× ABONNEREN

Serie: Onderwijs en de tandarts anno 2025. Drie opleidingen tandheelkunde in Nederland: drie soorten tandartsen?

Door op 07-02-2020
  • Wat voor soort tandartsen leidt ACTA op?
  • Wat is het verschil met Groningen en Nijmegen?
  • Wat kan er beter in de opleiding in Amsterdam?
  • Wat voor soort tandarts leidt de faculteit in Nijmegen op?
  • Zijn er overeenkomsten met Groningen en Amsterdam?
  • Wat zijn verbeterpunten voor de Nijmeegse opleiding?
  • Wat voor soort tandartsen worden in Groningen opgeleid?
  • Zijn er verschillen met de opleidingen in Amsterdam en Nijmegen?
  • Hebben jullie nog een wensenlijstje voor de Groningse opleiding?
  • Samenwerking tussen de 3 opleidingen: nu en in de toekomst?
  • Conclusie
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

 In het kader van de serie over onderwijs en de tandarts anno 2025 werden de onderwijs- en opleidingsdirecteuren van de 3 opleidingen tandheelkunde in Nederland gevraagd naar het soort tandarts dat zij opleiden. Want als een praktijkhouder op zoek is naar een nieuwe collega en er zijn 3 kandidaten, elk afkomstig van een andere faculteit, wat kan hij dan van elk van hen verwachten en zijn er verschillen in welk ‘soort’ tandarts zij zijn? Achtereenvolgens werden in het voorjaar van 2019 Geerling Langenbach en Corine Visscher van het ACTA, Nico Creugers en Ohlin Cremers van de Radboud Universiteit in Nijmegen en Luc van der Sluis en Berdien Kooistra-Akse van de Rijksuniversiteit Groningen door gastredacteur van de serie ‘Onderwijs en de tandarts anno 2025’, Denise van Diermen, bevraagd.

Wat voor soort tandartsen leidt ACTA op?

Onder het genot van een drankje in een grandcafé op de Zuid­as antwoordt Langenbach: “We vinden het vooral belangrijk dat jonge tandartsen kunnen reflecteren, op wat ze kunnen, maar vooral ook op waar hun grenzen liggen. En ook dat ze kritische tandartsen zijn, in die zin, dat ze tijdens de masteropleiding in hun Klinisch Wetenschappelijke Scholing (KWS) de klinische casuïstiek onderbouwen met bewijs uit wetenschappelijk onderzoek en hierover met elkaar en hun docenten in gesprek gaan en discussiëren.” Als Langenbach gevraagd wordt naar de speerpunten van het bacheloronderwijs noemt hij het sterke theorie-onderwijs, de lange lijnen van het preklinisch onderwijs, het Skillslab waar studenten overdag en in de avonduren hun manuele vaardigheden kunnen oefenen op fantoomhoofden, en het Simodont-onderwijs, een virtuele kliniek waar in een 3D-omgeving de manuele vaardigheden nog verder ontwikkeld kunnen worden.

Wat is het verschil met Groningen en Nijmegen?

Langenbach: “We leiden allemaal op volgens het Raamplan Tandheelkunde, dus de eindtermen zijn hetzelfde. Toch heeft elke opleiding zijn eigen accenten. Wat ook meespeelt is het aantal studenten in de verschillende opleidingen. Amsterdam heeft veel meer studenten op te leiden. Dat geeft een andere dynamiek dan bij een kleine opleiding waar iedereen elkaar kent. In Amsterdam is de Simodont aanwezig, die niet bij de andere opleidingen wordt gebruikt, en in Nijmegen gebruikt men sinds 1,5 jaar de Entrustble Professional Activities ofwel EPA’s. Hierbij worden alle competenties die een net afgestudeerde tandarts moet hebben in 14 clusters onderverdeeld en worden de studenten daar regelmatig op getoetst. Dit is een mooi systeem waar ACTA ook op over zal gaan, maar het kost ook veel tijd om docenten en studenten in op te leiden. Het is van groot belang dat er binnen de opleiding voldoende tijd wordt ingeruimd voor (scholing in) feedback en reflectie. Het zou hopelijk wel kunnen leiden tot meer confidentie bij de studenten, het gevoel dat ze ook echt iets beheersen. En in Groningen zijn ze verder met het digitale onderwijsportfolio, het op systematische wijze vastleggen van de verrichtingen van de studenten, inclusief reflectie hierop. Ze gebruiken het portfolio programma Scorion, waar ACTA op korte termijn ook meer gebruik van gaat maken.”

