Voorlezen
Congresnieuws
3 december 2024
Het najaarscongres van de Nederlandse Vereniging voor Kindertandheelkunde (NVvK) op vrijdag 15 november in Hilversum was gewijd aan het thema ‘Zintuigen en prikkels in de tandartsstoel’.
Neurospsycholoog André Rietman vertelde dat in de mond verschillende zintuigen aanwezig zijn: proeven, ruiken, voelen en proprioceptie. Door het laatstgenoemde systeem, aanwezig als spierspoeltjes in spieren, kan men nauwkeurig bepalen hoeveel kracht tijdens kauwen toegepast moet worden. Opmerkelijk aan het proprioceptieve systeem is dat er geen na-ijleffect optreedt, zoals bij de andere zintuigen wel het geval is.
Logopedist Ingeborg Snel benadrukte dat ervaring van prikkels per persoon variëert en van talloze factoren afhankelijk is. Zij presenteerde de zogenoemde prikkelwaaier, een hulpmiddel waarmee mondzorgverleners het niveau aan prikkels bij kinderen kunnen inschatten. Zij wees erop dat bepaalde vormen van druk gedrag van het kind niet op overprikkeling hoeven te duiden, maar ook een uiting kan zijn van onderprikkeling. Door niet stil te zitten gaat het kind zichzelf dan prikkels geven.
Psycholoog Remco Havermans ging in op de ontwikkeling van smaakperceptie. Deze begint reeds in de baarmoeder. Een foetus blijkt in de twintigste week van de zwangerschap via het vruchtwater al smaken waar te nemen. Op het vierde levensjaar heeft men de volledige hoeveelheid smaakpapillen en uiteindelijk is de smaakzin rond het tiende levensjaar volledig ontwikkeld. De voorkeur voor zoet tot de puberleeftijd is volgens Remco geassocieerd met botgroei: lange kinderen hebben gemiddeld een sterkere zoetvoorkeur, wat gunstig zou zijn voor de skeletgroei.
Na de lunchpauze introduceerde Milou Munk het gebitsgroeiboekje, een nieuwe informatiebrochure voor ouders, afgeleid van ‘gezonde peutermonden’. Het gebitsgroeiboekje wordt op dit moment getest in 3 GGD-regio’s in Nederland. Vervolgens illustreerde logopedist Margot Willemsen de verschillen in slechthorendheid aan de hand van een filmfragment waarin 7 kinderen met verschillende niveaus aan slechthorendheid vertellen hoe ze communiceren met anderen. Om spraakafzien (‘liplezen’) mogelijk te maken dient men als mondzorgverlener niet alleen het mondmasker tijdelijk af te doen, maar ook de lamp even weg te draaien. Men dient zich altijd op het kind zelf te richten, ook als het wordt vergezeld door een tolk gebarentaal. Docent gebarentaal Jolanda Jansen, zelf ernstig slechthorend, leerde de aanwezigen een aantal gebaren die mondzorgverleners kunnen gebruiken om contact te leggen met dove patiënten en om hen iets over de behandeling uit te leggen. Jolanda draagt een cochleair implantaat, een apparaat waarbij de gehoorzenuw direct wordt gestimuleerd. Zij wees erop dat mensen met een cochleair implantaat enorm last hebben van de hoge tonen van tandheelkundige apparatuur en het implantaat dan tijdelijk uitgeschakeld moet worden.
Tot slot ging neurospycholoog Gerry Jager in op de mogelijkheden om gezondere voedselkeuze aantrekkelijker te maken door op basis van het uiterlijk de verwachtingen over het product onbewust te beïnvloeden. Onderzoek heeft aangetoond dat vorm of de kleur van de verpakking inderdaad de keuze voor het gezonde product een zetje in de goede richting kunnen geven. Helaas lijkt dit effect maar tijdelijk en zijn productintrinsieke eigenschappen als smaak uiteindelijk doorslaggevend.
De NVvK is er dus opnieuw in geslaagd een boeiend congres rondom een relevant thema te organiseren.
dr. H.S. Brand, redacteur