× ABONNEREN

Serie: Onderwijs en de tandarts anno 2025. Harmonisatie van de opleidingen tandheelkunde in Europees en Nederlands perspectief

Door op 10-01-2020
  • Inleiding
  • Het ontstaan van het beroep tandarts
  • Harmonisering van opleidingen tandheelkunde in Europa
  • Harmonisatie van de opleidingen tandheelkunde in Nederland
  • Harmonisatie en bekwaamheid
  • Slot
  • Literatuur
  • Reacties (0)

Samenvatting

Tegelijk met een toenemende mobiliteit van beroepsbeoefenaren over de landsgrenzen, ontstaat een groeiende behoefte aan harmonisering van opleidingen. Binnen de tandheelkunde is dit in Europa onverminderd het geval. Door het formuleren van internationale kaders voor opleidingseisen voor tandartsen wordt de onderlinge afstemming versterkt. Ook in Nederland vindt afstemming plaats met de Europese kaders bij het vaststellen van eindtermen voor de tandheelkundeopleidingen, zoals vastgelegd in een Raamplan. Terwijl de beroepsbeoefenaren in de Nederlandse mondzorg volop in beweging zijn, denk aan taakherschikking, dienen de opleidingen de toekomstige zorgverleners op de best mogelijke wijze voor te bereiden op hun bevoegdheden, bekwaamheid en deskundigheid.

Inleiding

Geschat wordt dat ongeveer 17% van de in Nederland werkzame tandartsen hun diploma heeft gehaald aan een buitenlandse universiteit. Dit is een landelijk gemiddelde, lokaal kunnen deze cijfers sterk afwijken (zo wordt aangenomen dat dit cijfer voor Zeeland maar liefst 35% is). De instroom van buitenlandse tandartsen kan fluctueren. Zo lieten in 2016 zich 261 tandartsen met een buitenlands diploma in het BIG-register inschrijven en in 2017 waren dat er 131. Naast een instroom is er ook een uitstroom van tandartsen met een buitenlands diploma; de KNMT schat dat na 5 jaar ongeveer 40% Nederland weer verlaat (Claus, 2019a; Claus, 2019b). De vraag doet zich voor hoe het binnen Europa en Nederland geregeld is dat patiënten er op kunnen vertrouwen dat hun tandarts competent is?

In dit artikel wordt ingegaan op het ontstaan van het beroep tandarts en de daarbij behorende opleiding, alsmede de behoefte aan harmonisatie van de opleidingen in Nederland en Europa zodat de competentie van Europese tandartsen voor alle patiënten binnen Nederland en Europa is gewaarborgd. Tevens wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen binnen het Nederlandse zorgveld, waarbij onder meer vanwege taakherschikking en de daarmee samenhangende bevoegdheden opleidingen binnen de mondzorg hun eindtermen actueel dienen te houden.

Het ontstaan van het beroep tandarts

In 1840 opende de eerste tandheelkunde opleiding ter wereld, het Baltimore College of Dental Surgery, haar deuren in de Verenigde Staten en werd daarbij de start gemaakt met een heus tandheelkunde curriculum (Carrassi, 2000). In de daaropvolgende jaren volgde Europa gedeeltelijk: Verenigd Koninkrijk (1859), Finland (1880), Zwitserland (1881) en Rusland (1891). In veel Europese landen bleef tandheelkunde echter een specialisatie binnen de medische wetenschap.

In Nederland werd in 1865 in Utrecht de Kliniek tot herkenning en genezing van Tand-, Oor-, Huid-, Keel- en Kinderziekten opgericht; een polikliniek voor mindervermogenden waar aanstaande artsen de mogelijkheid kregen klinische demonstraties bij te wonen. In deze kliniek, waaraan dr. Th. Dentz was verbonden, werd tandheelkundig onderwijs in georganiseerd verband gegeven. Tandmeesters hadden er geen toegang (Den Dekker, 2016). Dentz werd vervolgens lector in de tandheelkunde te Utrecht, waar vanaf 1892 als vooropleiding gymnasium of hbs verplicht werd gesteld. De integratie tussen ambachtelijke gezellenopleiding en een universitaire structuur, ofwel tussen ambacht en wetenschap, vormde lange tijd een probleem. Hierin kon verbetering worden gebracht doordat in 1913 een wet werd aangenomen die een vierjarige opleiding verplicht stelde. De titel ‘tandmeester’ werd gewijzigd in ‘tandarts’. De opleiding werd verdeeld in de voorbereiding op een theoretisch en een praktisch tandheelkundig examen (Den Dekker, 2016). Nadat tandheelkunde in 1947 een volwaardig universitaire studie was geworden startten in Groningen (1948), Nijmegen (1961) en Amsterdam (UvA 1964 en VU 1968) tandheelkundige opleidingen.

Een belangrijke politieke ontwikkeling in Europa werd ingegeven door het Verdrag van Rome uit 1957, waarbij de Europese Gemeenschap werd geïnstitutionaliseerd. In dit verdrag, waarbij ook Nederland tot ondertekenaars behoorde, werd het “vrij verkeer van personen, diensten en goederen” beschreven, wat van grote invloed was op professies in de gezondheidszorg.

De Europese Unie (EU) heeft geen bevoegdheden op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Echter, de EU kan wel maatregelen nemen op het terrein van publieke gezondheidsbescherming en van grensoverschrijdende zorg door patiënten en zorgaanbieders, hetgeen is voortgevloeid uit het Verdrag van Maastricht (1992) (Den Dekker, 2016). Het is dus niet zo dat elke lidstaat naar eigen inzicht de eigen gezondheidszorg kan inrichten. De EU-richtlijn inzake rechten van patiënten bij grensoverschrijdende zorg bepaalt dat patiënten binnen de EU bij grensoverschrijding dezelfde rechten, plichten en behandeling krijgen bij medische zorg als de burgers van het land waarin zij worden behandeld. Hieraan gepaard bestaan Europese richtlijnen (feitelijk wetten) die uitwisseling van kwaliteits- en veiligheidsnormen vergemakkelijken. Het beroep van arts is al sinds 1977 een ‘gereglementeerd’ beroep, wat inhoudt dat een artsendiploma binnen het hele EU-grondgebied wordt erkend. Hierdoor is het voor artsen betrekkelijk eenvoudig in een andere lidstaat het beroep uit te oefenen.

Harmonisering van opleidingen tandheelkunde in Europa

Vanuit Europa ontstond er behoefte aan harmonisering van de eisen waaraan een arts moet voldoen met als gevolg dat er behoefte ontstond aan Europese eisen voor het onderwijs binnen deze professies. Echter, de beroepsgroepen zelf zijn verantwoordelijk voor deze harmonisatie. Hierdoor ontstonden Europese verenigingen die deze taak oppakten. De Association for Medical Education in Europe (AMEE) is hier exemplarisch voor en diende als voorbeeld voor de in 1975 opgerichte Association for Dental Education in Europe (ADEE; afb. 1). Vanaf de oprichting hebben de Nederlandse opleidingen zowel bestuurlijk als in organiserende en participerende zin binnen de ADEE een actieve rol gehad.

Afb. 1. Invloeden op de harmonisatie van tandheelkundeopleidingen binnen de Europese Unie. (Illustrator: Guido van Gerven, Duplo Studio)

Heden ten dage is de ADEE een actieve internationale vereniging van tandheelkundeopleidingen binnen Europa, waarbij meer dan 80% van de Europese opleidingen is aangesloten als lid. De ADEE streeft naar een overall hoog niveau van de opgeleide tandartsen door harmonisatie van tandheelkundig onderwijs binnen Europa.

De Bologna Declaration (afb. 1) (1999) is van groot belang geweest voor de harmonisatie van het hoger onderwijs (European Higher Education Area, 1999). Feitelijk is met de Bologna-verklaring een vrijwillig harmonisatieproces afgesproken. Om diploma’s door heel Europa beter te kunnen vergelijken werd het driefasesysteem (bachelor, master, PhD) geïntroduceerd.

De invoering van de bachelor-masterstructuur leidde er in Nederland toe dat, waar voorheen sprake was van een ‘doorstroomopleiding’, vandaag de dag elke Nederlandse universitaire opleiding in 2 onafhankelijke opleidingen, de bacheloropleiding en de masteropleiding, is opgedeeld. Voor de opleidingen tandheelkunde en geneeskunde leidt het voltooien van de masteropleiding uiteindelijk tot het ‘civiel effect’ (dat wil zeggen: BIG-registratie met bevoegdheid tot het uitvoeren van ‘voorbehouden handelingen’).

Tegelijk met de toenemende afstemming tussen opleidingen is er ook een toenemende studentenuitwisseling tussen de diverse landen. De European Dental Students Association (EDSA, afb. 1) - actief sinds 1988 - organiseert een aantal uitwisselingsprojecten en houdt 2 maal per jaar studentencongressen. Daarnaast communiceert zij via een website (www.edsaweb.org) en een eigen magazine.

Harmonisatie van de opleidingen tandheelkunde in Nederland

In Nederland zijn er formeel 4 universitaire tandheelkundeopleidingen: het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA, een samenwerkingsverband tussen de opleidingen tandheelkunde van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit in Amsterdam), de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Rijksuniversiteit Groningen. Deze opleidingen worden door het ministerie van VWS erkend, zodat afgestudeerde masters of science in de tandheelkunde zich direct mogen inschrijven in het BIG-register, waarna men bevoegd is de titel ‘tandarts’ te voeren. Elke Nederlandse opleiding tandheelkunde heeft in een eigen curriculum waarin de structuur en eisen worden beschreven van hun opleiding tot een master of science (MSc) in de tandheelkunde. De verschillende curricula van de opleidingen tandheelkunde moeten voldoen aan de Europese harmonisatie-eisen en aan de Nederlandse en Europese wetgeving. Daarnaast gelden er ook meer vrijwillige standaarden en eisen van bijvoorbeeld de ADEE en de Council of European Dentists, die vanuit Europees perspectief kader geven voor de op te leiden tandarts.

Om te voldoen aan de wet- en regelgeving stelde in 2000 de Kamer Tandheelkunde (tegenwoordig het Disciplineoverleg Tandheelkunde) van de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) het Raamplan Tandheelkunde op (VSNU, 2000).

(Fotograaf: Dirk Gillissen)

Het Raamplan Tandheelkunde

Met het Raamplan Tandheelkunde 2000 kwam er een sys­teem van landelijk vastgelegde eindtermen, een gemeenschappelijk kader voor de opleidingen tandheelkunde in Nederland en werd tevens bereikt dat de curricula van deze opleidingen in overeenstemming zouden zijn met de Nederlandse en Europese eisen voor de opleiding tandheelkunde zoals vastgelegd in het ‘Besluit opleidingseisen tandarts’ uit oktober 1997 en de Europese richtlijn uit 2013 betreffende diploma-erkenning (Overheid, 1997; EU, 2013).

Vanwege de vele veranderingen die in het zorgveld plaatsvinden, dient met enige regelmaat een raamplan te worden geëvalueerd om vast te stellen of de inhoud nog voldoet aan de normen die men aan het beroep stelt. Zo vonden en vinden bijvoorbeeld op het gebied van informatietechnologie ontwikkelingen plaats die tot grote veranderingen in de beroepsuitoefening leiden. In 2008 heeft een eerste revisie van het Raamplan plaatsgevonden en is er ook op Europees niveau afgestemd over de eindtermen van de tandheelkundige opleidingen (VSNU, 2008).

In 2017 is door de ADEE een kader opgesteld voor de opleidingen tandheelkunde in Europa en heeft het Council of European Dentists (CED) een profiel opgesteld voor de Europese tandartsen, gebaseerd op het CanMEDS Model (tab. 1) (CanMEDS, 2000; CED, 2017; Field et al, 2017). Dit was tevens het jaar waarin het Disciplineoverleg Tandheelkunde constateerde dat het Raamplan 2008 aan herziening toe was om in lijn te komen met de ontwikkelingen die in het veld hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden. Tevens gold dat het Raamplan 2008 vooral was geschreven met de mondarts in het achterhoofd, waardoor het veel eisen bevatte ten aanzien van een verbetering van de medische component. Tegelijkertijd was het tandheelkundig technische aspect van de beroepsuitoefening teveel naar de achtergrond geschoven. Andere zaken die om een herziening vroegen waren de ontwikkelingen op het gebied van taakdelegatie en taakherschikking, kwaliteitszorg, de positie van de patiënt en digitalisering.

Tabel 1. Domeinen en competentiegebieden van het tandheelkundig curriculum (herziene structuur) (Field et al, 2017).

Invloed van taakherschikking op Raamplan

De Commissie Innovatie Mondzorg (ofwel ‘commissie Linschoten’) bracht in 2006 een advies uit over de toekomstige organisatie van de mondzorg en de taakverdeling tussen de verschillende beroepsbeoefenaren (Commissie Innovatie Mondzorg, 2006). Een belangrijke verandering was het verschuiven van taken van tandartsen naar mondhygiënisten. Binnen een taakherschikkingsconcept worden uitvoerende taken steeds vaker door nieuwe zorgverleners gedaan. Dit leidt tot een cultuuromslag van doen naar denken. Tandartspraktijken worden daardoor steeds groter en vereisen in toenemende mate managementcompetenties van de tandarts-eigenaar/directeur. De tandheelkundeopleidingen zien op dit moment onvoldoende ruimte in hun curriculum om in deze behoefte te voorzien.

Als gevolg van het rapport van de Commissie Innovatie van Mondzorg werden de opleidingen tot tandartsen en mondzorgkundigen met 1 jaar verlengd, werd de instroom van studenten voor de opleidingen mondzorgkunde verhoogd en die voor de opleidingen tandheelkunde verlaagd. De in 2006 beoogde verschuiving van taken naar de mondhygiënist heeft in 2019 naar mening van het ministerie nog onvoldoende plaatsgevonden. De verhoogde instroom van studenten mondzorgkunde had namelijk niet direct tot een significant hogere uitstroom van mondhygiënisten geleid. Als gevolg van het tekort aan mondhygiënisten om de beoogde taakverschuiving te realiseren ontstonden in het veld, ten gevolge van de mogelijkheden die de wet BIG biedt, nieuwe functieprofielen, zoals de preventieassistent. Op dit moment nemen preventieassistenten, van wie de titel niet wettelijk beschermd is, een groot deel van de taken van mondhygiënisten over.

Om de taakherschikking naar de mondhygiënist meer af te dwingen besloot het ministerie van VWS in 2019 een experiment te starten waarin wordt onderzocht of met een uitbreiding van de BIG-bevoegdheid van mondhygiënisten van functioneel zelfstandig naar volledig zelfstandig tot een betere invulling van de werkzaamheden zal leiden (Overheid, 2019). Binnen de tandheelkundige professie bestaat veel onduidelijkheid of het curriculum van de huidige opleidingen mondzorgkunde de mondhygiënist voldoende in de gelegenheid stelt om aan de eisen van ‘totale zelfstandigheid’ te voldoen. Door hun verschillende opzet waren de curricula van de opleidingen tandheelkunde en mondzorgkunde feitelijk niet te vergelijken. Het Disciplineoverleg Tandheelkunde en het Landelijk overleg van Opleidingen Mondzorgkunde hebben daarom (reeds gestart in 2017) besloten om gezamenlijk één Raamplan Mondzorg voor beide opleidingen te ontwikkelen, dit keer in samenwerking met de 2 beroepsorganisaties in de tandheelkunde (KNMT en ANT) en de beroepsorganisatie van mondhygiënisten (NVM). Recent is dit Raamplan door de deelnemende organisaties geaccordeerd en aan de minister van VWS aangeboden (in 2018 heeft de ANT zich overigens uit de Commissie Raamplan Mondzorg teruggetrokken).

Harmonisatie en bekwaamheid

Bekwaamheid, bevoegdheid en deskundigheidsgebied

De overheid gebruikt verschillende methoden om de bevolking een zeker niveau van mondzorg te garanderen. Voor de opleiding zijn enkele begrippen belangrijk: bekwaamheid, bevoegdheid en de beschermde titel (Brands en Van den Heuvel, 2016).

Iemand is bevoegd zelfstandig bepaalde voorbehouden handelingen te doen, wanneer hij of zij op basis van inschrijving in het BIG-register beschikt over een beschermde titel. De bevoegdheid is beperkt tot handelingen die de wet BIG verbindt met de titel (artikel 36, wet BIG; Overheid, 1993). Voor een tandarts is de bevoegdheid bovendien beperkt tot het deskundigheidsgebied.

Een voorwaarde voor het zelfstandig uitvoeren van de betreffende handelingen is dat men niet alleen bevoegd, maar ook bekwaam is om te betreffende handeling uit te voeren. In principe wordt die bekwaamheid afgeleid uit het feit dat iemand een bepaalde opleiding heeft gevolgd (artikel 20 en 21, wet BIG). Voor tandartsen geldt dat zij, behalve een bepaalde bevoegdheid, ook een beschermde titel krijgen. Na ingang van het taakherschikkingsexperiment van 2019 geldt hetzelfde voor geregistreerde mondhygiënisten. De eis van bevoegdheid geldt alleen voor voorbehouden handelingen, de eis van bekwaamheid geldt zowel voor voorbehouden handelingen als voor niet voorbehouden handelingen.

In theorie ontstaat zo een systeem waardoor patiënten vrij eenvoudig kunnen afleiden of een behandelaar bekwaam is om bij hen een bepaalde behandeling te verrichten. Immers, zowel titel als bevoegdheid en, binnen het deskundigheidsgebied, ook de bekwaamheid volgen uit de inschrijving (artikel 3, 4 en 36, wet BIG).

Systeem van wet BIG lijkt helder, maar is niet waterdicht

In het kader van delegatie en functionele zelfstandigheid (artikel 38 en 39, wet BIG) mogen onder bepaalde voorwaarden niet-zelfstandig bevoegden wel de voorbehouden handelingen uitvoeren. Voor patiënten ontstaat zo een ingewikkelde situatie. Tijdens het experiment met de geregistreerde mondhygiënist mag bijvoorbeeld een vierjarig opgeleide geregistreerde mondhygiënist aan een vierjarig opgeleide niet-geregistreerde mondhygiënist de opdracht geven om in de praktijk van de niet-geregistreerde mondhygiënist anesthesie te geven.

In dit geval zou de situatie nog gerechtvaardigd kunnen worden als iedere patiënt de wet BIG kende en op de hoogte was van de deskundigheid van beide mondhygiënisten. Dan zou de patiënt de mogelijkheid kunnen hebben een keuze te maken. Het wordt anders wanneer de wetgever zelf onduidelijkheid schept, zoals bij de introductie van de vierjarig opgeleide mondhygiënist (Overheid, 2006). Daarmee ontstonden er 3 typen mondhygiënisten, met ieder een wezenlijk andere opleiding qua duur en inhoud. Volgens het systeem van de wet BIG zouden die ook allen een andere titel moeten krijgen, maar de minister vond dat alle types zich mondhygiënist mochten noemen. Waarmee de titel mondhygiënist dus geen enkele relatie meer heeft met de opleiding en daarmee met de bekwaamheid. Overigens schept het experiment met de mondhygiënisten (2019) wel weer wat duidelijkheid tussen de diverse opleidingsachtergronden door een schisma tussen geregistreerde en niet- geregistreerde mondhygiënisten. Het is de vraag of de patiënt het verschil zal weten.

Niet voor niets stelt de wet BIG naast het vereiste van bevoegdheid ook de eis van bekwaamheid. In principe kunnen tandartsen hun bekwaamheid bewijzen door het feit dat zij als tandarts staan ingeschreven, dat zij binnen hun deskundigheidsgebied blijven en zich beperken tot handelingen waarvoor zij bevoegd zijn. Er kunnen zich situaties voordoen waarin die bekwaamheid niet zonder meer uit de inschrijving kan worden afgeleid. Een voorbeeld is dat men een bepaalde handeling al jaren niet meer heeft gedaan. Dit zal op individuele basis moeten worden aangetoond.

Is harmonisatie van diploma’s garantie voor bekwaamheid?

Harmonisatie van diploma’s binnen de EU is alleen te realiseren wanneer het gaat om universele competenties die in de verschillende landen op ongeveer hetzelfde niveau vereist zijn. Bijvoorbeeld technische aspecten en mogelijk ook ethische competenties. Een gebrek aan bekwaamheid kan ontstaan op het terrein van de landgebonden competenties, bijvoorbeeld taal en lokale wet- en regelgeving. Om ingeschreven te worden in het BIG-register moeten ook tandartsen uit de Europese Economische Ruimte (plus Zwitserland), waarvan het diploma erkend wordt, voldoen aan een taaltoets. Over de vraag of deze toets voldoende is, kan gediscussieerd worden. Tuchtcolleges signaleren nog geregeld taalproblemen.

Een ander potentieel probleem bij de erkenning van buitenlandse diploma’s is kennis van lokale wet- en regelgeving. Onderzoek van Schenkeveld et al (2015) wees uit dat tandartsen deze aspecten van een behandeling erg belangrijk vinden, maar dat het met de feitelijke kennis van Nederlandse tandartsen op dit terrein droevig is gesteld. De onderzoekers concludeerden dat deze kennis bij buitenlands opgeleiden nog veel minder is. Gegeven het feit dat klacht- en tuchtprocedures vooral gaan over niet technische zaken, zou dit gebrek aan bekwaamheid van vooral buitenlands opgeleide tandartsen in theorie kunnen leiden tot meer tuchtzaken (Brands et al, 2018). Dit blijft echter gissen, omdat tuchtcolleges, behoudens gevallen waarin sprake is van taalproblemen, niet melden dat het om een buitenlands gediplomeerde tandarts gaat.

Slot

De kwaliteit en toegankelijkheid van onderwijs en gezondheidszorg zijn 2 basisverantwoordelijkheden van de overheid. Het is aanzienlijk eenvoudiger binnen Nederland een zekere harmonisatie van het mondzorgniveau te bereiken dan binnen Europa. Immers, de opvattingen over de technische professionele standaard, de taal en de wet- en regelgeving over bijvoorbeeld patiëntenrechten zijn in Nederland gelijk. Een vereiste is dat er binnen een betrekkelijk kleine groep opleidingen en beroepsverenigingen enigheid bestaat over het Raamplan en het beroepsprofiel. Bij het Raamplan ligt het accent op de inhoud van de opleiding, onder andere noodzakelijk voor het verkrijgen van de accreditatie van de opleiding. In de beroepsprofielen ligt het accent op de beroepsuitoefening in het werkveld. Het Beroepsprofiel Tandarts algemeen practicus werd in 2006 opgesteld door de KNMT en het Beroepsprofiel Mondhygiënist in Nederland werd in 2007 door de NVM opgesteld (Arensbergen et al, 2006; Werkgroep beroepsprofiel, 2007).

Afb. 2. Aspecten die de ‘Europese’ tandarts in Nederland vormen. (Illustrator: Guido van Gerven, Duplo Studio)

Binnen Europa wordt gestreefd naar een vrij verkeer van diensten. Dit is pas verantwoord, wanneer er een zekere uitwisselbaarheid bestaat tussen Nederlands opgeleide tandartsen en tandartsen die elders in Europa opgeleid zijn (afb. 2). In Europa wordt door de opleidingen geprobeerd om binnen Europa universele competenties zoveel mogelijk op hetzelfde niveau te onderwijzen. Bij landgebonden competenties als taal en lokale regelgeving is dit niet mogelijk. Deels wordt dit opgelost door ook van tandartsen die binnen Europa opgeleid zijn een taaltoets te eisen. Een toets over basiskennis van lokale wet- en regelgeving ontbreekt echter nog. Daarnaast geldt dat de opleiding tandheelkunde een academische opleiding is waarmee de nieuw opgeleide tandarts als academicus in staat moet zijn op adequate wijze om te kunnen gaan met komende veranderingen.

Literatuur

  • Arensbergen C van, Broeken R, Lammersen G. Beroepsprofiel tandarts algemeen practicus. Houten: KNMT, 2006.
  • Brands WG, Heuvel JLM van den. Toedeling van taken en verantwoordelijkheden in de mondzorg: kernbegrippen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2016; 123: 13-17.
  • Brands WG, Ven JM van der, Banus SGR. Het nieuwe klachtrecht in de praktijk. Ned Tijdschr Tandheelkd 2018; 125: 503-507.
  • CanMEDS 2000: Extract from the CanMEDS 2000 Project Societal Needs Working Group Report. Med Teach 2000; 22: 549-554.
  • Carrassi A. The First 25 Years. Dublin: ADEE, 2000.
  • CED. CED Resolution: Profile of the dentist of the future - key driving forces in dentistry. Brussel: CED, mei 2017.
  • Claus S. Waarom Nederland zo aantrekkelijk is voor buitenlandse tandartsen. Trouw, 4 maart 2019a.
  • Claus S. Nederland wordt steeds afhankelijker van buitenlandse tandartsen. Trouw, 4 maart 2019b.
  • Commissie Innovatie Mondzorg. Innovatie in de mondzorg. Leiden: Commissie Innovatie Mondzorg/Instituut voor onderzoek van overheidsuitgaven (IOO), 2006.
  • Dekker J den. Sociale tandheelkunde in de praktijk. Houten: Prelum, 2016.
  • European Higher Education Area. De Bologna verklaring 1999. Bologna: EHEA, 1999. http://www.ehea.info/media.ehea.info/file/Ministerial_conferences/01/0/1999_Bologna_Declaration_Dutch_553010.pdf.
  • Europese Unie. Richtlijn 2013/55/EU betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Brussel/Straatsburg: 20 november 2013.
  • Field JC, Cowpe JG, Walmsley AD. The graduating European dentist: a new undergraduate curriculum framework. Eur J Dent Educ 2017; 21 Suppl 1: 2-10.
  • Overheid. Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG). Den Haag: 11 november 1993.
  • Overheid. Besluit opleidingseisen tandarts. Den Haag: 3 oktober 1997.
  • Overheid. Wijzigingsbesluit Besluit diëtist, ergotherapeut, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, [...] (wijziging opleiding en deskundigheidsgebied mondhygiënist). Den Haag: 21 februari 2006.
  • Overheid. Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid mondhygiënist. Den Haag: 17 mei 2019.
  • Schenkeveld CJM, Boer JCL den, Dam BAFM van, Bruers JJM. Tandartsen gepeild over wet- en regelgeving. Ned Tandartsenblad.2015; 70 (nr. 19): 30-31.
  • VSNU. Raamplan 2000. Eindtermen van de tandartsopleiding. Utrecht: VSNU, 2000.
  • VSNU. Raamplan 2008. Competenties van de tandarts (zesjarige opleiding). Den Haag: VSNU, 2008.
  • Werkgroep beroepsprofiel. Beroepsprofiel Mondhygiënist in Nederland. Houten: NVM, 2007.
Dit programma is niet meer geaccrediteerd en kan daarom niet meer worden aangeschaft

Lees verder

Meer lezen? Log in of word abonnee

Auteursinformatie

  • R.C. Gorter1, W.G. Brands2, A.J.Feilzer1
  • Uit 1het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en 2de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT) in Utrecht
  • Datum van acceptatie: 12 november 2019
  • Adres: dr. R.C. Gorter, ACTA, postbus 7822, 1008 AA Amsterdam
  • r.gorter@acta.nl

Download bij dit artikel