Begrippen

Entrustable Professional Activities (EPA’s)
EPA’s worden vooral in de Geneeskunde opleidingen gebruikt als tool voor het beoordelen van competenties. EPA’s zijn professionele activiteiten die het dagelijks werk van de zorgverlener vormen. Centraal idee is dat een begeleider een student een professionele activiteit pas toevertrouwt om zelfstandig uit te voeren als de student heeft laten zien daarin voldoende competent te zijn.

Scorion
Een digitaal portfolio programma waarmee de studievoortgang van de studenten gemonitord kan worden.

Corine Visscher voegt zich bij het gesprek en vult aan: “We willen dat onze net afgestudeerde tandartsen de juiste kennis en vaardigheden bezitten, maar vooral hun eigen grenzen herkennen en bewaken, zich blijven oriënteren op de ontwikkelingen in hun vakgebied en zich blijven ontwikkelen, door levenslang te blijven leren.” Als speerpunt in de masteropleiding op ACTA noemt ze het onderwijs in de medisch-tandheelkundige interactie, waarvan zij denkt dat het onmisbaar is voor de veranderende patiëntenpopulatie die steeds ouder wordt en meer chronische medische aandoeningen en bijpassend medicatiegebruik heeft. Beiden vinden ook de grote diversiteit aan docenten en studenten op ACTA een sterk punt: zowel op het gebied van man-vrouwverdeling, maar ook is de culturele achtergrond van de Amsterdamse studenten zeer divers. Visscher geeft verder aan dat de ACTA-studenten heel goed leren een behandelplan te maken, dit wetenschappelijk te kunnen onderbouwen, alle medische en sociale achtergronden hierin mee kunnen nemen, maar dat het regelmatig voorkomt dat patiënten niet de middelen hebben om voorgestelde behandelingen te laten uitvoeren, simpelweg omdat ze het geld er niet voor hebben. Sinds enige tijd loopt daarom het zogenoemde ‘Groene stip-project’, waarin patiënten met een laag inkomen uit de regio Amsterdam hun noodzakelijke tandheelkundige behandeling gratis door studenten kunnen laten uitvoeren.

Wat kan er beter in de opleiding in Amsterdam?

Langenbach en Visscher denken dat een beter portfoliosys­teem, meer activerende werkvormen en minder hoorcolleges de opleiding kunnen verbeteren. “Maar daar moeten we de docenten dan ook goed in scholen en begeleiden,” aldus Visscher. Daarnaast zouden zij graag zien dat er minder allesbepalende toetsen zijn die de studievoortgang van een student erg kunnen hinderen, omdat die toetsen slechts een momentopname weergeven. Visscher: “Het zou mooier zijn om programmatisch te gaan toetsen en dat niet slechts 1 toets bepaalt of iemand slaagt of zakt, maar een serie van toetsen, zodat studenten kunnen laten zien dat zij iets echt kunnen en dan op meerdere momenten.”

Maar in zijn algemeenheid zijn Langenbach en Visscher “supertrots” op hun bachelor- en masteropleiding: “Met name de diversiteit aan studenten, docenten en vakgebieden, de gemotiveerde studenten die er rondlopen, de wetenschappelijke kwaliteit van de medewerkers. Daar moeten we vaker op focussen, op dat wat goed gaat!”

Geerling Langenbach en Corine Visscher. (Fotograaf: Joost Hoving)

Wat voor soort tandarts leidt de faculteit in Nijmegen op?

In het nieuwe gebouw van de faculteit Tandheelkunde van de Radbouduniversiteit in Nijmegen leest Nico Creugers de missie en visie van de opleiding tandheelkunde voor. Het is een mooi statement waarin de termen “mondzorg als onderdeel van de medische zorg”, “academische professionals”, “levenslang leren” en “teamspeler” vooral opvallen. Als masterstudent Ohlin Cremers, die bij het interview aanwezig is, wordt gevraagd of zij zich hierin herkent, beaamt ze dat. Ze legt uit dat men in Nijmegen sinds 2 jaar in de masteropleiding werkt met de integrale masterkliniek waarin studenten uit alle 3 de masterjaren samen met studenten mondzorgkunde het derde en vierde opleidingsjaar verschillende ‘zelfstandige’ klinieken vormen. Elke kliniek heeft zijn eigen docenten, eigen patiënten en vaste groep studenten die ieder jaar aangevuld worden vanuit de bacheloropleiding om de net afgestudeerde masterstudenten op te volgen. Cremers: “Dit werkt samenwerken in de hand, studenten helpen elkaar waar mogelijk en het is kleinschalig, waardoor een groepsgevoel ontstaat.” Creugers stelt dat dit concept eigenlijk beter werkt dan men tevoren had verwacht.

Als gevraagd wordt naar speerpunten in de bacheloropleiding die specifiek zijn voor de Nijmeegse opleiding, komt vooral naar voren dat de opleiding heel breed wordt ingezet. Creugers: “Het is met name een theoretische en preklinische voorbereiding op de masteropleiding, maar zonder specifieke aandachtspunten.” Volgens Cremers zijn net afgestudeerde Nijmeegse tandartsen wat handvaardiger dan hun collega’s uit Amsterdam en Groningen, omdat het in Nijmegen wat makkelijker is om aan geschikte patiënten en verrichtingen te komen. En kunnen ze goed samenwerken en zijn ze zich bewust van hun grenzen. Ook vindt ze de profielen die de studenten kunnen volgen in de masteropleiding een positief punt: “Je kunt je dan alvast wat meer differentiëren in een bepaald vakgebied”. Creugers vult aan dat het idee erachter is dat tandartsen met een verschillend profiel elkaar in een tandartspraktijk zouden kunnen opzoeken en aanvullen, maar dat in de werkelijkheid niet altijd zo uitwerkt.

Waar Nijmeegse studenten wat minder mee in aanraking komen is de parodontologie, die in Amsterdam uitgebreider in de opleiding zit. En Creugers denkt dat de studenten in Nijmegen wellicht wat weerbaarder gemaakt zouden kunnen worden, zodat ze na hun opleiding wat beter bestand zijn tegen druk van bijvoorbeeld de grote tandartsketens.

Zijn er overeenkomsten met Groningen en Amsterdam?

Creugers benoemt het landelijk Raamplan en hij vermoedt dat je nauwelijks verschillen tussen net afgestudeerde tandartsen zult vinden als je met ze praat, maar dat het verschil pas zichtbaar wordt als je ze iets laat doen. “Kenmerk van de Nijmeegse opleiding is toch vooral de studenten heel veel laten oefenen”. Hoewel hij ook aangeeft dat het accent de laatste jaren toch wat verschoven is van voornamelijk vaardigheden oefenen naar ook meer wetenschappelijke vaardigheden. “En als je iets toevoegt, betekent het vanzelfsprekend dat er ook iets uit de opleiding geschrapt moet worden of dat er minder uren aan besteed kunnen worden”. Creugers vermoedt dat in Amsterdam meer basale wetenschap wordt beoefend en in Nijmegen meer toegepaste wetenschap. Dat uit zich in het Academisch Klinisch Redeneren, waar studenten behandelplannen van hun eigen patiënten in groepjes bespreken en wetenschappelijk proberen te onderbouwen. Het grote verschil met de opleiding in Groningen ziet Creugers in de aandacht die men in Groningen besteedt aan professioneel gedrag van studenten.

Wat zijn verbeterpunten voor de Nijmeegse opleiding?

Creugers zou graag nog willen bereiken dat het onderwijs meer geïndividualiseerd zou kunnen worden aangeboden, zodat studenten meer hun eigen weg en tempo zouden kunnen volgen. Dat speelt vooral in de bacheloropleiding. Cremers beaamt dat in de bacheloropleiding studenten soms vastlopen bij bepaalde toetsen en dan niet verder kunnen in de opleiding. Dan loopt die student het risico om de aansluiting bij collega’s te verliezen. “Het zou fijn zijn als deze barrières kunnen verdwijnen”, aldus Cremers. Tijdens de masteropleiding helpt de huidige organisatie van de masterkliniek om doorstroom te faciliteren. Beiden zouden graag zien dat het programma meer mogelijkheden zou bieden om ook vakken buiten de tandheelkunde te kunnen volgen.

Een ander punt wat Creugers noemt is de professionele ontwikkeling van studenten. Hiervoor zou hij meer expliciete aandacht willen in de Nijmeegse opleiding.

Als laatste benoemen Creugers en Cremers dat zowel docenten als studenten erg blij zijn met de huidige masteropleiding en dat de studenten veel inspraak hebben en mee kunnen praten met de verbetering van het onderwijs. Creugers vindt ook erg fijn dat er relatief weinig studenten in Nijmegen worden toegelaten op de opleiding (afgelopen jaar 67 studenten), omdat de kleinschaligheid volgens hem positieve effecten heeft op het leerklimaat.

Het feit dat Nijmegen een afdeling van het Radboudumc is, heeft volgens Creugers het voordeel dat de kwaliteitseisen die gelden voor de opleiding geneeskunde ook behaald moeten worden voor de opleidingen tandheelkunde. Creugers: “Daardoor ligt de lat vaak hoog, maar zorgt ook dat de kwaliteit verbetert.” Ook is het contact met artsen, zoals mka-chirurgen, makkelijker omdat die dichtbij zitten. Toch zijn er geen gezamenlijke colleges van tandheelkunde- en geneeskundestudenten, want dat bleek toch niet zo goed te werken omdat het leertempo op verschillende vakgebieden duidelijk anders ligt. Tandheelkundestudenten kunnen een profiel ouderengeneeskunde kiezen, waarbij ze een coschap Interne Geneeskunde kunnen volgen. De samenwerking met geneeskunde leidt er soms ook toe dat geneeskunde wat van tandheelkunde overneemt. De geneeskundeopleiding in Nijmegen is nu ook gestart is met EPA’s, wat voorheen alleen werd toegepast in de specialistische geneeskundeopleidingen. In de geneeskunde heeft men een innovatieblok in het eerste studiejaar, dat wil men bij tandheelkunde ook gaan overnemen. “Je kunt dus vice versa van elkaar leren”, zegt Creugers.

Ohlin Cremers en Nico Creugers. (Fotograaf: Joost Hoving)

Wat voor soort tandartsen worden in Groningen opgeleid?

Via een digitale skypeverbinding wordt deze vraag voorgelegd aan Luc van der Sluis en Berdien Kooistra-Akse. Van der Sluis verwijst naar de missie en visie van de Groningse opleiding tandheelkunde. De speerpunten daarin zijn kleinschaligheid in onderwijs en klinisch wetenschappelijke scholing in het KWER onderwijs, ofwel onderwijs in klinisch wetenschappelijk en ethisch redeneren. “Dat wordt in Groningen vormgegeven door veel aandacht te besteden aan professionalisering, wat inhoudt: coaching-bijeenkomsten, leren te reflecteren op zichzelf, maar ook op het gebied van ethische problematiek, beoordelingen door middel van portfolio. De docenten zijn meer coach en begeleiden studenten in hun leerproces”, legt Van der Sluis uit.

In Groningen bestaat de masterkliniek uit tandheelkundestudenten uit het eerste, tweede en derde masterjaar, die samen met studenten van de opleiding mondzorgkunde optrekken. Tandheelkundestudenten uit het derde bachelorjaar starten met tweedejaars mondzorgkundestudenten in een oral health practice game, waarin ze de rollen van verschillende vakgebieden verkennen en in de kliniek interprofessioneel samenwerken. “Het interprofessioneel volgen van theoriecolleges gebeurt niet in Groningen, omdat de niveauverschillen toch te groot blijken”, zegt Van der Sluis. Bij de geneeskunde start elk blok en elke lijn met een patiëntcollege en dat gebeurt in de tandheelkundige opleidingen ook. “Hoewel het voor de docenten niet altijd meevalt om een geschikte patiënt te vinden om mee te nemen naar college”, aldus Van der Sluis.

Een net in Groningen afgestudeerde tandarts is volgens Van der Sluis in staat om goed in een team interprofessioneel samen te werken en zelfstandig te werken met een goed kennis- en vaardigheidsniveau. Vooral op het gebied van partiële prothetiek zijn de Groningse studenten goed opgeleid. Op het gebied van de parodontologie is het onderwijs iets minder uitgebreid omdat een groot gebied van de parodontologie binnen het competentiedomein van de mondhygiënist valt. Ook zijn Groningse studenten goed in het maken van behandelplannen.

Zijn er verschillen met de opleidingen in Amsterdam en Nijmegen?

Van der Sluis en Kooistra bemerken toch wel verschillen tussen de 3 opleidingen. In Groningen wordt in de eerste 2 studiejaren met tutorgroepen gewerkt en daarmee is de onderwijsstructuur echt anders dan in Nijmegen en Amsterdam. Ook verschilt de wetenschappelijke stage in Groningen van de andere opleidingen. Zo krijgen eerstejaars bachelorstudenten al onderwijs in wetenschappelijke scholing, en in het tweede bachelorjaar beginnen de studenten aan hun stage en doen ze een systematisch literatuuronderzoek als voorbereiding op hun scriptie van het derde bachelorjaar. Kooistra: “De reden hiervoor is dat zo het onderzoek meer in de opleiding geïntegreerd wordt: snel beginnen met wetenschap en langzaam opbouwen”. Tevens is in Groningen de wetenschappelijke stage in de masteropleiding vervroegd. “In master 1 schrijven ze een onderzoeksaanvraag, in master 2 voeren ze het onderzoek uit en schrijven ze een scriptie. In master 3 sluiten ze het wetenschappelijk onderwijs af met een case report. Een van de redenen hiervoor is dat in het verleden veel studenten in master 3 al wilden beginnen met werken en de afronding van de scriptie bleef hangen”, legt Kooistra uit.

In vergelijking met de andere opleidingen tandheelkunde in Nederland noemen Van der Sluis en Kooistra dat in Amsterdam er een uitgebreidere medische lijn is en dat in Nijmegen de masterkliniek anders is ingericht. Op de vraag of de verschillen in de opleidingen betekenen dat er ‘andere’ tandartsen worden opgeleid geven ze een genuanceerd antwoord: ze denken niet dat er bij afstuderen een groot ‘kwaliteitsverschil’ zit tussen de opleidingen. Volgens hen heeft de kwaliteit van de net afgestudeerde tandartsen meer te maken met de kwaliteit van de tandartspraktijk waar ze daarna gaan werken: is daar nog begeleiding en coaching om de tandartsen verder te bekwamen of moeten de net afgestudeerden meteen productie gaan draaien? Beiden vragen zich af hoe de afgestudeerde tandarts zich verder gaat ontwikkelen met het huidige credo ‘een leven lang leren’ en of ze daar als opleiding nog iets voor kunnen bieden.

Hebben jullie nog een wensenlijstje voor de Groningse opleiding?

“Natuurlijk heeft Groningen ook wensenlijstjes voor de toekomst!” Ze denken aan meer externe stages zodat ze de studenten meer klinische bagage kunnen meegeven. Verder noemen ze het al in het tweede bachelorjaar starten met patiëntenzorg en meer onderwijs in communicatievaardigheden, wat vooral belangrijk is bij preventie en leefstijlveranderingen. Tevens zien Van der Sluis en Kooistra een toepassing van robotisering in de toekomstige opleiding. Maar voorlopig is ook in Groningen de hoeveelheid beschikbare patiënten en gewenste behandelingen een zorg die blijvende aandacht behoeft. “Ten slotte zijn er ook wensen om een gedeelde gevalideerde toetsvragenbank te maken als opstart voor een landelijke vragenbank en eventueel naar een landelijke voortgangstoets, zoals ook bij de geneeskundeopleidingen al jaren gebruikt wordt”, aldus Kooistra.

Berdien Kooistra-Akse en Luc van der Sluis. (Fotograaf: Joost Hoving)

Samenwerking tussen de 3 opleidingen: nu en in de toekomst?

De Nederlandse tandheelkunde-opleidingen gaan steeds meer samenwerken, wat versterkt wordt doordat de visitatiecommissies dit sterk hebben aanbevolen. Van der Sluis en Kooistra kunnen zich hierin vinden “want Nederland is te klein voor 3 grote onafhankelijke opleidingen tandheelkunde”. Zo wordt gedacht aan het geven van colleges op elkaars faculteiten, samenwerking op het gebied van de EPA’s en het gezamenlijk maken van e-learningmodules. En Nijmegen en Groningen vallen onder de faculteit Geneeskunde en ook met dat vakgebied zou meer samenwerking gezocht kunnen worden.

Creugers benoemt het discipline-overleg, waar de opleidingsdirecteuren en decanen van de 3 opleidingen een paar keer per jaar samenkomen. Daar worden wel initiatieven genomen, maar het blijkt toch lastig om echte samenwerkingsprojecten op te starten. Volgens Creugers komt dat doordat op hoog niveau vaak plannen worden bedacht die door anderen moeten worden uitgevoerd die daar de tijd en mogelijkheden niet voor hebben. Toch is hij niet somber, want de laatste tijd is er meer uitwisseling met Groningen op het gebied van e-learning en ook met Amsterdam op het gebied van de EPA’s. “Maar het uitwisselen van docenten of hoogleraren lukt nog niet zo goed. Dat zou wellicht beter gaan als deze onderwijsprestaties ook beter gewaardeerd zouden worden. Of als we meer gebruik gaan maken van blended learning (waarbij een deel van het onderwijs digitaal aangeboden wordt, red)”, denkt Creugers.

Omdat de laatste jaren veel wordt samengewerkt tussen Groningen en Nijmegen, valt het Van der Sluis en Kooistra op dat de opleidingsstructuur toch overal anders is. Zij zien ook voordelen aan de verschillen: “Als je de verschillen goed kunt uitleggen aan de studenten, kan dit juist motiverend zijn en instructief”. Beiden zien vooral de schaal als voordeel: “Omdat Groningen kleine studentenaantallen heeft, zie je dat studenten erg betrokken zijn bij het onderwijs, veel studenten participeren in commissies, het dagelijks bestuur heeft elke 2 weken overleg met de jaarvertegenwoordigers en komen er veel ideeën vanuit de studenten zelf.”

Visscher en Langenbach spreken de wens uit dat in alle 3 de faculteiten in de toekomst gewerkt gaat worden met een landelijk curriculum tandheelkunde, met enkele regionale accenten.

Conclusie

Bij het verwerken van de 3 gesprekken viel de opbouwende en positieve toon van alle geïnterviewden op, maar ook de wens tot samenwerking met elkaar. De 3 opleidingen hebben veel met elkaar gemeen, maar verschillen op accenten. Welke net afgestudeerde tandarts de praktijkhouder kiest als nieuwe collega, hangt natuurlijk voornamelijk af van elkanders persoonlijke eigenschappen en of die bij elkaar en de rest van de praktijk passen. Hopelijk geven deze interviews een beter of genuanceerd beeld van de verschillende opleidingen tandheelkunde in Nederland en helpt dat bij de keuze uit de net afgestudeerde sollicitanten.

Alle opleidingen voldoen aan de eisen zoals die door het Raamplan zijn opgesteld en afgestudeerde tandartsen zijn allemaal competent om de tandheelkunde in de volle breedte uit te voeren op het niveau van een beginnend tandarts. De ervaring komt pas met de jaren, sommigen beweren dat je pas een expert bent na 10.000 uur oefenen (Gladwell, 2008). En soms is het goed om zich te verplaatsen in de net afgestudeerde tandarts en zich te herinneren hoe het zat met het eigen kennen en kunnen toen men zelf net afgestudeerd was.

Biografieën
Dr. Geerling Langebach is opleidingsdirecteur bachelor­opleiding aan het ACTA.
Prof. dr. Corine Visscher is opleidingsdirecteur masteropleiding en hoogleraar Orofaciale Fysiotherapie aan het ACTA.
Prof. dr. Nico Creugers is hoogleraar Restauratieve Tandheelkunde aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Tot september 2019 was hij eveneens opleidingsdirecteur van de faculteit Tandheelkunde. Hij werd als opleidingsdirecteur opgevolgd door dr. Wil van der Sanden.
Ohlin Cremers is een masterstudent aan de opleiding tandheelkunde van de Radbouduniversiteit in Nijmegen.
Prof. dr. Luc van der Sluis is hoogleraar Endodontologie, afdelingshoofd en opleidingsdirecteur van het Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde van de Rijksuniversiteit Groningen.
Drs. Berdien Kooistra-Akse is curriculumcoördinator van de opleiding Tandheelkunde (bachelor en master) van de Rijksuniversiteit Groningen.

Literatuur

  • Gladwell M. Outliers: the story of success. Boston: Little, Brown and Company, 2008.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • D.E. van Diermen
  • Uit de afdeling Ziekteleer en Medisch Tandheelkundige Interactie van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)
  • Datum van acceptatie: 16 december 2019
  • Adres: mw. dr. D.E. van Diermen, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam
  • d.v.diermen@acta.nl

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog