× ABONNEREN

Serie: Onderwijs en de tandarts anno 2025. De externe praktijkstage: proeven aan de beroepsuitoefening als tandarts

  • Inleiding
  • Werkplekleren
  • Ervaringen met werkplekleren in de tandheelkunde
  • Contouren voor een externe praktijkstage in Nederland
  • Nabeschouwing
  • Literatuur
  • Dankwoord
  • Reacties (0)

Samenvatting

Het praktisch onderwijs van de opleidingen tandheelkunde is in Nederland voor een belangrijk deel georganiseerd binnen de muren van de onderwijsinstelling. Terwijl bij veel andere medische opleidingen het praktisch onderwijs in ruime mate plaatsvindt in de beroepsomgeving. De externe praktijkstage is een vorm van werkplekleren waarmee bij buitenlandse opleidingen tandheelkunde, zowel door studenten als tandartsbegeleiders, positieve ervaringen zijn opgedaan. De Nederlandse opleidingen tandheelkunde hebben het gezamenlijke plan om praktijkstages in tandartspraktijken op te zetten voor masterstudenten in het laatste jaar de studie. Doel van deze externe praktijkstage is dat studenten in de afsluitende fase van hun opleiding de opgedane kennis en vaardigheden leren toepassen in een concrete beroepsomgeving. Het gaat daarbij zowel om het klinisch-tandheelkundig handelen als het kunnen organiseren van mondzorg aan patiënten en alles wat daarbij komt kijken. In dit artikel worden de contouren beschreven van dit programma.
 

 

Inleiding

Van oudsher kent de opleiding tandheelkunde een sterke praktische oriëntatie. Naast de tandheelkundig-medische kennisontwikkeling over (peri)orale weefsels en het oraal functioneren, wordt veel aandacht besteed aan het ontwikkelen van vaardigheden om mondziekten te herkennen, te diagnosticeren en te behandelen. Wat betreft behandelen gaat het vooral om preventie en om, indien nodig, schade te herstellen van door ziekte aangetast weefsel in de mond. Dit loopt uiteen van een eenvoudige restauratie tot het aanmeten en plaatsen van een gebitsprothese.

Het praktisch klinisch onderwijs in Nederland is voor een belangrijk deel georganiseerd binnen de fysieke onderwijsinstelling. Op de prekliniek en de digitale simulatieomgeving maken studenten zich basisvaardigheden eigen en binnen de universiteitskliniek (‘op zaal’) ontwikkelen en verdiepen zij deze vaardigheden verder door echte patiënten te behandelen. Dit gebeurt onder het wakende begeleidende en controlerend oog van tandartsdocenten. Deze zijn eindverantwoordelijk voor de patiëntbehandeling binnen de kliniek op basis van hun inschrijving in het register ‘Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg’ (BIG) (CIBG, 2020).

Binnen andere medische opleidingen wordt het praktisch klinisch onderwijs vaker georganiseerd in de beroepspraktijk. Er worden zelfs verschillende vormen van werkplekleren ingezet, uiteraard onder begeleiding van bevoegde zorgverleners. De opleiding tot huisarts is daarvan een voorbeeld waarbij een nationaal netwerk is opgezet van huisartspraktijken waar huisartsen in opleiding ervaring opdoen in het beroep, onder begeleiding van een ervaren huisarts (Huisartsopleiding Nederland, 2020). Ook binnen de opleiding tot basisarts, verpleegkundige, fysiotherapeut en mondhygiënist is werkplekleren een belangrijk onderdeel.

Dat het praktisch klinisch onderwijs binnen de tandheelkunde vrijwel uitsluitend binnen de muren van de opleiding plaatsvindt, heeft vermoedelijk te maken met het feit dat voldoende ervaring moet worden opgedaan met invasieve handelingen (VSNU, 2008). Denk daarbij aan prepareren en extraheren van gebitselementen. Hiervoor is in de opleidingsfase veel begeleiding, toezicht en controle nodig. De afgelopen jaren zijn verschillende initiatieven ontstaan om ook binnen de opleiding tot tandarts werkplekleren te introduceren. Zo kent de opleiding in Nijmegen (Radboudumc) al enkele jaren een stage in tandartspraktijken voor masterstudenten (‘praktijkstage’) als vast onderdeel van het programma en is de opleiding in Amsterdam (ACTA) in 2016 begonnen met een pilot voor een externe praktijkstage voor masterstudenten in het laatste jaar van hun opleiding. De opleiding in Groningen (UMC Groningen) geeft masterstudenten de mogelijkheid om de vrije studieruimte te benutten voor een externe praktijkstage.

In dit artikel wordt nader ingegaan op de mogelijkheden om binnen de opleiding tot tandarts de externe praktijkstage een structurele plaats te geven. Eerst wordt ingegaan op kenmerken van werkplekleren in het algemeen en op ervaringen hiermee binnen tandheelkundige opleidingen in het buitenland. Vervolgens worden verschillende inhoudelijke en organisatorische aspecten van de externe praktijkstage in de tandartspraktijk besproken. Daarna wordt een schets gegeven van een gezamenlijk plan van de 3 opleidingen tandheelkunde om structureel externe praktijkstages mogelijk te maken.

Werkplekleren

In de canon voor het beroepsonderwijs omschrijven Hoeve en Van Vlokhoven (2017) werkplekleren als een “onmisbare inwijding in het beroep”. Want, stellen zij, “in de praktijk krijgt men pas een beroep goed in de vingers” en “daarbij gaat om méér dan alleen kennis en kunde”. Elk beroep heeft ook “zijn eigen cultuur en specifieke morele principes”, waarmee men vertrouwd moet raken. Denk bijvoorbeeld aan omgang met collega’s, medewerkers en patiënten/cliënten en de vigerende beroepsethiek (wat mag wel en wat mag niet).

Van der Klink en Boon (2014) onderscheiden verschillende vormen van werkplekleren, met een oplopende intensiteit van inzet. Allereerst noemen zij de beroepsoriënterende stage, die is gericht op een kennismaking met het beroep. In deze stage is niet echt sprake van meewerken, eerder van meelopen en observeren. De beroepsopleidende stage vindt vooral plaats in de tweede helft van de opleiding, waarbij studenten voor langere of kortere tijd in een werksituatie een deel van hun opleiding volgen. Studenten kunnen tijdens de praktijkstage meewerken en naarmate zij meer ervaring opdoen de werkzaamheden steeds zelfstandiger verrichten. Ook zijn er stages waarbij de studenten een concreet project uitvoeren als onderdeel van een bredere ontwikkeling binnen die werkplek (bedrijf, praktijk of school). Zoals blijkt uit tabel 1 zijn er nog andere vormen van werkplekleren. In alle gevallen gaat het bij werkplekleren om een combinatie van kennis verwerven én participatie, waarbij “leren plaatsvindt in reële arbeidssituaties als leeromgeving en met werkelijke problemen uit de arbeidspraktijk als leerobject” (Onstenk, 2011). Werkplekleren gaat echter niet vanzelf en Reenalda (2009) vindt dan ook dat het van belang is om eisen te stellen aan de werkplek en de begeleiding van de student (intermezzo 1).

Tabel 1. Vormen van werkplekleren (Bron: Van der Klink en Boon, 2014).
 
 
Intermezzo 1. Kenmerken van werkplek­leren
- Werkplekleren is onderdeel van de opleiding.
- De opleiding blijft eindverantwoordelijk voor kwaliteit van de werkplek, onder meer wat betreft het niveau van de werkzaamheden, de aansluiting van die werkzaamheden op de inhoud van de opleiding en het leerklimaat.
- De begeleider op locatie hoeft geen docent te zijn, wel vakbekwaam.
- Docenten van de opleiding hebben kennis en interesse voor de beroepsuitoefening op het vakgebied en volgen een student (op afstand) tijdens de periode van werkplekleren om tijdig problemen te signaleren en zo nodig daaraan iets te doen. Dit vraagt om een zekere frequentie van contact tussen student, docent van de opleiding en begeleider op locatie. Voorkomen van out of sight, out of mind is het devies.
- Naast de algemene doelstelling van de externe praktijkstage stellen studenten een eigen stagewerkplan op voor eigen leerdoelen en werkzaamheden en stemmen dat af met de begeleider en de docent van de opleiding.
Bron: Van der Klink en Boon, 2014

Voor het specifiek beoordelen van de prestaties bij werkplekleren zijn verschillende instrumenten voorhanden. In tabel 2 worden deze kort getypeerd aan de hand van het doel en de belangrijkste aandachtspunten van ieder instrument. Het hanteren van een mix van deze instrumenten verhoogt de betrouwbaarheid en validiteit van de beoordeling (Van der Klink en Boon, 2014). Verder is het van belang bij beoordelen van de studenten aansluiting te vinden bij de heersende werkcultuur van het beroep waarvoor de opleiding wordt gevolgd (Sluijsmans, 2013).

 Tabel 2. Instrumenten voor het beoordelen van werkplekleren (Bron: Van der Klink en Boon, 2014).

Ervaringen met werkplekleren in de tandheelkunde

Van studenten

Uit de literatuur blijkt dat een externe praktijkstage binnen een praktijksetting door tandheelkundestudenten positief wordt ervaren. Het geeft hen in vergelijking met het behandelen van patiënten ‘op zaal’, meer zelfvertrouwen (Smith et al, 2006a; Lynch et al, 2010a; Lynch et al, 2010b). Verder melden studenten dat tijdens een externe praktijkstage men méér klinische ervaring opdoet en een breder scala aan patiënten ziet (Smith et al, 2010; Lynch et al, 2010b; Ali et al, 2016). Studenten vinden het werken met een ervaren tandartsassistent leerzaam en een stimulans om zelf gestructureerd te werken (Wu et al, 2016; Gosselink, 2018). Ook noemen zij dat tijdens een externe praktijkstage veel meer patiënten behandeld kunnen worden dan in de traditionele manier van tandheelkundig onderwijs en dat men in aanraking komt met verschillende behandelmethoden (Smith et al, 2006b). Daarnaast leren zij hoe het is om in een multidisciplinair team te werken (Elkind et al, 2005). Voorts wordt als positief ervaren dat ze leren om de patiënten efficiënter te behandelen, door een strakkere behandelplanning en aandacht voor hoe de beschikbare tijd daarbij wordt besteed (Ali et al, 2016). Zie intermezzo 2 voor reacties van studenten op de praktijkstage.

 
Intermezzo 2: Wat vinden studenten van de praktijkstage?
In een artikel in het Nederlands Tandartsenblad uit 2018 doen 3 masterstudenten van de verschillende opleidingen tandheelkunde positief verslag van hun ervaringen in de externe praktijkstage (Gosselink, 2018). Daaruit komt naar voren dat de studenten tijdens de stage vooral geleerd hebben om op tempo te werken en dat ze meer vertrouwen in eigen kennen en kunnen hebben gekregen. Verder hebben ze ervaren hoe het in een praktijk toegaat en geven ze aan veel te hebben geleerd van teambesprekingen en gesprekken met tandartsen in de praktijk.
Uit niet gepubliceerde Nijmeegse evaluaties komt naar voren dat er nog meer kan worden geleerd als er structureel een eigen agenda en een eigen behandelstoel beschikbaar is en als er kan worden samengewerkt met een ervaren tandartsassistent. Vergelijkbare positieve ervaringen tekenen Amsterdamse studenten op in hun stageverslagen. Zo stelt een student:
“Al met al heeft deze stage ervoor gezorgd dat ik meer kennis en zelfvertrouwen heb opgedaan waardoor ook mijn communicatieve vaardigheden zijn verbeterd. De stap van student tandheelkunde naar beginnende tandarts is verkleind. Terugkijkend op de stage heb ik zeer goede begeleiding gehad. Door intensief samen te werken voelde ik mij vrij om alles te vragen wat ik wilde weten. Ik vond het leuk te discussiëren over behandelplannen, richtlijnen en behandelstrategieën. Naast mijn vaste stagebegeleider waren andere tandartsen ook bereid mij mee te laten kijken en mij vaardigheden aan te leren. Ik voelde mij deel van het team van de praktijk, wat de werksfeer ten goede kwam”.
Ook veel tandarts-stagebegeleiders kijken tevreden terug op de praktijkstage. Een van hen verwoordt dit als volgt:
“Stage lopen in een externe praktijk is een hele interessante ontwikkeling binnen de studie tandheelkunde. Niet alleen kunnen studenten ervaring opdoen met het werken buiten een universitaire setting maar ook de begeleiders kunnen in contact komen met de (nieuwe) werkwijze van behandelingen binnen de universiteit. Ik vind het zelf heel leuk om de studenten te begeleiden, door onderbouwing van mijn keuzes tijdens het behandelen word ik ook uitgedaagd om aan diverse aspecten te denken. Dit in plaats van behandelingen uit te voeren die binnen mijn ‘comfort zone’ liggen”.

Vanuit het onderwijs

Vanuit onderwijskundig perspectief wordt aangegeven dat studenten na het vijfde studiejaar voldoende kennis en vaardigheden hebben om zelfstandig in een praktijk te functioneren (Gosselink, 2018). Verder zorgt een externe praktijkstage tijdens het laatste jaar van de opleiding ervoor dat de transitie naar het werkveld een meer dynamisch proces is. Er wordt al realistische ervaring opgedaan met wat hen in het toekomstige werkveld te wachten staat (Ali et al, 2016). Dit wordt een pluspunt genoemd als een startende tandarts bij een praktijk gaat solliciteren (Craddock, 2011). Overigens constateren Lynch et al (2010b) dat studenten die klinische ervaring hadden opgedaan in een door de universiteit opgezette praktijksetting (outreach teaching) betere punten haalden voor hun klinische toetsen dan studenten die alleen traditioneel onderwijs hadden gehad.

Van praktijkhouders

Door praktijkhouders waar de studenten praktijkstage lopen, worden ook voordelen genoemd. Zo stelt Craddock (2011) op basis van een evaluatie van een project met “general dental practice placements” en Sabey et al (2016) dat een student, die binnen de praktijk komt werken, het hele team meer energie geeft. Zo zouden bijvoorbeeld ervaren tandartsassistenten ook een rol kunnen krijgen in de begeleiding en de inzet van een student die langere periode blijft, kan mogelijk zelfs de werkdruk in de praktijk verminderen. Bovendien draagt het begeleiden van studenten in de praktijk bij aan een positief profiel en goede reputatie van de praktijk.

Toch worden bij werkplekleren in een tandheelkundige praktijksetting ook kanttekeningen geplaatst. Craddock (2011) brengt naar voren dat het een behoorlijke tijdsinvestering vraagt van de praktijk, zeker in de beginperiode van een stage. Daarnaast is het niet altijd duidelijk wat de onderwijskundige kwaliteiten zijn van de stagebegeleiders in een praktijk en hoe betrokken de medewerkers in een team zijn in het creëren van een veilige werk- en leeromgeving (Lynch et al, 2010a; Ali et al, 2016). Onder meer hierdoor kan, volgens Smith et al (2010), een grote variatie in leerervaring optreden. Een andere kanttekening is dat studenten het stressvoller vinden om patiënten in een tandartspraktijk te behandelen, doordat patiënten hoge verwachtingen hebben omdat ze meer geld betalen voor hun behandeling (Ali et al, 2016).

Contouren voor een externe praktijkstage in Nederland

Binnen de Nederlandse opleidingen tandheelkunde wordt sinds enkele jaren ervaring opgedaan met externe praktijkstages. Het gaat hier om studenten tijdens het laatste jaar van hun masteropleiding, waarbij zij in de praktijken ook actief patiënten behandelen (afb. 1). Zo kent de opleiding in Nijmegen (Radboudumc) sinds 2013 een programma waarin alle master 3-studenten gedurende 3 maanden 1 dag per week in een tandartspraktijk stage lopen (12 dagen). Deze praktijkstage is een aanvulling op het normale klinische onderwijsprogramma en levert derhalve ook extra studiepunten op. In Amsterdam (ACTA) is in 2017 begonnen met een pilot voor externe stages in tandartspraktijken. Dit werd gedaan na sluiting van de academische groepspraktijk in Almere waar master 3-studenten voorheen het laatste deel van hun praktische opleiding volgden. Binnen deze pilot lopen studenten gedurende 12 aaneengesloten weken 2 dagen in de week stage (24 dagen). Inmiddels hebben enkele tientallen studenten een externe praktijkstage gelopen in ongeveer even zoveel praktijken. In Groningen is in 2016 een soortgelijke pilot uitgevoerd, waarbij master 3-studenten gedurende 20 weken 1 dag in de week in een regionale praktijk stage liepen als onderdeel van het klinische programma Algemene Praktijk Master 3 (20 dagen). De ervaringen van studenten én stagebegeleiders in de praktijken waren zowel in Nijmegen, Groningen als Amsterdam positief en in overeenstemming met wat uit de hiervoor beschreven ervaringen uit de literatuur kwam.

Afb. 1. Invulling van de externe praktijkervaring voor derdejaars masterstudenten van de 3 opleidingen tandheelkunde. (Illustratie: Guido van Gerven, Duplo Studio)

De positieve ervaringen hebben geleid tot een initiatief van de 3 tandheelkundige opleidingen om gezamenlijk een nationaal programma op te stellen voor de externe praktijkstage voor derdejaars masterstudenten. Studenten van de verschillende opleidingen kunnen zo een vergelijkbaar traject doorlopen in zogenoemde ‘opleidingspraktijken’. Daarnaast biedt dit tandartspraktijken duidelijkheid over wat van hen wordt verwacht als stageplaats en is het makkelijker om studenten van de verschillende opleidingen te plaatsen bij zelfde praktijken.

Doel van de externe praktijkstage

Met de externe praktijkstage is het de bedoeling dat studenten in de afsluitende fase van hun opleiding de opgedane kennis en vaardigheden leren toepassen in een concrete beroepsomgeving. Zij kunnen zodoende zich verder ontwikkelen tot competente tandartsen, die inzicht hebben in het totale vakgebied en die dagelijks voordoende problemen zelfstandig kunnen oplossen. Volgens het Raamplan Tandheelkunde blijft dit niet beperkt tot het kunnen doorgronden van klinisch-tandheelkundige problemen, het organiseren van mondzorg aan patiënten en verrichten van tandheelkundig behandelingen (VSNU, 2020). Van belang is ook dat studenten kunnen communiceren met patiënten, kunnen samenwerken met andere zorgverleners en daarbij de grenzen van het eigen kennen en kunnen goed leren inschatten en te verwijzen naar anderen als dat nodig is. Verder moeten zij bij klinische afwegingen wetenschappelijk kunnen denken en handelen én moeten zij ten aanzien van de organisatorische, juridische, administratieve en bedrijfsmatige aspecten van de tandartspraktijk maatschappelijk verantwoord kunnen handelen. Bovendien doen zij ervaring op met de centrale, coördinerende en leidinggevende rol van de tandarts in de mondzorg.

Kortom, in de externe praktijkstage krijgen master 3-studenten nog beter de gelegenheid te laten zien dat zij de tijdens hun studie opgedane kennis en vaardigheden kunnen benutten en toepassen binnen de werkomgeving van een tandartspraktijk in overeenstemming met geldende professionele waarden en normen.

Opzet van de externe praktijkstage

  • Voor een nationaal programma zou het raadzaam zijn om de omvang van de praktijkstage gezamenlijk te bepalen maar voor de invulling verschillende varianten toe te laten. Dit biedt de opleidingen de mogelijkheid om de externe praktijkstage flexibel in het curriculum op te nemen en geeft praktijken ruimte om een student zo goed mogelijk te kunnen begeleiden en faciliteren. Zo zou de praktijkstage bijvoorbeeld het hele studiejaar (42 weken) 1 dag in de week kunnen zijn, maar ook 21 weken 2 dagen in de week of een andere variant van gelijke duur. Dit voorstel voor een langere periode komt voort uit de reacties van veel studenten en stagebegeleiders dat de praktijkstage best langer had mogen duren. Bovendien biedt een langere stageperiode praktijken meer mogelijkheden een stagiair in het werkproces in te passen (afb. 2).

Afb. 2. Nieuwe opzet van de externe praktijkstage.
(Illustratie: Guido van Gerven, Duplo Studio)
  • De externe praktijkstage is vooral bedoeld om een derdejaars masterstudent gelegenheid te bieden de opgedane theoretische kennis en verworven praktische vaardigheden te kunnen toepassen in een concrete beroepssetting, onder begeleiding van een praktiserend tandarts. Ook de omgang met diverse patiënten, het samenwerken met anderen en het betrokken worden bij het reilen en zeilen van de praktijk zijn belangrijk. Het programma van de stage zal daarop afgestemd zijn, maar het is ook de bedoeling dat een student daarin zelf accenten aanbrengt met eigen leerdoelen. Aan het begin van de externe praktijkstage stelt de student eigen leerdoelen op en legt deze vast in een stagewerkplan, in samenspraak met een docent van de opleiding én de tandarts-stagebegeleider. Vanzelfsprekend kan een student pas aan een stage beginnen als daarvoor een aantoonbaar niveau in de studie is behaald, dat in ieder geval ook de tandarts-stagebegeleider duidelijkheid biedt over verkregen kennis en vaardigheden.
  • Voor de vertaling van de gestelde leerdoelen naar professionele activiteiten, op zowel klinisch als niet-klinisch vlak, zal waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van entrustable professional activities, de zogenoemde EPA's (Ten Cate et al, 2015a; Goodell et al, 2019). Dit zijn afgebakende en concrete professionele activiteiten die het dagelijks werk van de zorgverlener omschrijven, die kunnen worden onderscheiden in meerdere (proces- of handelings)stappen en kunnen variëren in complexiteit. In aanvulling op competenties, die ‘capaciteiten en kwaliteiten’ meer algemeen beschrijven, bieden EPA’s begeleiders een praktisch raamwerk om gedrag op competentie te beoordelen. Daarmee maken ze opleidingsdoelen voor studenten en begeleiders concreet, expliciteren ze het concept vertrouwen in praktijktoetsing en bieden ze de mogelijkheid om werkplekcurricula te flexibiliseren (Pool et al, 2018). Het praktisch onderwijs binnen de opleiding kan door de EPA’s goed worden geïntegreerd met wat de studenten leren op de externe praktijkstage en andersom. De 3 opleidingen beogen binnen het hele praktische curriculum het werken met EPA’s in te voeren (Ten Cate et al, 2015b). Daartoe zal het portfolio, waarin studenten de ontwikkeling van hun competenties dienen bij te houden, worden afgestemd op het werken met EPA’s. Overigens heeft de opleiding in Nijmegen al sinds 2016 veel ervaring opgedaan met het werken met EPA’s in de masterklinieken.
  • De begeleiding van studenten tijdens de externe praktijkstage vindt plaats door een tandarts-stagebegeleider. Daarmee valt de door de student verleende klinische zorg tijdens de stage onder de BIG-registratie van de stagebegeleider. Dat betekent dat eventuele aansprakelijkheid voor de verleende zorg, denk aan een klacht, bij de stagebegeleider ligt. Om onduidelijkheid te voorkomen, zal daarom de opzet van de externe praktijkstage met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) worden afgestemd en zullen rechten en plichten voortvloeiend uit wet- en regelgeving in een stagereglement worden vermeld en tussen opleiding en stagepraktijk contractueel worden vastgelegd. De stagegeleider begeleidt de student actief binnen de praktijk. Hij/zij houdt daarbij de visie van de opleiding in het achterhoofd en fungeert als rolmodel. In het contact met de student expliciteert, motiveert de begeleider het eigen beroepsmatig handelen op een verantwoorde en veilige manier. Dat vraagt om positieve ondersteuning vanuit de begeleider, gericht op ‘wat de student nodig heeft om zich te verbeteren’ en dat zonder belerend te zijn. De rol van de docent van de opleiding ligt bij de externe praktijkstage voornamelijk op het vlak van coachen en het bieden van reflectie. Dit zal vorm krijgen tijdens terugkomdagen, die kunnen bestaan uit plenaire besprekingen van casussen uit de stage of onderwerpen die in de stagepraktijk en de opleiding verschillend blijken te worden benaderd zoals behandeling, aanpak in organisatie, samenwerking enzovoort. Daarnaast zal er tijdens de terugkomdagen ruimte zijn voor individuele begeleiding van studenten en voor het toezien op het bijhouden van het portfolio door de studenten.
  • Voor de beoordeling van de externe praktijkstage blijft de opleiding eindverantwoordelijk, maar daarin krijgt de stagebegeleider vanzelfsprekend een belangrijke stem. In een eindgesprek bespreken de student en de stagebegeleider de stage aan de hand van het stagewerkplan en doen daarvan verslag op een (digitaal) stagebeoordelingsformulier, dat na invulling door beiden wordt ondertekend. De student neemt dit formulier op in het portfolio, waarin meer stage-ervaringen zijn opgetekend en dat geheel wordt besproken met de docent van de opleiding. Bij vragen of onduidelijkheden kan een docent zo nodig contact opnemen met stagebegeleider.

Werving van praktijken

  • Als alle derdejaars masterstudenten in Nederland een externe praktijkstage gaan lopen, dan is er een aanzienlijk aantal praktijken nodig om hen onderdak te verlenen. Bij de huidige instroom zijn per studiejaar ongeveer 245 stageplaatsen nodig om al deze studenten onder te brengen. Vanuit de opleidingen zullen criteria worden opgesteld voor het werven van die praktijken. Belangrijke punten daarbij zijn de bereidheid een student tijdens de praktijkstage te begeleiden, de beschikbaarheid van een behandelstoel tijdens de stagedagen en de mogelijkheid voor de student om te werken met een (ervaren) tandartsassistent. Daarnaast zijn het klinisch beleid van de praktijk, het patiëntenbeleid, praktijkinrichting en infectiepreventiebeleid aandachtspunten.
  • Bij belangstelling van een praktijk om te fungeren als stagepraktijk zal een stagecoördinator van de opleiding eerst een bezoek brengen aan de praktijk om kennis te maken, uitleg te geven over de bedoeling en opzet van de praktijkstage en eventuele vragen te beantwoorden. Wanneer een praktijk zich dan aanmeldt als stagepraktijk, wordt de samenwerking met de opleiding geformaliseerd in een overeenkomst. Daarin gaat het over afspraken met betrekking tot verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de student, de stagepraktijk en de opleiding. Dit betreft onder meer doel, inhoud en begeleiding van de stage, duur en werktijden van de stage, verzekeringen en aansprakelijkheid en een regeling bij geschillen.
    Vervolgens is het de bedoeling dat per stagepraktijk enkele studenten komen solliciteren voor een stageplaats, om praktijken in de gelegenheid te stellen een student te kiezen die zij graag willen begeleiden. In de logistiek om alle studenten bij een stagepraktijk onder te brengen kan dit enerzijds leiden tot vertraging in de procedure, maar anderzijds is de verwachting dat zo’n sollicitatieronde bijdraagt aan een succesvolle stage. Bovendien biedt het studenten een ervaring in het solliciteren naar een baan als tandarts, wat wanneer zij eenmaal afgestudeerd zijn voor velen op hun pad komt.
  • Tot slot wordt opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat studenten een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden in de stagepraktijk. Ook krijgen de praktijken geen financiële vergoeding voor hun inzet in de begeleiding van een student, anders dan dat de zorg die door een student wordt verleend wel gedeclareerd kan worden. Daartegenover staat dat praktijken zich wel kunnen afficheren als opleidingspraktijk en dat voor hen vanuit de opleidingen een begeleidingsprogramma wordt opgezet met aandacht voor ontwikkelingen binnen de mondzorg (klinisch en niet-klinisch) en didactiek. Voor de uitwerking van in het bijzonder didactische begeleiding zou de nationale huisartsenopleiding model kunnen staan (Huisartsopleiding Nederland, 2020). Bovendien zou het een goede zaak zijn als geregeld wordt dat tandarts-stagebegeleiders voor hun inzet gehonoreerd worden met punten voor het Kwaliteitsregister Tandartsen (KRT, 2020).

Nabeschouwing

Werkplekleren is binnen de opleidingen tandheelkunde in Nederland niet nieuw. In Amsterdam, Groningen en Nijmegen zijn verschillende vormen daarvan in zowel de bachelor- als de masterfase van het curriculum opgenomen. Te noemen zijn beroepsoriënterende ‘kijkstages’ in de bachelorfase, waarin studenten kennis maken met diverse professionele aspecten in een dagelijkse algemene of gedifferentieerde tandartspraktijk, de ‘ziekenhuisstage’ binnen afdelingen mond-, kaak- en aangezichtschirurgie van academische en perifere ziekenhuizen in de masterfase en praktijkstages in verpleeghuizen om bekend te raken met de specifieke problematiek van de vergrijzende bevolking. Daarnaast kunnen studenten ook op ‘buitenlandstage’ gaan, waarin naast het doen van onderzoek ook gelegenheid bestaat om praktijkervaring op te doen met patiëntbehandeling in een ander land. De externe praktijkstage voor masterstudenten in het laatste jaar van hun opleiding completeert deze vormen van werkplekleren. Vooral omdat die stage zich richt op de primaire beroepsuitoefening van de tandarts-algemeen practicus, niet alleen wat betreft klinisch handelen, maar ook wat betreft de niet-klinische kanten van het beroep zoals samenwerking, communicatie en praktijkmanagement.

Het is daarom goed dat de 3 opleidingen tandheelkunde in Nederland het voornemen hebben vorm en inhoud van dit onderdeel van de opleiding zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Dat biedt het voordeel dat alle in Nederland opgeleide tandartsen een vergelijkbare praktijkstage doen. Voor potentiële stagepraktijken geeft dit duidelijkheid over wat het faciliteren van een praktijkstage inhoudt en welke inzet daarvoor is gewenst. Het wordt dan ook makkelijker om studenten van verschillenden opleidingen tandheelkunde op stage te krijgen. Door samenwerking kan verder een goede structuur voor de uitvoering van de praktijkstage worden opgezet, waardoor de belasting voor de praktijk rond de organisatie beperkt kan blijven. De gezamenlijke aanpak maakt het ook makkelijker om het stageprogramma af te stemmen met de beroepsorganisaties en samen met hen praktijken op te roepen zich hiervoor aan te melden. Bovendien biedt de samenwerking mogelijkheden om de externe praktijkstage voor masterstudenten verder te ontwikkelen als een betekenisvolle schakel tussen opleiding en praktijk die aansluit bij verschillende ontwikkelingen binnen de (mond)gezondheidszorg. Denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat voor alle medisch beroepen life long learning de norm is, aan het feit dat menig aan een universiteit ontwikkelde innovatie in de gezondheidszorg er lang over doet om de praktijk te bereiken en aan het gegeven dat de praktijk voordeel kan hebben van het gebruik van wetenschappelijke kennis (Graham et al, 2018; Frankford et al, 2000). Andersom geldt ook dat de opleiding voordeel kan hebben van het gebruik van professionele kennis uit de praktijk (Mettes et al, 2017).

Het stageprogramma als onderdeel van de opleiding van iedere tandarts is niet van de ene op de andere dag te realiseren. Alleen al de werving van voldoende praktijken vraagt tijd, wat ook geldt voor de nodige aanpassingen in het curriculum en de opzet van de didactische begeleiding van stagebegeleiders. De inzet is er echter op gericht om binnen 5 jaar zo ver te zijn dat iedere student tandheelkunde in de masterfase een externe praktijkstage loopt.

Literatuur

  • Ali K, Tredwin C, Kay E, Slade A. Transition of new dental graduates into practice: a qualitative study. Eur J Dent Educ 2016; 20: 65-72.
  • ten Cate O, Chen HC, Hoff RG, Peters H, Bok, H, Van der Schaaf M. Curriculum development for the workplace using Entrustable Professional Activities (EPAs): AMEE Guide No. 99. Med teach, 2015a; 37: 983-1002.
  • ten Cate O, Scheele F. Handreiking opleidingsplan gebaseerd op EPA’s. Utrecht: Samenwerkingsverband ‘Specialistenopleiding op Maat’ (SOM), geïnitieerd vanuit de Federatie Medisch Specialisten, 2015b.
  • CIBG. Over het BIG-register. Den Haag: CIBG, 2020. https://www.bigregister.nl/over-het-big-register.
  • Craddock HL. An evaluation of student, patient and practitioner experience of general dental practice placements. Br Dent J 2011; 211: 279-282.
  • Elkind A, Blinkhorn AS, Blinkhorn FA, Duxbury JT, Hull PS, Brunton PA. Developing dental education in primary care: the student perspective. Br Dent J 2005; 198: 233-237.
  • Frankford DM, Patterson MA, Konrad TR. Transforming practice organizations to foster lifelong learning and commitment to medical professionalism. Acad Med 2000; 75: 708-717.
  • Goodell KH, Ticku S, Fazio SB, Riedy CA. Entrustable Professional Activities in oral health for primary care providers based on a scoping review. J Dent Educ 2019; 83: 1370-1381.
  • Gosselink K. Stage in het zesde jaar: de slimme overgang van school naar praktijk. NT 2018; 73: 38-41.
  • Graham ID, Kothari, A, McCutcheon, C. Moving knowledge into action for more effective practice, programmes and policy: protocol for a research programme on integrated knowledge translation. Implementation Sci 2018; 13: 22.
  • Hoeve A, van Vlokhoven H. Onmisbare ‘inwijding’ in het beroep. https://www.canonberoepsonderwijs.nl/werkplekleren, 2017.
  • Huisartsopleiding Nederland. Utrecht, 2020. https://www.huisartsopleiding.nl.
  • van der Klink M, Boon J. Toetsen van werkplekleren. In: van Berkel H, Bax A, Joosten-ten Brinke D (red.). Toetsen in het hoger onderwijs. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2014.
  • KRT. Registratiereglement. Utrecht: KRT, 13 februari 2019.
  • Lynch CD, Ash PJ, Chadwick BL, Hannigan A. Evaluation of a U.K. community-based clinical teaching/outreach program by former dental students two and five years after graduation. J Dent Educ 2010a; 74: 1146-1152.
  • Lynch CD, Ash PJ, Chadwick BL, Hannigan A. Effect of community-based clinical teaching programs on student confidence: a view from the United Kingdom. J Dent Educ 2010b; 74: 510-516.
  • Mettes TG, Bruers JJM. Op bewijs gebaseerde praktijkrichtlijnen in de mondzorg: een toekomstperspectief. In: Aps J, Boxum S, De Bruyne M, Jacobs R, van der Meer W, Nienhuijs M (eds.) Het tandheelkundig Jaar 2018. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2017.
  • Onstenk J. Ontwikkelen van bekwaamheden tijdens het werk. In: Kessels J, Poell R (eds). Handboek human resource development. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2011.
  • Pool I, Aantjes T, Kleijer W, ten Cate O. Entrustable professional activities (EPA’s): wat zijn dat en hoe ontwikkel je die? Onderwijs en Gezondheidszorg 2018; 42: 17-20.
  • Reenalda, M. Effecten van dualisering in het HBO. Enschede: Universiteit Twente, 2009. Academisch proefschrift.
  • Sabey A, Harris M, van Hamel C. ‘It gave me a new lease of life … ’: GPs’ views and experiences of supervising foundation doctors in general practice, Educ Prim Care 2016; 27: 106-113.
  • Sluijsmans DMA. Verankerd in leren: Vijf bouwstenen voor professioneel beoordelen in het hoger beroepsonderwijs. Heerlen: Zuyd Hogeschool, 2013.
  • Smith M, Lennon MA, Brook AH, Ritucci L, Robinson PG. Student perspectives on their recent dental outreach placement experiences. Eur J Dent Educ 2006a; 10: 80-86.
  • Smith M, Lennon MA, Brook AH, Robinson PG. A randomized controlled trial of outreach placement's effect on dental students' clinical confidence. J Dent Educ 2006b; 70: 566-570.
  • Smith M, Lennon MA, Robinson PG. Students' clinical experience on outreach placements. Eur J Dent Educ 2010; 14: 7-11.
  • VSNU. Raamplan Tandheelkunde. Den Haag: VSNU, 2008.
  • Wu J, Feng X, Chen A, Zhang Y, Liu Q, Shao L. Comparing integrated and disciplinary clinical training patterns for dental interns: advantages, disadvantages, and effect on students' self-confidence. J Dent Educ 2016; 80: 318-327.

Dankwoord

Dank aan M.G.H. Cornelissen voor het doornemen en rubriceren van de literatuur over praktijkstages binnen de tandheelkunde.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • J.J.M. Bruers1,2, H.W. van Bruggen1, B.J. Kooistra-Akse3, W.J.M. van der Sanden4
  • Uit 1de sectie Sociale Tandheelkunde en Voorlichtingskunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), 2 de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) in Utrecht, 3 het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde (CTM) van het Universitair Medisch Centrum Groningen en 4 de afdeling Tandheelkunde, Kwaliteit en Veiligheid van Mondzorg van het Radboud Universitair Medisch Centrum in Nijmegen
  • Datum van acceptatie: 25 juni 2020
  • Adres: prof. dr. J.J.M. Bruers, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • j.bruers@acta.nl

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog