie veroorzaken. Van beide sensibiliteitsstoornissen is het werkingsmechanisme onduidelijk (Tait et al, 2017). Orofaciale sensibiliteitsstoornissen gaan vaak gepaard met xerostomie en hyposalivatie, bijwerkingen die in dit artikel niet zijn meegenomen, maar een zeer frequente bijwerking zijn van medicatiegebruik (Freilich et al, 2019).

Tabel 4. Medicatie met als frequente bijwerking orale paresthesie.

Tabel 5. Medicatie met als frequente bijwerking orale hypo-esthesie.

Conclusie

Concluderend kan gesteld worden dat er veel medicijnen zijn die frequent gepaard gaan met bijwerkingen die zich manifesteren in de orale mucosa. Voor de mondzorgverlener is het van groot belang deze bijwerkingen te herkennen. In een eerdere publicatie van De Baat et al in het NTVT werd al aangegeven dat men zich ervan bewust dient te zijn dat medicijnen die bijwerkingen op de orale mucosa kunnen veroorzaken niet per definitie de oorzakelijke factor zijn (De Baat et al, 2018). Gedegen onderzoek is nodig om de etiologisch factor van de afwijking te kunnen vaststellen.

Indien aannemelijk is dat de afwijking inderdaad wordt veroorzaakt door een medicament dient men te overleggen met de voorschrijvend arts alvorens de medicatie aan te laten passen of te staken. Dit is van groot belang, aangezien veel van de beschreven medicijnen worden voorgeschreven bij maligniteiten of auto-immuunziekten. Het behoeft geen uitleg dat staken van deze medicatie grote gevolgen kan hebben voor het ziekteverloop van de patiënt. Het verdient aanbeveling om bij het vermoeden van een bijwerking van medicatie met de voorschrijvend arts te overleggen, ook al is de verdenking op een medicatiegeïnduceerde bijwerking laag en/of lijkt de klinische consequentie van de bijwerking beperkt. Op die manier kan er tijdig worden afgewogen of een interventie mogelijk is die de negatieve bijwerkingen kan doen wegnemen.

 
Top 5 geneesmiddelen uit dit artikel met de meeste gebruikers in Nederland
1 .Amoxicilline   (1.048.000)*
2. Miconazol      (236.680)
3. Eteroricoxib   (141.980)
4. Methotrexaat (65.676)
5. Clindamycine (57.970)
*aantal keer verstrekt door openbare apotheken
(Bron: cijfers 2014 GIP databank. www.gipdatabank.nl)

Beeld: Shutterstock

 Literatuur

  • Al-Ansari S, Zecha JA, Barasch A, Lange J de, Rozema FR, Raber-Durlacher JE. Oral mucositis induced by anticancer therapies. Curr Oral Health Rep 2015; 2: 202-211.
  • de Baat C, Zweers P, Vissink A. Serie: Medicamenten en mondzorg. Bijwerkingen van medicamenten en zelfzorgmiddelen op de gingiva. Ned Tijdschr Tandheelkd 2018; 125: 336-340.
  • Bachour PC, Sonis ST. Predicting mucositis risk associated with cytotoxic cancer treatment regimens: rationale, complexity, and challenges. Curr Opin Support Palliat Care 2018; 12: 198-210.
  • Brenner S, Bialy-Golan A, Ruocco V. Drug-induced pemphigus. Clin Dermatol 1998; 16: 393-397.
  • Centraal bureau voor de Statistiek (CBS) StatLine: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/81071ned/table?ts=1576573931321, geraadpleegd op 17-12-2019
  • Fortuna G, Aria M, Schiavo JH. Drug-induced oral lichenoid reactions: a real clinical entity? A systematic review. Eur J Clin Pharmacol 2017; 73: 1523-1537.
  • Freilich JE, Kuten-Shorrer M, Treister NS, Woo SB, Villa A. Burning mouth syndrome: a diagnostic challenge. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol 2020; 129: 120-124.
  • Garcia-Cuesta C, Sarrion-Perez MG, Bagan JV. Current treatment of oral candidiasis: A literature review. J Clin Exp Dent 2014; 6: e576-582.
  • Hirota SK, Moreno RA, dos Santos CH, Seo J, Migliari DA. Analysis of a possible association between oral lichen planus and drug intake. A controlled study. Med Oral Patol Oral Cir Bucal. 2011; 16: e750-756.
  • Jinbu Y, Demitsu T. Oral ulcerations due to drug medications. Japanese Dental Science Review 2014; 50: 40-46.
  • Kalantzis A, Marshman Z, Falconer DT, Morgan PR, Odell EW. Oral effects of low-dose methotrexate treatment. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2005; 100: 52-62.
  • Kauzman A, Pavone M, Blanas N, Bradley G. Pigmented lesions of the oral cavity: review, differential diagnosis, and case presentations. J Can Dent Assoc 2004; 70: 682-683.
  • Laheij A, Raber-Durlacher JE, Koppelmans RGA, et al. Microbial changes in relation to oral mucositis in autologous hematopoietic stem cell transplantation recipients. Sci Rep 2019; 9:16929.
  • MeSH Browser. Mucositis MeSH Descriptor Data 2020.U.S. National Library of Medicine: https://meshb.nlm.nih.gov/record/ui?ui=D052016, geraadpleegd op 17-12-2019.
  • Nadig SD, Ashwathappa DT, Manjunath M, et al. A relationship between salivary flow rates and Candida counts in patients with xerostomia. J Oral Maxillofac Pathol 2017; 21: 316.
  • Parkhill AL. Oral mucositis and stomatitis associated with conventional and targeted anticancer therapy. J Pharmacovigilance 2013; 1: 1000112.
  • Raber-Durlacher JE, Elad S, Barasch A. Oral mucositis. Oral Oncol 2010; 46: 452-456.
  • Rademacher WMH, Aziz Y, Hielema A, et al. Oral adverse effects of drugs: Taste disorders. Oral Dis 2020; 26: 213-223.
  • Reichart PA, Samaranayake LP, Philipsen HP. Pathology and clinical correlates in oral candidiasis and its variants: a review. Oral Dis 2000; 6: 85-91.
  • Scully C, Bagan JV. Adverse drug reactions in the orofacial region. Crit Rev Oral Biol Med 2004; 15: 221-239.
  • Shea B, Swinden MV, Ghogomu ET, et al. Folic acid and folinic acid for reducing side effects in patients receiving methotrexate for rheumatoid arthritis. J Rheumatol 2014; 41: 1049-1060.
  • Smith RG, Burtner AP. Oral side-effects of the most frequently prescribed drugs. Spec Care Dentist 1994; 14: 96-102.
  • Sonis ST. The pathobiology of mucositis. Nat Rev Cancer 2004; 4: 277-284.
  • Sonis ST. Pathobiology of oral mucositis: novel insights and opportunities. J Support Oncol 2007; 5: 3-11.
  • Soysa NS, Samaranayake LP, Ellepola AN. Antimicrobials as a contributory factor in oral candidosis - a brief overview. Oral Dis 2008; 14: 138-143.
  • Tait RC, Ferguson M, Herndon CM. Chronic orofacial pain: burning mouth syndrome and other neuropathic disorders. J Pain Manag Med 2017; 3: pii 120.
  • Williams D, Lewis M. Pathogenesis and treatment of oral candidosis. J Oral Microbiol 2011; 3.
  • Wolff A, Joshi RK, Ekström J, et al. Serie: Medicamenten en mondzorg. Systematisch literatuuronderzoek naar effect van medicatie op de speekselklieren. Ned Tijdschr Tandheelkd 2018; 125: 593-601.
  • Yousefi H, Abdollahi M. An update on drug-induced oral reactions. J Pharm Pharm Sci 2018; 21: 171-183.
  • Yuan A, Woo SB. Adverse drug events in the oral cavity. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol 2015; 119: 35-47.
  • Zhou L, Rupa AP. Categorization and association analysis of risk factors for adverse drug events. Eur J Clin Pharmacol 2018; 74: 389-404.
  • Zorginstituut Nederland. Farmacotherapeutisch Kompas.: https://www.farmacotherapeutischkompas.nl, geraadpleegd op 17-12-2019.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • W. Rooijers1, W.M.H. Rademacher1,2, J.E Raber-Durlacher1,2, Y. Aziz1, A.P. Hielema3, F.R. Rozema1,2
  • Uit 1de afdeling Orale Geneeskunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde, 2de afdeling Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie vaan het Amsterdam UMC/Universiteit van Amsterdam en 3de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie in Den Haag
  • Datum van acceptatie: 18 mei 2020
  • Adres: W. Rooijers, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • Wietse.rooijers@acta.nl

Reacties

Tuesday 28th July 2020 — NTVT Redactie
Collega, bedankt voor uw reactie op ons artikel over mucosale bijwerkingen van medicatie. U stelt een terechte vraag, namelijk: waarom staan er geen geneesmiddelen die vallen onder de inhalatiemedicatie in het overzicht? Een bekende bijwerking van inhalatiecorticosteroïden, die vaak worden voorgeschreven bij astma en COPD, is immers orofaryngeale candidiasis. Deze geneesmiddelen worden door Nederlandse patiënten veel gebruikt. Het zou dan ook zinvol zijn om adviezen te geven voor de algemeen practicus die bij een patiënt het vermoeden heeft op orofaryngeale candidiasis als bijwerking van inhalatiemedicatie. De reden dat de inhalatiemedicatie niet in het overzicht zijn opgenomen heeft een oorsprong in de definities van de verschillende bijwerkingen die gebruikt zijn in de database die ten grondslag ligt aan het artikel. Om praktische redenen zijn in de gebruikte database bijwerkingen van medicijnen opgenomen die zoveel mogelijk zijn toegespitst op de orale mucosa. Derhalve is de bijwerking ‘orale candidiasis’ wel meegenomen in de resultaten, maar de bredere term ‘orofaryngeale candidiasis’ niet. Het Informatorium Medicamentorium, het instituut dat de data leverde voor de in dit artikel gebruikte database, en het Farmacotherapeutisch Kompas beschrijven voor veel inhalatiemedicijnen wél de bredere term orofaryngeale candidiasis, maar niet de toegespitste term orale candidiasis. Zodoende zijn de inhalatiemedicatie buiten het overzicht gebleven. Het is inderdaad goed om de algemeen practicus van een aantal adviezen te voorzien in het kader van patiënten met bijwerkingen ten gevolge van inhalatiemedicatie. We zullen de komende tijd te werken aan een artikel voor de rubriek 'Hoe zit het nu eigenlijk?!' over deze vaak verstrekte inhalatiemedicatie. Wietse Rooijers, arts-onderzoeker ACTA, en coauteurs
Tuesday 28th July 2020 — T.H. van den Berg
Bij deze wil ik collega Rooijers et al bedanken voor de mooie uiteenzetting van de bijwerkingen van medicatie op de orale mucosa in de NTVT-editie van juli & augustus. U geeft in het artikel een indeling van de verschillende mucosa-afwijkingen. Ik begrijp dat u niet alle medicijnen met invloed op de mucosa kunt behandelen en dat u daarom alleen medicijnen opneemt die bij meer dan 1% van de patiënten de bijwerking vertoond. Daarbij benoemt u medicijnen die in zeer specialistische setting onder zeer gecontroleerde situaties verstrekt worden aan patiënten die een behandeling voor een malignitiet ondergaan. De algemeen practicus zal deze patiënten gedurende hun specialistische behandelingsperiode vrijwel nooit zien en zou daarom nooit echt inhoudelijke adviezen durven geven. Ik vraag mij af waarom u eigenlijk een hele grote groep van medicatie voor de luchwegen met bijwerkingen op de orale mucosa buiten beschouwing heeft gelaten. Het gaat dan om de inhalatie medicatie met glucocorticoïd zoals Seritide™ (319.000), Flixotide™ (215.000), Qvar™ (77.000), Pulmicort™ (64.000), Alvesco™ (59.000). Deze groep medicamenten tegen astma heeft 734.000 gebruikers en dus bijna 3 maal meer gebruikers dan uw nummer 2 met meeste gebruikers (namelijk miconazol). Volgens het Farmacotherapeutisch Kompas komen de bijwerking candidiasis van mond en keel vaak (1-10%) voor bij al deze medicatie. Zou u nog kunnen ingaan op het juiste gebruik van dit medicament en op de adviezen die de algemeen practici zouden kunnen geven als orofaryngeale candidiasis ten gevolge van gebruik van inhalatiemedicatie met glucocorticoïd wordt vermoed. Daarbij komt dat in tegenstelling tot uw top 5 medicatie die voornamelijk bestaat uit antimicrobiële middelen met kortdurend gebruik, de inhalatie glucocorticoïden meestal langdurig gecontinueerd moet worden en niet gemakkelijk gestopt of gewijzigd kan worden.

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog