Betonrot

Open PDF (68.95 KB)

Er was eens - hier niet eens zo ver vandaan en nog niet zo heel lang geleden - een land waar de huizen van de inwoners werden aangetast door een vervelend fenomeen: betonrot. Oudere huizen hadden er meer last van dan jongere, maar het kwam in het algemeen vrij vaak voor: ongeveer 60% van de bewoners van kastelen, paleizen en landhuizen en zo’n 80% van de bewoners van boerderijen, herbergen en hutjes werden er door bezocht. Muren kregen scheuren, zagen er niet fraai meer uit of stortten zelfs spontaan in. Dat leidde tot maatschappelijke onrust. Op zeker moment waren de inwoners van dat land de onrust zat en stelden voor om een fonds in het leven te roepen waarop iedereen die een goed idee had om te onderzoeken hoe het betonrotprobleem kon worden opgelost, een beroep kon doen voor een bijdrage in de kosten. De middelen waren niet onuitputtelijk, dus moesten er keuzes worden gemaakt en alleen de ideeën die men de grootste relevantie toedichtte, zouden mogen worden uitgewerkt. Op die manier zou veel kennis worden vergaard en al die kennis was voor iedereen die het wilde beschikbaar. Die aanpak was een groot succes, maar toch bleken er al snel meerdere visies op de aanpak van het probleem te ontstaan. Sommigen hadden manieren gevonden om de geleden schade zo goed en zo mooi mogelijk te repareren; alle aangetaste stukken steen, beton en cement werden zo goed mogelijk weggehaald en de muren werden weer netjes gerestaureerd. Dit gebeurde al dan niet gebruikmakend van een afdekzeil tijdens de reparatiewerkzaamheden en al dan niet waar de bewoners zelf bij waren. Anderen vonden dat je natuurlijk de schade wel moest repareren als het niet anders meer kon, maar ook dat de nadruk moest worden gelegd op het voorkómen van het betonrot. Al veel eerder was namelijk uitgevonden dat de vorm van betonrot die in het land heerste in een heel groot aantal huizen was te vermijden als de bewoners iedere week een emmertje sop zouden maken waaraan een klein beetje zout was toegevoegd en daarmee iedere week hun huis grondig zouden schoonmaken (nu waren er ook weer anderen die erg tegen die toevoeging van dat zout waren, maar dat is weer een ander verhaal). Echter, niet iedere bewoner had er evenveel zin in om iedere week maar weer alle muren af te soppen; er waren immers ook andere belangrijke zaken die veel tijd kostten. Trouwens: de aangetaste muren waren toch te repareren? Weer anderen vonden het vooral een kwestie van vroege bewustwording; kijk maar eens naar wat er in buurlanden al is uitgevonden. Die huizen daar – ook de oudere- – hebben veel minder last van betonrot.

Het was een lastig dilemma en de minister van Volkshuisvesting kon niet goed een keuze maken. Waar werd de bevolking het meest gelukkig van? Dit was niet 1-2-3 opgelost, dat was wel duidelijk.

De mensen met de verschillende ideeën waren het overduidelijk niet met elkaar eens. Ze hadden allemaal hart voor de zaak, maar vonden dat alleen zij het probleem het beste konden tackelen. Om hun mening kracht bij te zetten werden artikelen geplaatst in de tijdschriften die over huisonderhoud in het algemeen en betonrot in het bijzonder handelden. Stuk voor stuk nette artikelen. Alleen geen van alle ideehouders kreeg van alle werkers in de algemene huizenzorg de handen op elkaar. En ondertussen werden de acties en reacties met enige regelmaat steeds heftiger ten tonele gevoerd. Periodes van betrekkelijke rust en hevig oplaaiende polemieken wisselden elkaar af en bij tijd en wijle werd de beroepsbevolking in geuren en kleuren deelgenoot gemaakt van de actualiteit van de discussie.

Op een gegeven moment verplaatste het strijdtoneel zich naar de landelijke dagbladen. Steekjes werden uitgedeeld in de richting van onderzoekers, aantijgingen van ondeugdelijk handelen, verwaarlozing of winstbejag en terechtwijzingen struikelden over elkaar heen. De vuile was van de beroepsgroep van huisonderhouders werd eens flink buiten gehangen. En ondertussen bleven de woningen van de inwoners van dat land, hier niet eens zo ver vandaan, ten prooi vallen aan het voortschrijdende betonrot. Tot het moment dat…

Verhalen met een open einde kunnen vervelend zijn. Onbevredigend ook, omdat de afloop niet bekend is. Het voordeel is wel dat er over de afloop valt te dagdromen en er een eigen persoonlijke invulling aan kan worden gegeven. Zo van: “...zou die discussie in betonrotland nou blijven opvlammen en wegebben of komt er een nieuwe generatie betonrotreparateurs en -preventici aan, en zou die generatie inzien dat het een niet zonder het ander kan en dat het gezamenlijk doel dat zij nastreven het beste met vereende krachten kan worden aangepakt? Het wordt vast een generatie die een discussie inhoudelijk voert, bij grote voorkeur op een platform dat daarvoor is bedoeld. Als dat eens zo zou zijn…dat zou toch mooi zijn!...”

1 reacties

Betonrot en Semmelweis

Met veel belangstelling heb ik het redactioneel commentaar van Erik Vermaire over betonrot gelezen. Ik deel zijn droom nog meer als het de mondzorg bij kinderen betreft. Het gaat daarin helaas al lang niet meer over de discussie tussen 2 wetenschappelijke richtingen, maar om wetenschap versus andere belangen. Dat leidt er ook toe dat de discussie zich verplaatst naar het publieke domein. Sommigen hebben er belang bij het volk mee te krijgen. Hoe (makkelijke boodschap)… .is minder belangrijk. In de wetenschap gaat het om verbetering van de zorg (vaak moeilijke boodschap). Sommigen hebben geen belang bij een inhoudelijk debat en zullen dat daarom altijd vermijden. Gezondheidseconoom emeritus-hoogleraar Guus Schrijvers stelt dat bij innovatie in de gezondheidszorg de 3 L’s vereist zijn: Liefde, Lef en Lange adem. We mogen niet ontevreden zijn over wat er ondanks de nodige tegenwerking na 10 jaar is bereikt in de mondzorg voor de jeugd. Het kostte immers 40 jaar voordat de inzichten van Semmelweis ter preventie van kraamvrouwenkoorts werden geaccepteerd. Het onderwerp ‘farmacologische middelen in de mondzorg voor kinderen’ speelt al lang en vraagt indringend om herbezinning door de wetenschappelijke verenigingen in de bijzondere mondzorg vanwege de risico’s die ermee gemoeid zijn en die te gemakkelijk worden weggewuifd. Het draait om vragen als 1. Hoe kan het gebruik van farmacologische middelen worden beperkt? 2. Hoe kunnen private belangen bij de indicatiestelling van punt 1 worden beperkt? 3. Hoe kan de mondzorg voor de jeugd beter worden georganiseerd? Het antwoord op deze vragen biedt nieuwe kansen voor de toekomst van de kindertandheelkunde.

R.J.M. Gruythuysen op maandag 29 februari 2016 om 15.02u

Hartelijk dank voor uw reactie. Uw reactie zal in behandeling genomen worden en na controle worden geplaatst.