× ABONNEREN

Serie: Onderwijs en de tandarts anno 2025. Een interfacultaire Landelijke Voortgangstoets Tandheelkunde als toekomstige toetsmethode?

Door op 06-09-2019
  • Inleiding
  • Voortgangstoets geneeskunde
  • Waarom een voortgangstoets?
  • Waar bestaat de iVTG uit?
  • Hoe komt de toets tot stand?
  • Wat levert de voortgangstoets op?
  • Wat zijn voorwaarden?
  • Zijn er ook nadelen?
  • Is een voortgangstoets ook zinvol voor de tandheelkundeopleidingen?
  • Wat kan het de beroepsgroep van tandartsen opleveren?
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

De interuniversitaire VoortgangsToets Geneeskunde (iVTG) is een meetinstrument dat bestaat uit ongeveer 200 vragen om de kennisontwikkeling van studenten Geneeskunde tijdens hun studie te meten. De iVTG bestaat uit 4 toetsen per studiejaar. Toekomstige versies van de iVTG zullen waarschijnlijk gebaseerd zijn op geautomatiseerde toetsafname via de computer. Een van de hoofddoelen van de iVTG is om het zogenoemde learning to the test-effect tegen te gaan. Bijkomende voordelen zijn dat studenten en docenten gedetailleerde feedback krijgen over de beheersing van kennis en waar lacunes in kennis of het curriculum bij meerdere instellingen voorkomen. Een voortgangstoets voor het tandheelkundig onderwijs in Nederland is goed denkbaar, omdat de doelstellingen van een voortgangstoets goed aansluiten bij het gemeenschappelijke kader zoals beschreven in het Raamplan Tandheelkunde, dat gedeeld wordt door de huidige 3 tandheelkundeopleidingen. Een basis voor het starten van een voortgangstoets voor de studie tandheelkunde zou de huidige ‘Overalltoets’ van het ACTA kunnen vormen.

Inleiding

Hard studeren voor een tentamen, soms zelfs nacht(en) doorhalen, tentamen maken en vervolgens het geleerde weer vergeten. Herkenbaar? Zo verloopt bij veel studenten het leerproces, met als gevolg dat veel van de geleerde kennis niet lang beklijft. Docenten breken zich al jaren het hoofd hoe dit verschijnsel te verminderen, zodat de benodigde kennis langer aanwezig blijft. Onderwijskundig onderzoek laat zien dat herhaling van onderwijs en opnieuw toetsen van kennis kan leiden tot beter beklijven van die kennis (Ebbinghaus, 1885; Roediger en Karpicke, 2006). In het geneeskundig onderwijs in Nederland heeft dat geleid tot het opzetten van een landelijke voortgangstoets, waarbij studenten uit alle jaren van alle opleidingen geneeskunde zich inspannen om allemaal eenzelfde toets te maken, met vragen over kennis die een afgestudeerd basisarts zou moeten beheersen. Voor een eerstejaars geneeskundestudent levert dat een beeld op waar hij naar toe gaat, voor een zesdejaarsstudent of hij klaar is voor de praktijk.

Binnen de tandheelkundefaculteiten in Nederland komt regelmatig de vraag voorbij of dit ook een geschikt instrument zou kunnen zijn voor de aankomende tandartsen. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, gaat dit artikel eerst in op de interuniversitaire VoortgangsToets Geneeskunde (iVTG), de internationale ontwikkelingen op dit gebied in de tandheelkundeopleidingen en wat het de beroepsgroep van tandartsen kan opleveren.

Voortgangstoets geneeskunde

Vier keer per jaar maken alle studenten van de geneeskundefaculteiten van Maastricht, Leiden, Groningen, Nijmegen en Amsterdam (VU en UvA) op hetzelfde tijdstip de interuniversitaire VoortgangsToets Geneeskunde (iVTG, zie ivtg.nl). Deze toets bestaat in Nederland al sinds 1974 toen de medische faculteit van de Universiteit Maastricht haar probleemgestuurde curriculum startte (Wijnen en Van der Vleuten, 1985). Sindsdien heeft de voortgangstoets zich wereldwijd verspreid (Schuwirth en Van der Vleuten, 2012; Wrigley et al, 2012).

Waarom een voortgangstoets?

De iVTG is een omvangrijke toets die gericht is op het meten van de mate waarin de student de kennisdoelen van een opleiding beheerst. Met deze toets wordt, met andere woorden, de kennis van een student op het eindniveau van de opleiding (in geval van geneeskunde: basisarts) gemeten.

Met de voortgangstoets is het mogelijk de verandering in het kennisniveau van studenten te meten, onafhankelijk van de mogelijke ordening van het curriculum of individuele studieroute van de student. Typisch gezien neemt het kennisniveau van de studenten gedurende de studieloopbaan toe. Met de meting kan worden bepaald hoever de student al is gevorderd op weg naar de beoogde minimale uiteindelijke beheersingsgraad, niet alleen over de hele stof maar ook over deelgebieden van de stof.

Waar bestaat de iVTG uit?

De iVTG beslaat 200 meerkeuzevragen die op papier worden afgenomen (afb. 1). Elke toets bestaat uit een geheel nieuwe set van toetsvragen en alle studenten moeten dezelfde vragen beantwoorden. Studenten mogen vragen echter overslaan (de vraagtekenoptie) als zij menen de kennis nog niet te bezitten. Het grote aantal toetsvragen is nodig om het gehele kennisgebied van de geneeskunde te kunnen dekken en tot een voldoende betrouwbare score te komen. Het kennisgebied van de voortgangstoets is daarbij onderverdeeld in onderwerpen (categorieën) en in vakgebieden (disciplines). Categorieën zijn bijvoorbeeld ‘het ademhalingsstelsel’ en ‘bloed en lymfestelsel’, disciplines zijn bijvoorbeeld fysiologie of interne geneeskunde. Door categorieën te combineren met disciplines ontstaat een matrix die gebruikt wordt voor elke toets. Dit zorgt ervoor dat de toetsen qua inhoud vergelijkbaar zijn. Om de toetsscore te bepalen wordt formula-scoring gebruikt: een niet beantwoord item levert 0 punten op, een goed antwoord 1 punt en een fout antwoord -1/(n-1), waarbij n het aantal alternatieven van dat item is. De eindscore is het totaal aan punten gedeeld door het aantal items in de toets, als percentage uitgedrukt.

Afb. 1. Vier keer per studiejaar maken alle studenten van de Nederlandse geneeskundefaculteiten op hetzelfde tijdstip de interuniversitaire Voortgangs-Toets Geneeskunde. (Illustrator: Guido van Gerven, Duplo Studio)

Het zakken of slagen van de student wordt bepaald door de toetsscore primair te vergelijken met de prestatie ten opzichte van de andere studenten die in hetzelfde jaar studeren en dat de gemiddeld presterende student moet kunnen slagen. Voor dat laatste wordt een relatieve cesuur toegepast die dit bewerkstelligt (Wijnen, 1971). Het nadeel van deze relatieve norm is dat vooraf niet bekend kan worden gemaakt aan studenten wat de grens precies is en dat een deel van de studenten altijd een onvoldoende zal scoren.

Er wordt op dit moment in de iVTG gewerkt aan een nieuwe voortgangstoets die wordt afgenomen met de computer (Donkers et al, 2018). Bij deze zogenoemde adaptieve methode krijgt iedere student een unieke set vragen voorgelegd om te beantwoorden. De toetsvragen worden daarbij getrokken uit een grote verzameling van vragen. Het voordeel van deze aanpak is dat de toets veel beter de individuele beheersingsgraad van een student meet omdat de toevallige verschillen in kwaliteit en moeilijkheidsgraad van geheel nieuwe toetsen wordt vermeden. Bovendien zorgt adaptieve toetsafname ervoor dat de toetsen korter kunnen zijn. Zakken of slagen van de student kan met deze methode vooraf worden bepaald omdat de moeilijkheidsgraad van elke vraag vooraf bekend is. Daardoor wordt dit nadeel van de papieren toets verminderd. Daarnaast kan deze adaptieve toets op elk gewenst moment worden afgenomen waardoor de toets zowel vaker, maar ook goedkoper kan worden afgenomen: de omvangrijke logistiek van het printen en transporteren van papieren toetsen en organiseren van enorme zalen voor toetsen wordt geminimaliseerd. Natuurlijk moeten er wel voldoende computers beschikbaar zijn en moet er wel altijd toezicht worden geregeld.

Hoe komt de toets tot stand?

Door het vakoverstijgend karakter van de toets worden de vragen bedacht door docenten die ook het onderwijs verzorgen binnen alle kennisgebieden die in de toets zijn vertegenwoordigd. Idealiter worden vragen aangeleverd vanuit alle deelnemende instellingen. Dat zorgt voor een representatieve verzameling toetsvragen en voor draagvlak bij de deelnemende instellingen. Voor de papieren toetsafname spreekt het voor zich dat een strakke centrale regie noodzakelijk is om viermaal per jaar tijdig de productie van zowel kwalitatief goede als kwantitatief voldoende toetsvragen te realiseren. Daarbij wordt gewerkt met een centraal redactieteam en worden via verschillende stappen toetsvragen gegenereerd, gecontroleerd en eventueel verbeterd en voor opname in de toets vrijgegeven. Daarbij is voldoende draagvlak en toewijding nodig van de deelnemende instellingen op het niveau van bestuur en uitvoerders, inclusief een systeem van verrekening van inspanningen (Van Der Vleuten et al, 2004). Enkele voorbeelden van vragen staan in intermezzo 1.

INTERMEZZO 1. VIER VRAGEN UIT DE INTERUNIVERSITAIRE VOORTGANGSTOETS GENEESKUNDE VAN MEI 2018

2. Bij een vrouw van 36 jaar bestaat sterke verdenking op coeliakie. Er wordt een jejunumbiopt genomen. Indien zij daadwerkelijk coeliakie heeft, past daarbij in het biopt bij microscopisch onderzoek:
A. granulomateuze ontsteking;
B. schuimcelmacrofagen;
C. verwijde lymfebanen;
D. vlokatrofie.

19. Gebeurtenissen die voor de ene persoon stressvol zijn, zijn dat voor een ander niet. Wat maakt dat een levensgebeurtenis vrijwel altijd als stressvol wordt ervaren? Dat is:
A. ambiguïteit;
B. cognitieve beperking;
C. ontbreken van steun.

147. Een 54-jarige vrouw krijgt chemotherapie in verband met een mammacarcinoom. Zij klaagt over pijnlijke witte plekken op de tong en gehemelte. Ook slikken doet pijn. De arts ziet witte, scherpbegrensde laesies van het mondslijmvlies, die gemakkelijk kunnen worden verwijderd met achterlating van een erythemateuze bodem. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?
A. Atrofische glossitis.
B. Candidiasis oris.
C. Leukoplakie.
D. Lingua geographica.

155. De galzure zouten bevorderen de vetvertering. Wat is het belangrijkste werkingsmechanisme van galzure zouten?
A. De doorgankelijkheid van de mucus vergroten.
B. Het maaglipase activeren.
C. Lipiden emulgeren.
D. Triglyceriden splitsen in vetzuren en glycerol.

Antwoorden zie einde artikel.

Voor de computergestuurde voortgangstoets kan de werkwijze anders zijn. In aanloop naar de beschikbaarheid van een dergelijke toets zal eerst een voldoende grote database met toetsvragen gereed moeten zijn. Om dat te bereiken zullen eerst de meer traditionele toetsen moeten worden afgenomen om voldoende informatie te krijgen omtrent de moeilijkheidsgraad en het onderscheidend vermogen van elke afzonderlijke toetsvraag. Nadat die informatie is verkregen kan het adaptieve algoritme pas werken. Als dat eenmaal is gerealiseerd, vergt het onderhoud van de database relatief minder inspanning van de instellingen en docenten. Centrale regie blijft echter nodig en een veel hoger niveau van psychometrische toetsexpertise wordt gevraagd.

Wat levert de voortgangstoets op?

Ten eerste is de belangrijkste opbrengst van de voortgangstoets dat het het toetsgericht studeren van de student tegengaat. Toetsgericht studeren betekent dat studenten alleen voor de eerstvolgende toets leren, maar daarna de stof weer snel vergeten en de samenhang met de rest van het kennisgebied niet krijgen te zien. Voorts is uit onderzoek gebleken dat het kennisniveau van de studenten ook daadwerkelijk toeneemt door inzet van deze vorm van toetsing naast alléén cursusgerelateerde summatieve toetsing (Norman et al, 2010).

Ten tweede wordt in een online dashboard (het ProF-systeem) naast de score en einduitslag ook uitgebreide feedback gegenereerd en beschikbaar gesteld aan studenten (en docenten) (afb. 2) (Muijtjens et al, 2010). De student krijgt daarmee een volledig overzicht van de score per categorie en hoe gescoord wordt ten opzichte van andere studenten in de eigen meetmomentgroep. Dit stelt de studenten in staat om te beoordelen waar zij een eventueel kennishiaat hebben en wat hun progressie in de loop der jaren is. Docenten kunnen alleen op groepsniveau de ontwikkeling zien en krijgen daarmee feedback op hun deel van het curriculum. De individuele longitudinale feedback speelt in de opleidingen een steeds grotere rol in reflectieopdrachten voor portfolio’s, bij studieadvisering en bij remediëring. Uit onderzoek is gebleken dat studenten die deze feedback bewust verwerken ook beter presteren (Heeneman et al, 2017)

Afb. 2. Een typische groeicurve van een student (groene lijn) afgezet tegen de ontwikkeling van de meetmomentgroep 21 en een korte prognose voor de komende meetmomenten, zoals gepresenteerd in het ProF-systeem. De witte lijn, de middenblauwe, lichtblauwe en donkerblauwe gebieden geven de referentiegroepen aan (respectievelijk 50%, 70-95%, 15-70% en 5-15%). Het lichter gekleurde gedeelte aan de rechterkant van de grafiek geeft het prognosegebied aan. De groene lijn is een puntschatting van de prognose en de blauwe en paarse lijnen markeren het 95% betrouwbaarheidsinterval. Ook van de scoreverdeling in de referentiegroep is een prognose weergegeven. Voor meer uitleg over de grafiek, zie https://ivtg.nl/nl/prof/basic-concepts/nederlands-grafieken/.

Overigens is het in de praktijk niet verstandig alle kennistoetsing bij cursussen en opleidingen te vervangen door een voortgangstoets. Het is zaak om een gebalanceerde set van toetsing te bewerkstelligen waarbij de voortgangstoets eventueel ook formatief kan worden ingezet. Recente inzichten ten aanzien van het zogenoemde ‘programmatisch toetsen’ benadrukken het belang van het formatieve toetsproces om studenten meer verantwoordelijkheid te geven in het sturen van hun leerproces (Heeneman et al, 2017; Van der Vleuten et al, 2012).

Tot slot zorgt de voortgangstoets ervoor dat alle studie-inspanningen van de student worden beloond en dat functionele kennis beklijft. Dat laatste wordt vooral bewerkstelligd doordat dezelfde kennis herhaaldelijk wordt bevraagd.

Voor de organisatie zijn er ook voordelen. Het gezamenlijk produceren van toetsvragen betekent dat iedere instelling profiteert van de totale vragenbank. Wederzijdse controle en gezamenlijke intervisie levert ook expertiseontwikkeling en betere kwaliteit van de vragen op. Ook levert een gezamenlijke toets een referentiekader (ofwel benchmark) op die de instellingen de gelegenheid biedt de kwaliteit van de opleiding te waarborgen. Daarnaast is het organiseren van herkansingen voor voortgangstoetsen niet noodzakelijk omdat de student meermalen de kans heeft om zichzelf te verbeteren via de eerstvolgende toetsafname. Binnen de iVTG worden voor dit doel combinatieregels gebruikt die bepalen of per opleidingsjaar de voortgangstoets is gehaald op basis van de maximaal 4 iVTG-uitkomsten per studiejaar. Dat heeft tevens als voordeel dat er een longitudinale meting ontstaat die uiteindelijk een betrouwbaarder meting oplevert. Dat resulteert op haar beurt in een snellere detectie van studenten met bijzondere hoge of lage scores en een rijke bron van informatie voor zowel studenten als docenten. Tot slot is de voortgangstoets curriculumonafhankelijk en biedt het veel onderzoeksmogelijkheden. Daarmee wordt het bijvoorbeeld mogelijk om de kwaliteit van het onderwijs van verschillende instellingen te vergelijken of hiaten in het onderwijs te ontdekken.

Wat zijn voorwaarden?

Het ontwikkelen en afnemen van de voortgangstoets vraagt een grote investering en een doorlopende inspanning. Het vergt derhalve voldoende toewijding op het niveau van bestuurders en docenten om deze toets in te zetten in het curriculum. Daarnaast moet de kerninhoud, die behoort bij het cognitief domein, goed zijn gedefinieerd en moet er voldoende consensus zijn bij alle betrokkenen over de interpretatie van dat kerndomein en de wijze waarop dat in toetsvragen geoperationaliseerd wordt. Het vergt een zorgvuldig en vaak langzaam proces om uiteindelijk deze kerninhoud vastgelegd te krijgen. Als in een opleiding al vrij vroeg sterke specialisaties onderdeel zijn van het curriculum wordt het ook moeilijker om deze consensus te bereiken (Van der Vleuten et al, 2004).

Zijn er ook nadelen?

Vanuit de toetstechniek zelf gezien, zijn er ook nadelen van de voortgangstoets te noemen. Zo is de betrouwbaarheid van de toets voor jongerejaarsstudenten relatief laag omdat deze studenten over het algemeen weinig vragen invullen en dat geldt voor de scores per categorie/discipline eveneens. De regels voor formula-scoring en de vraagtekenoptie benadelen terughoudender studenten en het is moeilijk om andere toetsvraagvormen te gebruiken dan meerkeuzenvragen. De digitale adaptieve versie van de voortgangstoets vermindert deze problemen echter, omdat hier alle aangeboden vragen moeten worden beantwoord.

Een laatste opmerking is gerelateerd aan het gezegde ‘what gets measured, gets managed’. Dit betekent dat er in een curriculum te snel veel aandacht uitgaat naar de resultaten van de voortgangstoets en dat bij bijvoorbeeld achterblijvende ‘prestaties’ allerlei draconische maatregelen worden voorgesteld om de prestaties bij te sturen. Bedacht moet worden dat de voortgangstoets zich slechts richt op een beperkt onderdeel van de scholing van een competente arts. Zo blijven vaardigheden als probleemoplossingsvermogen en professioneel gedrag ongetoetst. Om die competenties te meten zijn weer andere instrumenten nodig.

Is een voortgangstoets ook zinvol voor de tandheelkundeopleidingen?

Sommige tandheelkundefaculteiten organiseren nu al intern een voortgangstoets, zoals het ACTA de jaarlijkse digitaal afgenomen ‘Overalltoets’. Deze is verplicht voor masterstudenten en facultatief voor bachelorstudenten en docenten. In de jaren 2009-2010 heeft ook een aantal studenten uit Groningen meegedaan aan deze toets. Analyse van de voortgangsresultaten liet, net als bij geneeskunde, een toename in kennisbeheersing van studenten zien naarmate ze langer studeerden (Schoonheim-Klein et al, 2012).

(Bron:Shutterstock)

Inmiddels wordt ook internationaal de voortgangstoets, ofwel progress testing, in het tandheelkundig domein ingezet. Ali et al beschrijven de invoering en opbrengst van een voortgangstoets op de Peninsula Dental school in Plymouth (Verenigd Koninkrijk) bij zowel tandheelkundestudenten als mondzorgkundestudenten (Ali et al, 2016; Ali et al, 2018). Zij concludeerden dat de test goed werkte, maar tijdsintensief was en kostbaar om te maken en uit te voeren. Kirnbauer et al (2018) beschrijven een voortgangstoets op de tandheelkundefaculteit in het Oostenrijkse Graz. Daar werd een deel van de studiestof getoetst, namelijk het vakgebied oral medicine, oral surgery and oral radiology. Uit hun onderzoek bleek dat in die gebieden ook betrouwbaar gemeten kon worden wat de toename in kennisbeheersing was van de studenten.

Ook praktisch gezien is er een goede basis. De wetenschappelijke studie Tandheelkunde wordt in Nederland namelijk verzorgd door 3 faculteiten of afdelingen in Groningen, Nijmegen en Amsterdam (VU en UvA) die alle al betrokken zijn bij de iVTG. Dat is gunstig bij een eventuele invoering van een voortgangstoets in de studie Tandheelkunde. Immers, op instellingsniveau bestaat er al ruime ervaring en expertise met de ontwikkeling en inzet van een interfacultaire voorgangstoets. Voorts kan de jaarlijkse ‘Overalltoets’ van het ACTA een mooie basis zijn voor een toetsvragendatabase

Alle tandheelkundefaculteiten tezamen leiden jaarlijks 259 studenten op tot tandarts, zodat er tijdens de 6-jarige opleiding ruim 1.500 studenten zouden kunnen deelnemen aan de toets. Alle faculteiten leiden op volgens hetzelfde Raamplan Tandheelkunde (2008), waarvan een herziening momenteel ter goedkeuring ligt bij de belanghebbenden. Op basis van het Raamplan zouden in principe alle net afgestuurde tandartsen hetzelfde kennisniveau moeten bezitten, wat een goed fundament biedt voor een interfacultaire voortgangstoets tandheelkunde.

Wat kan het de beroepsgroep van tandartsen opleveren?

Een interfacultaire voortgangstoets tandheelkunde is het instrument bij uitstek om tandheelkundestudenten inzicht te geven in de voortgang van hun tandheelkundige basiskennis gedurende hun gehele opleiding. Studenten kunnen zich dan vergelijken met andere studenten van hun eigen opleiding, maar ook met die van de andere opleidingen. De feedback vanuit de voortgangstoets kan hen helpen hun leerproces te verbeteren. De tandheelkunde-opleidingen kunnen de resultaten van de voortgangstoets gebruiken om hun eigen onderwijs te evalueren en te vergelijken met de zusteropleidingen. Daarnaast kunnen zij toetsvragen met elkaar delen in een grote vragendatabase. Idealiter zou dit leiden tot afgestudeerde tandartsen met meer dan ruim voldoende parate kennis, waarbij het niet uitmaakt aan welke opleiding ze zijn afgestudeerd. Voor de beroepsgroep wordt het daarmee transparanter met welke kennis net afgestudeerde tandartsen de markt betreden. Daarmee kunnen zowel werkgevers als de patiënten of consumenten beter hun verwachtingen ten aanzien van de kwaliteit van beroepsuitoefening bepalen.

Literatuur

  • Ali K, Coombes L, Kay E, et al. Progress testing in undergraduate dental education: the Peninsula experience and future opportunities. Eur J Dent Educ 2019; 20: 129-134.
  • Ali K, Zahra D, Tredwin C, Mcilwaine C, Jones G. Use of progress testing in a UK dental therapy and hygiene educational program. J Dent Educ 2018; 82: 130-136.
  • Donkers J, Collares C, Berlo JV, Verheggen M, Vleuten C van der. One year experience with online adaptive progress testing. Poster Presentation presented at the 21st International Technology Enhanced Assessment Conferenc in Amsterdam, december 2018.
  • Ebbinghaus H. Über das Gedächtnis: Untersuchungen zur experimentellen Psychologie. Berlin: Duncker & Humblot, 1885.
  • Heeneman S, Schut S, Donkers J, Vleuten CPM van der, Muijtjens A. Embedding of the progress test in an assessment program designed according to the principles of programmatic assessment. Med Teach 2017; 39: 44-52.
  • Kirnbauer B, Avian A, Jakse N, Rugani P, Ithaler D, Egger R. First reported implementation of a German-language progress test in an undergraduate dental curriculum: A prospective study. Eur J Dent Educ 2018; 22: e698-e705.
  • Muijtjens AMM, Timmermans I, Donkers J, et al. Flexible electronic feedback using the virtues of progress testing. Med Teach 2010; 32: 491-495.
  • Norman G, Neville A, Blake JM, Mueller B. Assessment steers learning down the right road: Impact of progress testing on licensing examination performance. Med Teach2010; 32: 496-499.
  • Roediger HL, Karpicke JD. Test-enhanced learning. Psychol Sci 2006; 17: 249-255.
  • Schoonheim-Klein ME, Selms MKA van, Volgenant CMC, Wiegman HP, Vervoorn JM. Het beoordelen van de klinische competenties van studenten tandheelkunde. Ned Tijdschr Tandheelkd 2012; 119: 328-336.
  • Schuwirth LW, Vleuten CP van der. The use of progress testing. Perspect Med Educ 2012; 1: 24-30.
  • Vleuten CPM van der, Schuwirth LWT, Driessen EW, et al. A model for programmatic assessment fit for purpose. Med Teach 2012; 34: 205-214.
  • Vleuten CPM van der, Schuwirth LWT, Muijtjens AMM, Thoben AJNM, Cohen-Schotanus J, Boven CPA van. Cross institutional collaboration in assessment: a case on progress testing. Med Teach 2004; 26: 719-725.
  • Wijnen WHFW. Onder of boven de maat [To be or not to be up to the mark]. Lisse: Swets and Zeitlinger, 1971.
  • Wijnen WHFW, Vleuten CPM van der. Toetsing: hordenloop of voortgangscontrole? Universiteit En Hogeschool 1995; 6: 270-279.
  • Wrigley W, Vleuten CPM van der, Freeman A, Muijtjens A. A systemic framework for the progress test: strengths, constraints and issues: AMEE Guide No. 71. Med Teach 2012; 34: 683-697.

JUISTE ANTWOORDEN VAN INTERMEZZO 1:
Vraag 2: D. Bron: Robbin’s basic pathology (9e ed. 2013) Kumar V. e.a. , blz. 577-579.
Vraag 19: A. Bron: Medische psychologie (2e herz. dr. 2010) Kaptein A. e.a., blz. 118.
Vraag 147: B. Bron: Interne geneeskunde (14e geh. herz. dr. 2010/2011) Meer van der J. en Stehouwer C. e.a., blz. 636-637.
FEEDBACK: Candidiasis oris wordt veroorzaak door candida albicans en kan voorkomen tijdens behandeling met cytostatica, immunosuppressiva, antibiotica en corticosteroïden. Ook kan het voorkomen bij diabetes mellitus. Kenmerkend zijn de witte, scherpbegrensde laesies van het mondslijmvlies, die gemakkelijk kunnen worden verwijderd met achterlating van een erythemateuze, soms erosieve bodem. Het is pijnlijk en kan gepaard gaan met dysfagie
Vraag 155: C. Bron: Guyton and Hall Textbook of Medical Physiology (13th ed. 2016) Hall J., hfdst. 66.

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • S. Draaijer1, J. Donkers2, D.E. van Diermen3
  • Uit 1de faculteit Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam, 2de afdeling Onderwijsontwikkeling & Onderwijsresearch, faculteit Health, Medicine and Lifes Sciences, van de Maastricht University en 3de afdeling Oral Medicine van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)
  • Datum van acceptatie: 2 juli 2019
  • Adres: dr. ir. S. Draaijer, Vrije Universiteit Amsterdam, De Boelelaan 1108, 1081 HV Amsterdam
  • s.draaijer@vu.nl

Reacties

Om ook te reageren moet u eerst inloggen (alleen voor abonnees).

Nog geen abonnee? Registreer vandaag nog